In de kelder is een kind geboren

Het katholieke gezin van Workum bestond uit: Vader, moeder, 2 broers en 2 zusters.
Mijn ouders hadden een pension aan de Utrechtseweg 108 t.o. het Rijnhotel.
Het begon op een zonnige zondag, 17 september 1944. Mijn vader was op weg naar de kerk, maar kwam snel terug i.v.m. het luchtalarm. Enige tijd later kwamen de vliegtuigen over. Ik zag naar mijn gevoel wel honderd parachutes naar beneden komen waar poppetjes onderaan hingen. Dominee Adriaan Wartena, die met zijn 2 dochters Nettie en Ria, bij ons kamers had gehuurd vroeg een paar uur later aan mijn moeder of hij onze Nederlandse vlag mocht hebben om onze bevrijders te verwelkomen.

Dat waren wèl Engelsen

Hij was koud weg met de vlag of hij kwam alweer terug rennen: “Mevrouw, mevrouw, het zijn de Duitsers die eraan komen, weg die vlag”! Opeens liepen er soldaten rond ons huis en die kwamen met zo’n man of 10 bij ons binnen. Dat waren wèl Engelsen.
Mijn moeder was een zorgzame vrouw. Eén van hen was gewond en werd op bed gelegd met laarzen en al. Ieder huis aan de Utrechtseweg werd een gevechtsstelling en wij moesten naar de kelder. Onze buurman, mijnheer Stuivenberg, wilde in eerste instantie de Engelsen niet binnen laten. Hij werd op een gegeven ogenblik tegen de muur gezet en ze zouden hem doodschieten. Omdat hij Engels sprak kon hij zich eruit praten.
We hadden 2 kelders, een grote en een kolenkelder. Mijn moeder had eten op het vuur staan, dat hebben de soldaten verder afgemaakt; hete bliksem. Ze brachten het eten met een ketel thee (“tea, tea, tea”, riep hij) en chocolade naar ons in de kelder. We hadden nog nooit chocolade gehad en ik vond het vies en hoefde het ook niet.
’s Nachts hoorden we een Duitser roepen “Hilfe, hilfe”, steeds weer. Wat akelig klonk dat. Dinsdag kwam er boven ons hoofd lawaai; ze vochten als gekken! In de kamer, de gang, de keuken. De Duitsers met zwaar geschut BOEM, BOEM, dat noemden wij kinderen: “Opa”. De Engelsen met lichte wapens, ret tet tet tet. Dan zeiden wij tegen elkaar: “Daar komen de kindertjes”.
Bij onze overburen, het huis naast het Rijnhotel, is in de kelder een kind geboren: Harry.

Moeke, moeke, moeten we dan dood?

De dominee, ook bij ons in de kelder, ging vertellen over Jozef en zijn broers. Dat vond ik een prachtig verhaal. Hoe harder er geschoten werd, hoe luider vertelde hij door. Mijn moeder wilde op een gegeven ogenblik gaan kijken wat er boven allemaal aan de hand was. De Engelsen hadden de ramen iets omhoog geschoven om van daaruit te schieten. Ze gaat de kamer in en die soldaat draait zich gelijk om met zijn geweer in de aanslag. Hij dacht natuurlijk dat het een Duitser was. Hij had haar zo dood kunnen schieten.
De Duitsers zaten op de daken achter ons huis hun geweren leeg te schieten in onze huizen. Op een gegeven moment kwamen alle 10 Engelse soldaten bij ons in de kelder, inclusief de gewonde soldaat. Het ging er boven te hard aan toe. De gewonde parachutist werd op de kolen in het kolenhok gelegd. We hoorden toen ook dat ze uit Wales kwamen omdat, de dominee en zijn dochters Engels spraken.
De gewonde soldaat was aan het bidden, mijn zus zei: “Kijk hij is ook katholiek, hij heeft een rozenkrans in zijn hand”. De soldaten waren ook bang. Een granaat kwam voor tegen de stoep, het vuur spoot door het kolenhok en de soldaat schoot overeind. Mijn moeder zei, kom we gaan dicht tegen elkaar aan staan, als er wat gebeurd zijn we allemaal gelijk dood. Maar ik riep: Moeke, moeke, moeten we dan dood en ik ging een beetje achteruit staan. Ik had helemaal geen zin om al dood te gaan.
De commandant ging met een geel-groen doekje uit het raampje van de grote kelder zwaaien. Mijn vader zei dat hij dat niet moest doen omdat anders de “moffen” granaten naar binnen zouden gooien.
In de loop van de dinsdag zijn de soldaten met de gewonde soldaat het huis uitgegaan. Ik denk dat het gevecht zich toen heeft verplaatst.Toen zijn wij de kelder uitgegaan. Het sein “veilig” is nooit gegeven. Het huis was onbewoonbaar. We vonden boven pamfletten waarop stond dat alle bewoners van Arnhem weg moesten. Arnhem was “Sperrgebiet”geworden. Het sein “veilig” is nooit gegeven.

Niet kijken, doorlopen

Twee fietsen werden volgeladen met de noodzakelijkste spullen. In de achtertuin lag een dode soldaat tegen het hek. We gingen naar buiten en zagen een rijtje Engelse soldaten in bedwang gehouden door een Duitse soldaat. Toen zei mijn moeder nog: “O jeetje, daar staat ook die gewonde soldaat bij die bij ons in de kelder lag”. Dat vonden we toch allemaal zo erg. Verdorie, is hij nog krijgsgevangen gemaakt ook. Voor op de Utrechtseweg lag allemaal glas, foto’s van de soldaten en andere spullen die van hen waren. Een uitgebrande tank en gesneuvelde soldaten. Een laars waar nog wat in zat. Ik zag een soldaat met een geplet achterhoofd; daar was een tank overheen gereden. Naast hem lag een soort brei. Moeder zei steeds: “Niet kijken, doorlopen”! Er lag van alles op straat, foto’s, snoep.

Dan werden we helemaal ingesmeerd met een stinkende groene zalf

De soldaten die krijgsgevangen gemaakt werden, moesten hun zakken legen en op straat gooien. Mijn broertje wilde snoep van de straat pakken maar moeder zei: “Niet doen, afblijven”! Er lag een burger, voorover, hij had blond haar en een rood-geel geruit hemd aan. “Moeder, kijk daar eens”. “Niet kijken, doorlopen”, zei mijn moeder steeds. Het was een slagveld.
Ik weet niet waar dominee Wartenaar met zijn dochters naar toe is gegaan, die zijn we uit het oog verloren in de chaos. We liepen de Oranjestraat op, over de brug naar de Hoogkamp en later naar Hoenderloo.
In Hoenderloo werden we ondergebracht in een grote schuur waar veel meer gezinnen waren. Ze zaten allemaal in groepjes dicht bij elkaar en het was er vies hoor! We hebben luizen gehad en schurft. Dan werden we helemaal ingesmeerd met een stinkende groene zalf.
Daar vandaan zijn we opgehaald door een neef uit de Achterhoek met paard en kar. Wij moesten allemaal witte hoofddoekjes op. Over de kar was een wit doek gespannen met een rood kruis erop. Onderweg zijn we nog een paar maal beschoten door vliegtuigen. Dan doken we de éénmans gaten in, die overal langs de weg gegraven waren.

Huilen van heimwee en de rozenkrans bidden

Als er weer een vliegtuig naderde dan renden Jos, mijn broertje van 6, en ik heel hard weg voor al het vuur dat achter ons aan kwam. Wij zijn zonder één enkel schrammetje bij de familie aangekomen. Wij hebben veel aan ons geloof gehad. Mijn moeder was een hele vrome vrouw en sterk. Iedere avond rozenkrans bidden. Ook heeft mijn moeder tijdens de oorlog joodse leden van een orkest in de kelder verborgen. Ze speelden aan de overkant in het Rijnhotel. Later zijn ze naar andere onderduikadressen gegaan.
In de Achterhoek gingen we van de ene familie naar de andere. Eerst naar Gaanderen naar een zus van mijn moeder, tante Tonia. De zussen deelden de kleren enz. Toen naar Keijenborg; daar vond ik het heel erg. Die man was een hele vervelende man en mijn moeder had daar het meeste heimwee. Ook zijn we in Etten geweest. Er was wel een soort opvangschool, maar daar hoefde je niet naar toe. Dat vond ik allang best. Mijn moeder heeft heel veel gehuild van de heimwee. Toen gingen we naar de Mulling en daar hebben we het heel erg goed gehad. De broers van mijn moeder hebben de hele oorlog door gezorgd dat wij te eten hadden. Dan deelde mijn moeder met de postbode enz.
In Gaanderen werd op 1 April 1945 (1e Paasdag) door de Duitsers de Boerenbond opgeblazen als ‘afscheidscadeautje’. We werden wakker van een hele harde knal. Daar is een gezin van 7 personen bij om het leven gekomen. De latere bisschop Simonis heeft daar ook nog van verteld, omdat ook hij in Gaanderen was geëvacueerd.
Mijn moeder was een hele slimmerd. Wij hadden onze winterkleding niet bij ons. Toen heeft ze een paar Duitse soldaten gecharterd om de kist met winterkleding uit ons huis in Arnhem te halen. Dat is gelukt. De Duitsers mochten het eigenlijk niet doen. Dat was plunderen en daar stonden hoge straffen op.

Nog jarenlang contact met Engelse dames

Mijn vader had al ver voor de invasie in een diepe kuil in de tuin de waardevolste spullen waar onder 2 koperen vazen uit Indië (een huwelijkscadeau) begraven.
Daar bovenop een laag zand en daar weer bovenop de minst waardevolle spullen. Toen we weer terug kwamen, waren de minst waardevolle spullen weg. Dieper hadden ze niet gegraven. RvWorkum vazenDe vazen en het geld waren er nog. In huis was alles weg. Mijn moeder was al eerder naar huis gegaan om het ergste op te ruimen. Het gras stond een meter hoog in de tuin. We moesten op het tuinpad blijven, want er konden nog projectielen in de tuin liggen. Die zijn er later door de gemeente uitgehaald.
Ik had een pop ‘Liesje’, die heb ik de hele evacuatietijd met me mee gesleept. Mijn zus had ook een pop, ‘Elsje’, met lang haar. Moeder zei toen we vertrokken: “Leg je pop maar bij het heilig hartbeeld neer, dan past Onze Lieve Heer er wel op. De pop was weg en het Heilig Hartbeeld onthoofd! We hadden geen ruiten meer. Alles was dichtgeplakt en er was bijna niets te krijgen. Mijn vader heeft met heel veel moeite een paar ruiten op de kop getikt; legde ze even op het bed om later te gebruiken. Mijn zus komt de slaapkamer op gestormd, ploft op het bed neer en ruiten kapot. En kwaad dat mijn vader was! Hadden we weer geen glas en duurde het nog een hele tijd totdat er weer ruiten in het huis zaten.RIAvanWORKUMairborne
Na de oorlog kwamen er 2 Engelse dames, zussen, bij ons in het pension. Een van de dames, Mrs. Hill, had een zoon verloren, Peter Hill, hij was tijdens de overtocht van Oosterbeek naar Maurik in de Rijn verdronken. Hij is in Maurik aangespoeld en is daar begraven. Er kwamen heel veel mensen bij ons over de vloer. Wij hebben nog jarenlang contact gehad met de Engelse dames. Mijn zus is daar eens 3 maanden geweest en mijn broer ook.

De granaat ontplofte; drie vriendjes kwamen om

Na de oorlog moest ik naar een kolonie op Schiermonnikoog, om aan te sterken, want ik wilde niet eten.
Ik moest in 8 weken 8 kilo aankomen. Dat is gelukt, want ik wilde alleen maar naar huis. Mijn broertje heeft nog erg lang last gehad van het gebeurde.
Wij waren alweer een poosje thuis maar mochten nog niet overal spelen. Er lagen nog overal projectielen die onschadelijk moesten worden gemaakt. Mijn broertje Jos had 3 vriendjes, Ferdi en Richard Gorter en Leo Liethof. Ze vroegen of Jos meeging naar Mariëndael om te spelen. Mijn moeder verbood dat, omdat het daar nog niet veilig was. Toch probeerde Jos weg te sluipen met zijn vriendjes mee. Mijn zus zag dat en zei: “Jij mag niet weg, terugkomen”!
De drie vriendjes gingen toch naar Mariëndael; ze vonden een granaat en zijn daar mee aan de gang gegaan. De granaat ontplofte en alle drie de vriendjes van Jos zijn daarbij om het leven gekomen.
En dat was zo’n lieve jongen, Leo, hij heeft me zelfs (toen we kinderen) waren ten huwelijk gevraagd.
Ik zie zijn moeder nog voor me. Ze had een lange vlecht en ze miste hem heel erg. Ze moest heel vaak huilen.
Het verhaal van Jozef en zijn broers heeft voor mij altijd een bijzondere betekenis gehad.
In Zevenaar is een school naar dominee Wartenaar genoemd. Nettie zat later in de Pelgrom-stichting, een bejaarden-tehuis in Zevenaar. Daar heb ik haar nog wel eens opgezocht.

Ria Megens-van Workum

Ria Megens-van Workum

 

Brief aan de familie Poststempel 05-11-1944. Deel 1

Amsterdam 05-11-1944

Lieve Allemaal,

Deze titel geldt voor de geheele familie, dan behoef ik het relaas maar eenmaal te vertellen.
Uit uw brieven maakten wij op, dat U denkt dat er sprake is van een gewone evacuatie, maar dat was, zoals blijken zal niet het geval.
Begin september werd Arnhem opgeschrikt door vordering van alle mannen van 15-50 jaar, die zomaar werden opgepikt en weggevoerd, zonder dat iemand wist waarheen en voor hoelang.
Niemand durfde zich in de stad te begeven, van tijd tot tijd ging ik weleens een paar uur naar de zaak. Uiteindelijk besloten we onder te duiken in de schuilkelder die we in de tuin zouden graven. De beschietingen uit de vliegmachines waren de gewoonste zaak. In Wolfheze een munitietrein, op de Amsterdamse weg colonnes wagens. Op de tandem ging ik naar Weesp of naar Doetinchem om levensmiddelen te halen.

De lucht was ’s avonds rood en twee dagen lang regende het verbrande papiertjes.

’s Morgens 17 september was ik nog met de schuilkelder bezig, de lucht was vol jagers, daarna kwamen de bommenwerpers in groepjes van zes. Deze lieten raketbommen vallen op de kazernes in Arnhem en Schaarsbergen. We zaten in de gang, gehurkt, het huis schudde, de schuilkelder was niet te gebruiken op dat moment. Om vier uur zagen we vracht en zweefvliegtuigen in de richting van Wolfheze, die gingen landen. Dit duurde ongeveer 1½ uur, wat ging er gebeuren? We besloten naar kennissen in de Marislaan te gaan. We laadden alles op, wat al klaar stond voor de vlucht, namen ook de matrassen mee. Zo gingen we de eerste nacht in. De kinderen en dames aangekleed op bed, de heeren in de stoelen.’s Maandags gingen de Engelsen door Oosterbeek naar Arnhem, lichte en zware machinegeweren en zwaar geschut, wat ging dat tekeer. Om tien uur vloog de eerste granaat, twee huizen verder in het dak. De mofjes hadden hun zwaar geschut dat richting Betuwe schoot, voor ons in Mariendael en achter ons op de Bakenbergseweg staan. De kogels vlogen over ons heen, we vlogen als dekking tegen de grond, later lieten we ze rustig over ons heen gaan. Er was geen licht, geen water en geen brood.
Toen de Engelsen voorbij het station waren, werden ze teruggedreven uit Arnhem. Er bleven soldaten achter in kelders, om dat te voorkomen staken de Moffen groote gedeelten van Arnhem in brand. De lucht was ’s avonds rood en twee dagen lang regende het verbrande papiertjes.

Brief aankomst Otterlo 24.9.1944 (2) persoons foto J.Jansen (voork)2

Brief aan de familie Poststempel 05-11-1944. Deel 2

Dinsdagochtend wilden we naar huis in de Voermanstraat, juist toen kwamen grote groepen Duitsers in ganzepas achter ons huis langs, sluipend naar het bosch.
We vluchtten naar de overburen, die hadden een goede kelder.
Vrijdag 22 sept. heb ik me naar de zaak gewaagd. Oorlogsstemming; trams midden in de straat stil, vluchtende menschen, rijen bij het water en eten halen, rode kruis auto’s.

’s Zaterdag weer landingen; weer schieten, inslag van projectielen. Zondagmorgen vond ik bij de schuilkelder een granaatscherf van 17 cm lengte en 4 cm dikte gloeiend heet. Het was duidelijk, we moesten weg. Zondag kwam er bericht dat we maandagavond om 8 uur weg moesten zijn. We besloten maar direct te gaan, voor de groote stroom. Het regende, het geschut bulderde, troepjes vluchtelingen met witte doeken trokken de Amsterdamseweg op. Toen we de Marislaan opgingen kwam er een salvo Engels vuur, we maakten rechtsomkeer, ons werd aangeraden richting Otterloo te gaan. Tot de “Leeren Doedel” dat hotel met speeltuin zagen we oorlog; geschutstellingen, mitrailleursnesten, uitgebrande auto’s, kapotgeschoten bomen, parachutes in wanorde langs de weg. Verder een nog ergere aanblik dode Engelsen en Duitschers. We gingen met de Fam. Claesens. Mw. Claesens verwachtte over 14 dagen een baby.

Maakt U niet bezorgd over ons, wij komen er wel doorheen, ook al heb ik maar 1 paar schoenen en geen winterjas.

Willy duwde de kinderwagen met Rina, ik de fiets met de trekkar, daarachter het wandelwagentje. Hankie op de fiets. Onderweg moesten we het bosch in vluchten voor vliegtuigen.
We deden over 17 km 5½ uur. In Otterloo kregen we soep en om half negen gingen we naar ons nachtleger een huisje van 6x4m, waar we met z’n negenen op stroo sliepen. De volgende dag kregen we er een dubbel huisje bij. Water moesten we halen en hout in het bosch zagen, zoo leven we nu al 5 weken geloof ik. Momenteel zijn alle drie de kinderen ziek, dysenterie. Marina en Hankie iets beter, maar Pim niet veel vooruitgang. We krijgen van het Roode Kruis 7 boterhammen per persoon per dag plus ¾ liter eten.
Verleden week ben ik met een Roode Kruisauto naar Arnhem geweest, wat ziet die stad eruit, de binnenstad verbrand en heel veel vernield en weggegapt.

Dit is zoo het nieuws. Ik hoop dat het U in goede welstand aantreft. Tot ziens, Hartelijke groeten en sterkte allemaal. Maakt U niet bezorgd over ons, wij komen er wel doorheen, ook al heb ik maar 1 paar schoenen en geen winterjas.

persoons foto J.Jansen (voork)2      Brief Rode Kruis (vrijstelling fiets)

Het flesje voor de baby warmde we op in de zon

Ik was de jongste van 13 kinderen, geboren in 1934. In 1944 waren er nog 7 thuis + mijn vader en moeder. Naast ons woonde een zuster van mij met haar man en baby.
Op 17 september 1944 begon het schieten en kwamen er heel veel parachutes naar beneden.
Op 19 september toen we ontwaakten, stond de hele Haagdoornstraat vol met pantserwagens; volgeladen met doden van allerlei nationaliteiten. Mijn moeder hield me bij de voordeur weg. Wij zaten in een moeilijke positie, midden tussen pantserwagens, we konden geen kant op. Links de Nijmeegseweg over kon niet, rechtdoor naar Nijmegen, gezien de gevechten aldaar, kon ook niet, rechts op de Rijndijk aan het eind van onze straat hadden de Duitsers; afweergeschut en kazematten neergezet en de Rijnbrug over ging ook niet.

het lawaai van het afweergeschut was oorverdovend

Wij zaten met 40 personen gevangen en konden maar één ding doen, we liepen de Haagdoornstraat af, staken de Meinertwijkseweg over en zaten midden in het weiland, richting Elden.
De lucht was zwart van de parachutisten, het lawaai van het afweergeschut was oorverdovend. Wij hebben met 40 man, twee en een halve dag in het weiland gelegen. Er werd pap gemaakt voor de baby, het flesje werd in de zon in de greppel gelegd, om het enigszins warm te maken. Bram, werd door zijn hoed geschoten, hij werd heel kwaad, later zou hij ‘wraak’ nemen.
Wij bereikten Elden en overnachtten bij een boer op de deel. Wij waren gevlucht, konden niets meenemen.
Vanuit Elden gingen we naar Dieren, kinderen en vrouwen op de wagen, wij liepen erachter. Geslapen hebben we in een wasserij. Van Dieren langs het kanaal naar Apeldoorn. Onderweg hebben we 2 keer overnacht in een wasserij. Ik herinner me de naam van één wasserij: “De oude olifant”.
In Apeldoorn werden we door een evacuatiecomité niet erg hartelijk verwelkomd. Op diverse adressen bij particulieren werden we ondergebracht. Gezinnen konden niet bij elkaar blijven. Ik werd met mijn broer ondergebracht op de Trekweg. Op veel zolders bewaarden mensen vruchten, lagen appels te drogen. Als kinderen gingen we die pikken, we hadden honger. Dat begon die mensen zo te vervelen dat ‘het evacuatiecomité’ eraan te pas kwam. We moesten eruit en kregen een woning toegewezen: Trekweg 38. Mijn moeder met de 4 jongste kinderen werden daar gehuisvest. Mijn vader heeft de hele evacuatie periode, met zijn wagen getooid met een rode kruis vlag, evacués vervoerd van A naar B.

Sehr schöne Tabak, habt Ihr noch mehr

Mijn vader pruimde en die pakjes pruimtabak kocht hij voor 80 gulden per stuk. Mijn broer die boven mij kwam en ik, wij gingen die pruimen drogen en kochten in een winkel flesjes fermentatie. De gedroogde pruimpjes gingen we heel fijn snijden met een scheermesje, uitrafelen en drogen op de kachel. Dan een paar druppeltjes fermentatie erin en van krantenpapier vouwden we puntzakjes en deden daar een plukje van die tabak in. Aan de Duitsers verkochten we zo’n puntzakje tabak voor fl. 7,50. De Duitsers waren daarmee heel gelukkig, het was: “Sehr schöne Tabak, habt Ihr noch mehr”? Ja, we komen overmorgen terug en dan hebben we meer. Zo veel kon vader ook weer niet pruimen dus namen we gedroogde blaadjes die we dan ook weer fermenteerden en vulden zo de voorraad aan. Ook sprokkelden we val-hout uit ‘het Jodenbos’ om de kachel te stoken. We trokken de bossen hout met een touw naar de Trekweg en dat was een behoorlijk stuk lopen.

Stenen werden gebikt, van het puin werd specie gemaakt

Toen de oorlog afgelopen was, gingen we terug naar Arnhem, maar we kwamen niet verder dan het Apeldoornskanaal. De ophaalbrug was gebombardeerd en zo hebben we daar nog een paar maanden in een schuilkelder gebivakkeerd, die de huiseigenaar in de tuin gebouwd had.
Eindelijk met paard en wagen gingen we op weg naar Arnhem. Daar troffen we ons huis onbewoonbaar aan. Alles was kapot geschoten. Mijn vader en mijn broer waren bouwvakkers. Stenen werden gebikt, van het puin werd specie gemaakt en van de HARK kregen we een beetje huisraad.
Een deel van  Malburgen-West is gebouwd met het puin van Arnhem. Vooral de eerste flats waar ik in 1956 zelf in woonde met mijn vrouw en 2 kinderen.
Wij waren druk, ons leven weer opbouwen, dus veel werd er niet aan de oorlog gedacht. Ik heb in de avonduren veel cursussen gevolgd en een mooie carrière in het zakenleven opgebouwd.
Ik trouwde in 1954, kreeg 3 kinderen verhuisde naar Presikhaaf, naar een huis met tuin.
Na mijn pensionering in 1994 ben ik in het vluchtelingenwerk terecht gekomen.

Daar heb ik nog een lintje voor gekregen. Lid in de orde van Oranje Nassau

De Iraniërs en Irakezen die toen in Nederland asiel aanvroegen en later een verblijfsvergunning kregen, werden d.m.v. mijn grote netwerk in het zakenleven aan een baan geholpen.
Ik voerde ook gesprekken met de gemeente en de IND.
Zo zijn er 400 mensen aan werk geholpen.
Daar heb ik nog een lintje voor gekregen. “Lid in de orde van Oranje Nassau”.

Evacuatie gedicht

Met hun fietsen, kinderwagens,
Wiegen, zwaar bepakt, naar ’t leek,
Trekken vier families uit het
Platgeschoten Oosterbeek.

Na de slag zijn ze gebleven,
Voelden zich nog altijd thuis,
Schoon zij sliepen in de kelder
Van hun platgeschoten huis.

Maar het bleef toch erg onrustig
En onhoudbaar op den duur,
Want behalve de bezetting
Was er vaak nog hevig vuur.

Trouwens, ’t was maar voor drie weken

Telkens kwamen er berichten
Van de Duitsers met bevel
Dat zij niet geduld meer werden,
Steeds maar dringender en fel.

Bovendien werd groot de vreze
Dat vanaf de overkant
Weer een aanval zou beginnen
Nu met bommen, brisant en brand.

Daarom werd het huis verlaten;
Alles laten staan wat stond,
Uitgezonderd dan een beetje
Weggestopt onder de grond.

Trouwens, ’t was maar voor drie weken
Hoogstens, dat zij zouden gaan.
Dit althans was hunne mening
Bij ’t vertrek uit de Nassaulaan.

Daarom: niet meer meegenomen
Dan noodzakelijk was per se.
Ook het aangelopen poesje
Nam Henk in een kooitje mee.

Afscheidsgroeten van bewoners
Die niet mee nog wilden gaan.
En om acht uur ’s morgens startten
Vier gezinnen uit de laan.

Met één wou het niet erg vlotten –
De bagage lag niet vast
Op de lichte kinderwagen,
Die erg schudde van de last.

Om de hoek reeds bleef die steken,
Was gauw heel ver achteraan.
En toen er de gang weer in kwam
Werd verkeerde weg gegaan.

Eind’lijk weer bijeen gekomen,
Moedig maar weer voortgegaan.
Maar … na veel gesukkel kwamen ze
Kilometers achteraan.

’s Avonds in de kerk gaan slapen Op een strobed, taam’lijk warm

’n Lange tijd nog blijven wachten,
Maar niets daagde op. En zo
Kwamen ze pas in de middag
Bij ons aan in Otterloo.

Gingen nog diezelfde avond
Van ons weg op Laren aan.
Wij met drie gezinnen bleven
Om des and’ren daags te gaan.

’s Avonds in de kerk gaan slapen
Op een strobed, taam’lijk warm.
Poes van Henk onder de dekens
Vastgehouden in z’n arm.

Midden in de nacht spektakel –
Poes gaat zorgen voor een mop
Weet uit Henk z’n arm t’ontsnappen
En gaat kijken verderop.

‘s Nachts logeerden w’in een schoolpand

Mijnheer G. werd uitgekozen
Wiens gezicht wees naar omhoog.
En opeens: daar ging de poes, die
met een zwiep de lucht in vloog.

Plotseling werd alles duister
Want de poes, die arme ziel,
Vloog tegen de kaarslantaren
Die nu van de tafel viel.

’n Vader met z’n kleine jongen,
die moest plassen in de nacht
Ging naar buiten en vertelde het
Hem die houden moest de wacht.

Die het onheil kwam verhelpen
En het licht weer gloren deed.
Allen legden zich weer neder,
In de nacht die verder gleed.

’s Morgens ging de reis weer verder
’t Ging op Barneveld nu aan
En daar bleef weer een familie
Die niet verder wilde gaan.

‘s Nachts logeerden w’in een schoolpand
Nu met mensen uit ’n stad,
Die veel kind’ren bij zich hadden,
Waar men weinig rust van had.

Midden in de nacht een schreeuwerd
Die zeer luid te kennen gaf,
Dat hij ’t niet meer op kon houden
En hij moest met ’t broekje af.

Daarop volgden meerd’re klanten,
Delend in dezelfde kwaal,
Vliegend, heftig slaand met deuren,
Naar het naastliggend lokaal.

Na een paar rustige uurtjes
Stond er een papaatje op,
Die zijn schone goed ging zoeken
Diep in een koffer weggestopt.

Zeer luidruchtig was die hand’ling;
’t Duurde dan ook heus niet lang
Of  bij ’t hele slaapgezelschap
Was het lachen aan de gang.

Iedereen keek nu erg angstig
Waar dit heen zou kunnen gaan,
Want het bleek wel dat hij spoedig
In z’n blootje kwam te staan.

Op een wenk van één der gasten
Die het onheil komen zag,
Was de man weer terug te leiden
Tot normale klederdracht.

’s And’ren daags ging het weer verder,
Want naar Hoogland moest’n we heen,
En daar zijn we heden ook nog,
Al zijn maanden reeds vergle’en.

Velen zijn hier ingeburgerd,
Anderen weer ingeboerd.
Niemand zult ge horen klagen,
Als ge ’n praatje met hen voert.

Maar toch hopen ze weer spoedig
Naar hun huis te kunnen gaan,
Om de boel weer in te richten
Met wat nog is blijven staan.

Deze wens nu geldt u allen,
Waarvandaan ook uit ons land,
Maar houdt lang in uw geheugen
Onze woensdag in Hoogland.

 

Op een boerderij

Nadat we ons zelf geëvacueerd hadden, bleef van het kleine groepje Nassaulaaners slechts het echtpaar Beek (nr.29) met twee dochters en ons gezinnetje over, die in Den Ham, gemeente Hoogland, ten noorden van Amersfoort, ondergebracht werden. De RK familie Beek werd ondergebracht bij een NH echtpaar en bleef daar al die maanden tot wederzijdse tevredenheid.
Wij kwamen een paar huizen verder bij het gezin van een kaashandelaar terecht. De vrouw klaagde al direct dat ze dat niet aan kon. Wij als gereformeerden werden geplaatst bij een RK boerenfamilie. Ik denk dat we er wel op vooruit gingen, daar we een heel stuk zolder met twee grote tweepersoonsbedden kregen. Bovendien lag de boerderij in de vrije ruimte en niet aan de straatweg naar Bunschoten.

De boerin zat stuurs en grimmig voor zich uit te staren, boos als ze was dat vier vreemden haar voedsel opaten

Hoe de dagen doorkomen?
Vader had een plekje boven de koeien (altijd warm) gekregen, waar hij wat kon knutselen en repareren, voor de familie. Moeder deed ’s morgens de afwas van de vorige dag in een soort keukentje op de deel.
In de stal bevond zich de wc voor de vrouwen en de grote boodschap van de mannen. Voor de overige afvoer gingen die naar buiten.
’s Avonds voordat we naar bed gingen, stonden we daar met z’n vieren in een rijtje voor een heg te genieten van de sterrenhemel. Mijn zus, ging naar een paar paters die haar Latijn leerden. Met haar ging ik naar een kunstenaar, de goudsmit Van Zwollo, die kinderen van evacués leerde en liet tekenen; het gele boekje met mijn bescheiden vorderingen is nog in mijn bezit.
De familie had twee dochters, die altijd bezig waren in huis en een zoon, Piet, van mijn leeftijd, die zijn vader op het gemengde boerenbedrijf hielp en hem zou opvolgen. Met de drie kinderen hadden wij weinig contact. De boer was een man die maar héél weinig zei, dus ook geen commentaar gaf op ons verblijf in zijn woonstede. Hij stond er traditiegetrouw wel op dat er niet met het eten begonnen werd voordat hij zat. Oh, dat eten! Een paar maal per week kregen we hutspot of hete bliksem. Twee vorken halfvol at ik; ik ben tot op heden beide gerechten blijven verafschuwen. De boerin zat stuurs en grimmig voor zich uit te staren, met het hoofd iets naar beneden, boos als ze was dat vier vreemden haar voedsel op aten; ze kreeg er overigens wel distributiebonnen en een flinke vergoeding per persoon voor.

Rillend stond ik voor ’t vuurpeloton

Een levensbedreigende situatie deed zich ook eenmaal voor.
Piet en ik waren naar een paar vrouwen gegaan die in een bosje, dat aan de ‘gast-familie’ behoorde, hout sprokkelden. Toen we daar de Nederlandse (!) dames op aanspraken, doken uit het bosje een paar Duitse militairen op. Als de bliksem namen we de benen en trachtten zo snel mogelijk in de boerderij te komen; onderweg hoorden we geweerschoten en doken we herhaaldelijk in een greppel.
Daar was het niet mee over. Ik was naar de zolder gevlucht en had me verstopt achter een gordijn tussen een lading appels, maar de Duitsers wilden dat ik te voorschijn kwam.
Toen kwam moeder weer op haar unieke wijze in actie. Ze smeekte, bad de Duitsers mij niets te doen als ze mij tevoorschijn had getoverd.
Rillend stond ik voor ’t vuurpeloton, maar daar bleef het bij. Ik was blijkbaar nog te jong.

Het bleken Franstalige Canadezen te zijn en dat viel mij wel fiks tegen

Toch werden we in april 1945 langzamerhand omsingeld door de bevrijders.
We hoorden in het dorp, wáár in de omgeving al geallieerde soldaten gesignaleerd waren. En toen op de 24e april, nadat er ’s morgens nog een eenzame Duitse soldaat rond de boerderij had gelopen, zagen we ze aankomen, rustig lopend op het brede zandpad naar de boerderij. Ze wilden eerst nog het huis doorzoeken, maar mijn zus vertelde hun dat er geen Duitser meer in het huis zat en dat namen ze direct aan.

Toen een onderdeel vertrok, smokkelden we een jong hondje, waar ze zo dol op waren, als mascotte met hen mee

Het bleken Franstalige Canadezen te zijn en dat viel mij wel fiks tegen, want ik had in de voorafgaande maanden mezelf een heleboel Engels geleerd uit een schoolboek.
Gelukkig werden ze na een week door Engels sprekende Canadezen vervangen, ik kon mijn gang gaan.
Ik meende, dat ‘bridge’ een Amerikaans/Engels spel was; dat ze stuk voor stuk dat spel beheersten en gretig ging ik met een pak kaarten op hen af, maar werd daar in teleurgesteld.
Zo zie je maar, dat ‘bevrijding’ voor een ieder, andere verwachtingen verwekte.
We hadden erg veel plezier met de bevrijders toen een onderdeel vertrok, smokkelden we een jong hondje, waar ze zo dol op waren, als mascotte met hen mee. De stuurse boerenvrouw maar zoeken.
Het bloed begon te borrelen, de zucht naar huis nam toe. We pakten onze schaarse eigendommen in en gingen op weg, maar erg ver kwamen we niet; die nacht sliepen we in het huisje van de boerenknecht.
De volgende dag weer terug naar de gastfamilie. Ik zie nog hun gezichten voor me, toen het tot hen doordrong dat voor hen de tweede bevrijding maar van korte duur geweest was.
Vader ging na een paar weken weer eens poolshoogte nemen in Oosterbeek. Hij kwam met gunstige berichten terug en daar gingen we weer. Het zal je misschien verbazen, dat vader na zijn late pensionering nog twee of drie maal op zijn Solexje naar Hoogland is getuft om de gastfamilie te bezoeken. Hij kwam steeds welgemoed terug en vertelde ons van zijn belevenissen, bijvoorbeeld dat Piet de boerderij had overgenomen. Vele jaren daarna wilde moeder ons kuuroord ook bezoeken; ik nam haar mee in mijn auto. Groot was ons beider verbazing toen wij niets meer terug vonden van de boerderij en de landbouwgrond er om heen; alles was volgebouwd met huizen als uitbreiding van Amersfoort.

Ik had in Hoogland zo’n aversie tegen eten gekregen, dat ik maar heel weinig nam

Onze bevrijders spraken Engels

In Oosterbeek troffen een nauwelijks bewoonbaar huis aan; geen glas meer in de ramen. De was had al die maanden in een teil gestaan; het water was verdampt en de stank was enorm.
In de gang lag nog de met bloed doordrenkte loper, waar de Engelse soldaat op was gestorven, maar we pakten de draad weer op: Wat een feest om je eigen baas te zijn.
Maandenlang waren de ouders bezig het huis op te kalefateren. Dat betekende o.a. dat vader planken timmerde in het raam van de voorkamer. Hij kreeg weer gauw een nieuwe baan aangeboden, namelijk als taxateur van licht en zwaar beschadigde woningen in Oosterbeek en welke was dat niet?
Eten haalden we uit de gaarkeuken op de Sonnenberg: Twee gamellen, één met de hoofdmaaltijd en de tweede met de toespijs. Ik had in Hoogland zo’n aversie tegen eten gekregen, dat ik maar heel weinig nam. Die aversie is vele jaren blijven hangen.
Er kwamen steeds meer konijnen bij, die in een paar hokken in het schuurtje verbleven. Eén daarvan werd mijn lievelingsdier. Het was zo slim, liep los in de schuur en kwam altijd op me af om zich te laten aaien. Met kerstmis liet moeder dit lieve dier door Kasius slachten, die dat op de barbaarse manier van toen deed. Ik heb de man nooit meer aangekeken of een woord tegen hem gezegd. Van het konijn heb ik niets gegeten, ondanks moeders aansporingen. “Mmmmm, lekker zeg. Neem ook een stukje, jongen. Is goed voor je. Mmm.”
De voormalige veldwachter kwam na terugkeer niet meer te wonen op nummer 39, maar in een huisje op de Sonnenberg. Hij was erg boos op vader, die bij wederkomst uit de evacuatie hem zijn fiets terug kwam brengen, die vader van hem ‘geleend’ had om uit Oosterbeek te komen (zonder dat de eigenaar, die al direct na de slag vertrokken was, dat wist).
Hij zou die fiets nooit terug gevonden hebben als vader hem niet meegenomen had.

De indruk die de Engelsen op mij gemaakt hebben door hun “gentlemanlike” gedrag en moed, het feit dat onze bevrijders Engels spraken, die associatie heeft sterk ingewerkt op een gevoelige jongen van 13 jaar.
Het resultaat is geweest dat mijn verdere leven in grote mate bepaald is door de Engelsen, het Engels en Engeland.

Henk Capelle 2013

Henk Capelle 2013

Nawoord van Henk Capelle:
Mijn zus zat op het Lyceum in Arnhem en door een uitwisseling tussen dit Lyceum en de PutneyHigh School for Girls in Londen, kreeg ik contact met twee families, Parry en Mills.
Ze kwamen bij ons logeren als ze de graven wilden bezoeken.
Ik werd door hen uitgenodigd om mijn vakantie in Engeland door te brengen en deze gebeurtenis versterkte mijn verlangen om de rest van mijn leven grotendeels te besteden aan ‘propaganda’ voor de Engelse levensstijl en taal.

Jan, Jan, lèèf ie nog!

Joke is de jongste uit een gezin van 8 kinderen. Haar verhaal begint in 1940. Er kwamen heel veel vliegtuigen overvliegen, vanuit Duitsland. Toen hoorde ik van de oudere kinderen dat het oorlog was. Voor mij ging het leven gewoon door.

Mijn moeder nam de geit aan een touw

Er was wel voedselschaarste. Wij mochten 1 varken per jaar slachten en voor een groot gezin was dat erg weinig. Toen ik 17 was kwam het bericht dat we uit ons huis moesten. We woonden in Ooy, vlakbij het station van Zevenaar. Mijn moeder nam de geit aan een touw, vader had een fiets waarop de bagage werd gebonden; zoals dekens etc. en zo liepen we richting Didam. Onderweg kwamen colonnes Duitsers ons tegemoet en boven ons vlogen de vliegtuigen van de geallieerden.
We kregen onderdak bij een gezin in Oude Tol, een buurtgemeenschap. Er was 1 dochter in huis. Mijn oudste zuster was 27 en regelde veel. Ik giebelde veel met mijn 1 jaar oudere zus. Echte giebels waren wij vooral onder het pannenkoeken bakken.
Als er alarm was doken we de suikerbietenkuil in. De koffer die we dan bij ons hadden paste er niet helemaal in en stak met de punt uit de kuil. Daar is ook eens op geschoten.
Het gezin waar we bij in woonden had een eigen schuilkelder. Als het alarm over was, riep de vrouw steevast: “Jan, Jan, lèèf ie nog”?  “Ja”, zei Jan.
En iedere keer lagen mijn zusje en ik dan in een deuk!

Dwars door de bolhoed geschoten

Ook kwamen er wel Duitsers in de schuilkelder en mensen uit Groessen. De kogels floten regelmatig rond het huis. De Canadezen schoten op de slaapkamer van het huis. De mensen vluchtten.
Daar is toen nog een jongen uit Groessen doodgeschoten. In het weiland tegenover ons legden de Duitsers landmijnen.
Mijn oudste zus had verkering en haar vrijer kwam haar bezoeken. Hij was dwars door het mijnenveld gelopen, omdat hij dat toen nog niet wist. Later is er nog een koe op een mijn gelopen.
Mijn vader droeg altijd een bolhoed. Daar is door de Canadezen ook op geschoten, dwars door de bolhoed en niet door mijn vader, gelukkig.
Mijn oudste zus bad de hele dag de rozenkrans. Zij was zich natuurlijk meer bewust van de realiteit dan wij, die overal om giebelden. De mensen die gedood waren, werden met een doek bedekt en op een ladder afgevoerd. ’s Nachts vielen er brandbommen.

Wij zagen dat de Nederlandse vlag op de molen van Didam wapperde

De schuur, waar het Heilighartbeeld stond, dat ook door ons meegenomen was, brandde af.
Het beeld stond nog ongeschonden in de hoek.
Het viel mij wel op dat er veel oude mannen in het Duitse leger dienden.
Ze kwamen aan ons voorbij, toen ze zich hadden overgegeven en voor de Canadezen uit liepen.
De volgende morgen zagen wij dat de Nederlandse vlag op de molen van Didam wapperde.
Joke van AlstToen wisten we dat we bevrijd waren.
“Het had ook niet langer moeten duren”, zei mijn moeder, want anders was mijn oudste zus gek geworden. Toen konden we naar huis.
Vader had een flesje ‘suikerbietenolie’ meegekregen. Onderweg moest hij zijn band oppompen en vergat de olie mee te nemen.
Dat vonden we allemaal heel jammer.

We durfden niet naar boven naar het toilet

In 1941 kwamen wij, mijn ouders met vijf dochters, in het plaatselijk postkantoor van Heveadorp wonen.
In het dorp waren o.a. twee Hevea fabrieken waar banden, laarzen en dergelijke werden gemaakt. Eén fabriek stond op een berg, de andere beneden bij de ingang van het dorp, dicht bij de Westerbouwing. Vanuit onze tuin keken wij op de bovenfabriek van de Hevea.
Op 17 september 1944 zaten we in de *kerk, we hoorden ineens veel vliegtuigen en de ramen rammelden, zodat de dienst werd stopgezet.

Iemand vond een parachute en daarmee dansten wij op straat

Toen we buiten kwamen zagen we grote zweefvliegtuigen, die werden los gelaten van gewone vliegtuigen. Uit de zweefvliegtuigen kwamen parachutisten die o.a. op de Renkumse heide landden.
Wij werden bevrijd, dachten wij. Wát een feest, iemand vond een parachute en daarmee dansten wij op straat. Het was helaas van korte duur.
parachutisten_tekening_gert002.jpgDe luchtlandingtroepen konden de Duitsers niet tegenhouden, het liep op een fiasco uit. De volgende dag werd Heveadorp massaal bezet door de Duitsers. Er waren echter ook nog Engelsen. Je kon geen hoofd buiten de deur steken, want er werd meteen geschoten. Wij hadden een grote, diepe kelder, waar wij en de buren ingingen. Wij moesten erg stil zijn, want als de Duitsers iets hoorden, gooiden ze een handgranaat naar binnen. Bijna de hele dag en nacht bleven we in de kelder. Er stond een inmaakpot, waar ieder zijn behoefte in deed…. We durfden immers niet naar boven om naar het toilet te gaan.

Achter ons huis, in de tuin stond een Duitse tank met artillerievuur erop. Doorlopend werd er geschoten op de bovenfabriek, omdat de Duitsers dachten, dat daar nog Engelsen zaten. Dat was niet meer het geval. De volgende dag waren de Engelsen uit het dorp en wij konden naar boven.

vreselijk als je ineens niet meer bezit, dan wat je aan had

De SS’ers (Duitse soldaten) schreeuwden tegen iedereen in het dorp, dat wij zo snel mogelijk weg moesten. Wij vluchtten met bijna alle inwoners van het dorp, uitgezonderd enkele N.S.B. gezinnen, die de Duitsers hielpen. (N.S.B. = Nationaal Socialistische Beweging)
Later bleek dat deze gezinnen veel uit onze woningen hadden gestolen.
Wij konden alleen het meest noodzakelijke meenemen. Vreselijk als je ineens niet meer bezit, dan wat je aan had. Tussen het spervuur door vluchtten wij naar een onbekende bestemming, weg uit Heveadorp. We liepen het Dunolaantje door, terwijl links van ons het afweergeschut van de Duitsers klonk en rechts dat van de Engelsen. Er kwamen ons, legerwagens tegemoet met gewonde soldaten. Was het een “hoge” dan lag hij in een jeep, de “gewone”soldaten lagen op een grote legerwagen. Het was gruwelijk om dit te moeten zien. Zo’n beeld hou je, je hele leven bij je.

We moesten een straat oversteken, waar volop geschoten werd. De Duitsers hielpen ons toen met oversteken. Wij gingen naar Doorwerth naar vrienden, maar ook daar moesten we weg. Wij gingen naar familie in Renkum. Ook daar moesten we weg, evacueren naar Ede, dat was vol, door naar Ederveen.
Daar kwamen wij aan met ons twaalven, de familie uit Renkum had zich bij ons gevoegd. We konden terecht in een kleine schuur van een grote boerderij. Er was een potkacheltje waar mijn moeder op moest koken, het rookte soms enorm.

Koolraap, mais, aardappelen

Koolraap, mais, aardappelen

We aten iedere dag hetzelfde; aardappelpuree; koolraap en maispap. Voor één koolraap moest je bij een boer in de rij staan en ook nog 1 gulden betalen!
De boer had natuurlijk wel volop eten, want in de schuur was de boerin soms speklappen aan het bakken! Het rook lekker, maar we hebben er nooit iets van meegekregen. Waren het écht Christelijke mensen? Mijn oom, de drie kinderen van hem (zijn vrouw was overleden), een vriend en wij (vijf zussen) sliepen in de schuur, naast ons woonschuurtje en naast de varkenshokken in het stro.
Aan de ene kant de dames, aan de andere kant de heren. Mijn ouders mochten in een kamertje in de boerderij slapen! Na ruim een half jaar in deze ellende te hebben gezeten heeft mijn vader gevraagd of wij naar de Achterhoek naar familie mochten. Wij hebben toen drie dagen gelopen en kwamen uiteindelijk bij familie in Sinderen terecht. Daar was volop en van alles te eten, wij wisten niet wat ons overkwam. Daar hebben wij uiteindelijk de bevrijding meegemaakt in maart 1945.

Dit waren mijn oorlogsherinneringen, die ik nooit kan en zal vergeten. Ik hoop dat onze kinderen en kleinkinderen zoiets nooit HOEVEN mee te maken.

* De kerkdienst was in gebouw “De Zaaier”, Heveadorp had geen kerk.

Overleven in de hut met negen kinderen

In de oorlog, ik was zeven jaar oud, moest in zo’n blauw hengelbusje, 2 liter melk wegbrengen naar het spoorhuisje “Hellekate”. Daar woonde een grote familie, ik zie nog die kinderkopjes boven voor het raampje. Het was een feest voor die mensen die melk. Aan gevaar werd niet gedacht, er waren ook geen lantaarns. Tussen Oosterbeek en Wolfheze heb je een duiker onder het spoor door, daar ging ik onderdoor naar Schuitema, een kippenboer, een mand eieren halen.arendmanuels1944_3_1.jpg
Mijn vader heeft nog de laatste melk met paard en wagen opgehaald bij die boer op de Boersberg in Doorwerth. Hij reed terug over Wolfheze, langs het pad naast het spoor. Je hebt daar een doornen heg daarachter lagen Moffen, hij moest snel maken dat hij weg kwam, anders werd hij beschoten. Die soldaten waren de Engelsen aan het opwachten. Later heb ik hier in de winkel nog Engelsen gesproken, ze vertelden dat er daar een paar soldaten zijn doodgeschoten.

Bij ons muurtje op de hoek, lag een militair met camouflage

Het was zondagmorgen, ik stond omhoog te kijken met Gerard Bos, het was zwart van de vliegtuigen, de Gereformeerde kerk ging net uit.
Toen de Engelsen op weg waren naar de brug in Arnhem, was er een verkenner op de Jacobaweg, een parallelweg van de Utrechtseweg. Bij ons muurtje op de hoek, lag een militair met camouflage,  mijn moeder hield mij terug. Hij keek of er nog Duitsers waren, maar die hadden de benen genomen. Ze zaten in de Wilhelminaschool, ze waren snel vertrokken, met vrachtwagens.
’s Middags, ik stond bij de Utrechtseweg, toen gingen de Engelsen met al het materiaal naar Arnhem toe. De volgende dag stond ik bij Kluwen de bakker, er kwam een jeep langs met op de aanhangwagen veel doodgeschoten soldaten, ik zag veel bloed onder een zeil. Wat is dat pa? Ik kreeg te horen, dat zijn dooie koeien van de slager. Later hoorde ik dat ze werden afgevoerd naar het tennisveld bij Hartenstein.

 Het droppingsgebied was vlakbij

Als je bedenkt, dat er 7 granaten zijn gevallen, één meter van het keldergat vandaan. De hele buurt zat bij ons in de kelder, want wij hadden een goede kelder met gewelven en ijzeren balken.

Er viel  bij ons in de lijsterbessenboom een hemelsblauwe parachute met een grote rieten mand

De andere huizen hadden houten vloeren, daar gingen die granaatscherven dwars doorheen.
Ons huis stond op de hoek van de Jacobaweg en de Pr. Hendrikstraat, het staat er niet meer.
Toen die granaat op een meter van het keldergat viel, op de hoek van het huis, toen kon je elkaar niet meer zien van het stof en het zand. Even later kwam er een mof de keldertrap af: “Sind hier Tommies” Zulke beelden vergeet je nooit meer”! (zegt hij met nadruk). Muisstil, die mof stapte ook weer op.
Toen we in de kelder zaten, viel er bij ons een hemelsblauwe parachute, zo bij ons in de lijsterbessenboom met een grote rieten mand. Mijn vader heeft die mand gauw gepakt, hij zat vol met militaire dekens en daar heb ik jaren onder geslapen. Heeft U die nog? Nee, wel heel lang gehad. De Duitsers keken alleen maar naar benzine en eten, andere dingen niet. Dit gebied hierboven aan de Toulon van de Koogweg was allemaal boerenland en dat was droppingsgebied. Aan de overkant boer Dirk Hooijer en bovenaan stond de boerderij van Evers. De vliegtuigen kwamen over en de parachutes vielen naar beneden, dat was bevoorrading, maar de Engelsen waren hier weg, dus het was allemaal voor de Moffen. Die moffen hadden ook de jeeps van de Engelsen. Ze hadden zelf ook niet veel meer, ze hadden vrachtwagens, die stonden bij Hotel Vreewijck. Naast de vrachtwagens hadden ze een grote ketel, die werd gestookt met hout en kolen, ze hadden geen benzine meer. De vrachtwagens waren omgebouwd, die lui waren wel kien, die moffen. Ze waren technisch.

Mariendaal tunnel onder het spoor 2015

Mariendaal tunnel onder het spoor 2015

Wij moesten vluchten, voor het viaduct bij Mariëndaal bij een vijvertje loopt een pad het veld in, daar lag een doodgeschoten boer in een boerenkiel met een zwarte pet op. Ik vroeg: wat is dat?
Mijn tante zei: “Doorlopen”.
We gingen onder de poort door, schuin omhoog richting KEMA, dat is behoorlijk steil, toen kwamen er moffen met gecamoufleerde vrachtwagens de berg af, mijn moeder moest de kinderwagen met mijn broertje erin, tegen de berm opsleuren, die moffen letten nergens op, het was oorlog. Mijn broer is van 1940, hij was drie en een half, hij ging in de kinderwagen met die hoge wielen, hondje er boven op en zo omhoog door het bos naar de Schelmseweg. We liepen bij de bedriegertjes (Rozendaal), daar zag ik als jochie, voor het eerst, die tanks met zo’n lange loop van de Moffen, dat was angstig.
Nu zie je alles op televisie, wij hadden geen radio niks. Alles moest je inleveren destijds, in de Wilhelminastraat bij het distributiekantoor.

De hut, zo noemden wij de kippenschuur

Toen wij vluchteling waren, kwamen we lopend aan in Otterlo, daar hebben we een nacht geslapen met honderd man in het stro. Mensen gaan van elkaar stelen, het was donker, mijn oom was bij de marine, hij was ondergedoken, hij had zo’n knijpkat, dan had je licht. Het ding was wel weg,
De volgende dag verder, in de bocht bij Otterlo stond een grote tankwagen, daar kregen we melk, want we hadden niks. Als je hals over kop weg moet, neem je niks mee. Ik zat voor op de stang. Mijn vader had een transportfiets met luchtbanden, dat was van veel waarde. De fietsenmaker H. de Nooij zorgde daar voor, want mijn vader bracht er de melk mee weg.

Mijn stoel was een trog (een varkensvoerbak)

Overal vragen heb je onderdak, heb je onderdak voor ons. Mijn vader vroeg aan een boer. Kan ik die schuur niet krijgen? Je komt met een groot gezin aan; negen kinderen en zeven volwassenen.
Je moet toch slapen. Nou das goed, er stonden drie kippenschuren, kippen en varkens zaten erin.
Het werd schoongemaakt. Wij kwamen er achteraan lopen, een paar uur later. We hadden een tante, die had een weckketel. Ze had van die boer, een heleboel appels gekregen en daarvan appelmoes gemaakt, die was aangebrand. Ze moest wennen aan zo’n grote ketel. Het smaakte toch lekker. Op een gegeven moment was er één kippenschuur om in te wonen en één om te slapen.
Mijn vader was bij zijn oom rietdekker geweest, hij had na verloop van tijd, de binnenkant van de schuur; de wanden, het dak alles met stro bekleed. Het woord isolatie moest nog uitgevonden worden! Mijn stoel was een trog (een varkensvoerbak). Stoelen hadden we niet, een grote kachel hadden we van die boer gekregen. Dan werd er hier en daar een boom omgezaagd en zo zijn we die winter doorgekomen. Voor onze schuur liep de Barneveldse beek, die stroomde weleens over in de herfst en winter. Dan stond er zo’n laag water in de weilanden. De volgende kippenschuur was een eind verderop, dan ‘s avonds naar bed toe, eerst door de blubber en het water, dat was een koude bedoening. Hier liepen ook de varkens en twee paarden, de kippen waren verderop in een andere schuur. Het was een hele goeie boer. We hebben er nog lang contact mee gehad. (boer van Kampen). Later is hij geëmigreerd naar Canada, maar zij leven niet meer.

Overleven in de hut, met negen kinderen

Mijn vader ging bij de boeren werken, dat ging niet om geld, maar dan bracht hij een stuk spek mee.
Ik had een alpinopetje, als de boeren dan gingen dorsen, dan ging ik met mijn alpinopetje schooien voor een schep rogge. En de grotere jongens, die gingen naar de boeren om melk schooien, want er was geen geld, wij waren vluchtelingen. Van die melk en rogge werd roggepap gekookt. Ik zat op die varkensvoerbak rogge fijn te malen, in een koffiemolen, zo’n houten kistje met een laadje.
Wij kinderen zaten warm achter de kachel. Oom Izaak las altijd uit de bijbel voor.
In de tweede kippenschuur (de slaapschuur) had iedereen zijn eigen afdeling, er werden zo’n beetje kleren voorgehangen, we hadden geen schotten. Gezin bij gezin, nou ja, zo zijn we die tijd doorgekomen. De dekens uit de bevoorradingsmand van de dropping hadden we meegenomen.
We hadden geen gas, geen water, geen elektriciteit. Bij de boerderij, dat was een eind lopen, gingen de ooms en tantes emmers water pompen, wij waren daar te klein voor. Dat werd op de kachel gezet voor warm water, dan werden we in de tweede schuur om de beurt gewassen. ’s Morgens met koud water. De winter was erg koud. Je kon er wel flink spelen; slootje springen; vliegeren.

Met dat paard en een boerenwagen zijn we met de schamele bezittingen weer thuis gekomen

’s Zondags gingen we naar de kerk lopen naar Kootwijkerbroek niet op klompen, maar op schoenen.
We hebben een keer bomen gerooid bij een kasteel in de buurt. Bij de smeerpot, zo noemden wij die man, die man was psychisch hè. Nou hij ging te keer, maar we moesten wel, we hadden hout nodig.
Na de oorlog, mijn oom was broeder in Wolfheze, daar ontmoette hij de smeerpot. Mijn oom heeft hem schoongemaakt. Wat bleek, de voering van de smerige gabardine regenjas zat vol met papieren geld.
De tijd werd al een beetje spannend toen kwamen de moffen. Ze kwamen de paarden ophalen bij de boer. Eén paard en een platte boerenkar konden ze makkelijk meenemen. Het andere paard was nog jong, nog niet getraind. Die mof sprong op het paard en iedere keer viel hij eraf, zo wild was dat paard, dat is toen niet meegenomen. Met dat paard en een boerenwagen zijn we met de schamele bezittingen hier weer thuis gekomen.

Arend Manuels 2013

Arend Manuels 2013

Ik ga nog wel eens terug naar De Valk in de zomer op de fiets.

 

Vaas van granaathuls anno 2013

Vaas van granaathuls 2013

Op de potkachel maakte oma pap van roggemeel

Lily is negentien jaar, enig kind samen met haar ouders woont ze tijdens de evacuatie in 1944 bij haar grootouders aan de buitenkant van Apeldoorn. Het wordt een lange winter van kou en honger.

In september 1944 zijn we van Arnhem naar een buitenwijk van Apeldoorn gelopen en gedeeltelijk gefietst. We woonden in Arnhem noord in de Richard Kolfschotenlaan, dat is bovenaan Sonsbeek aan de buitenkant. In Sonsbeek zat de Duitse Jugend SS. Mijn vader was eigenwijs, hij wilde niet evacueren, hij zei: “Ik blijf hier zitten”. Alle buren zeiden hoe bescherm jij je dochter tegen al die dronken kerels, die hier binnen komen? Dus uiteindelijk zijn we toch gegaan.

Lily Obbink 1944

Lily Obbink 1944

We hadden natuurlijk ook geen kleding bij ons. We dachten dat het voor een paar dagen zou zijn. Van oude gordijnen heeft mijn moeder voor mij een jurk gemaakt. Ik heb toen van restjes wol er bloemen opgeborduurd, want het was van die saaie bruine gordijnstof.

Van de cape van mijn vader, daar had ik een hele mooie jurk van gekregen. Hij was reserveofficier, dat was een hele grote cape. Die heeft hij op één of andere manier in Arnhem opgehaald met nog wat andere spullen, hij is een keer met het Roode Kruis meegegaan.
Ik kreeg een oude lange broek van een oom van me, ik was toen voor het eerst in een lange broek, want dat was lekker warm. Het was ontzettend armoedig. Honger, echt honger!

Toen mijn grootouders gestorven waren, mocht ik wat uitzoeken, toen heb ik dat kacheltje uitgezocht

Mijn vader en ik hadden een keer een handkar gehuurd. Toen zijn we naar het bos gegaan. Het gerucht ging dat je daar mocht sprokkelen. Het was koud, het was glad. Om de beurt deden we dat tuig om en trokken we de kar, de andere duwde. We moesten ergens over het Apeldoorns kanaal, dus omhoog de brug op en we gleden steeds terug. Ik weet nog dat mijn vader huilde, hij zag hoe ontzettend ik moest zwoegen en dat het nog niet ging, dat was zo erg.
Maar goed we zijn met die kar thuis gekomen, dus toen hadden we weer wat hout in dat ouderwetse potkacheltje, dat staat nog altijd daar. (ze wijst naar het kacheltje in de huiskamer).
Is dat het kacheltje uit de oorlog?
Kacheltje Mw. Lily van Vessem 007
 Toen mijn grootouders gestorven waren, mocht ik wat uitzoeken, toen heb ik dat kacheltje uitgezocht.
We woonden buiten het dorp aan de andere kant van het kanaal, daarom is er zo hard gevochten tot aan  het kanaal.
Ik ging op de fiets, zolang hij het nog deed, twee keer in de week naar Oene, dat is een dorp iets verder  op. Daar ging ik bij boerderijen melk vragen, bij de meesten werd je weg gesnauwd, maar er was één  boerderij daar kreeg ik altijd een flesje melk, een halve liter.
Dan had mijn grootmoeder kans gezien om ergens roggemeel te kopen en dan konden we een soort pap  maken, op de potkachel. Het was altijd maar even, het was zo weer op.
Het was ook gevaarlijk, want ik moest langs het kanaal fietsen. De schepen die aardappels en zo vervoerden voor de Duitsers, die werden vaak gebombardeerd. Je kon dan maar één ding doen, er waren éénmansgaten, daar moest je inspringen. Die stonden vaak vol water, vreselijk. Ik ben vaak huilend thuisgekomen.
Het was voor mijn vader te gevaarlijk. Mijn moeder is één keer meegegaan, maar dat was niks.
Je moest je fiets neersmijten en erin springen. Zij ging op haar gemak een plekje zoeken voor de fiets. Ze had helemaal niet in de gaten dat het menens was. Ik zei: Ga alsjeblieft niet meer mee, ik word bang van jou.

Razzia voor de Arbeitseinsatz

Bevel om te melden voor de Arbeitseinsatz

Bevel om te melden voor de Arbeitseinsatz

Heel vroeg werd er gebeld. Mijn grootvader ging naar beneden en kwam boven met het bevel. Hij zei: “Je moet naar buiten”.  “Ik denk er niet over”: zei mijn vader.
We zagen mannen naar buiten komen met pakketten brood en dikke jassen.
Mijn vader was leraar Duits op de ULO school. Hij was ook reserve officier, hij was gemobiliseerd geweest. Hij had zijn officiersaanstelling meegenomen, die paperassen heeft hij op tafel neergelegd.
Ze begonnen achterin de straat. Er kwamen twee soldaten binnen: “ Mit” zeiden ze. “Nein” zei mijn vader, “Ik ben officier van het Nederlandse leger. Als u wilt dat ik mee ga, ga dan een officier halen. Ik zit hier, dit is mijn aanstelling van de koningin met stempels”. Het waren een beetje boerenknullen, dus zwaar onder de indruk, ze gingen weg.
Vader zei: “Ik ga hier zitten, ik houd de tuin in de gaten, als er soldaten aan komen, moet jij proberen ze bij de achterdeur te houden”. En ja hoor, daar kwamen twee soldaten.
Ik naar de achterdeur. Ik zag dat ze overal zochten, ze zochten fietsen. Onze fietsen hadden we in het kippenhok onder het stro verstopt. Ze vonden ze niet.
Toen stonden ze bij de deur: “Vreselijke dag voor jullie” zeiden ze. We hadden net gehoord dat de broer van mijn vader wel meegenomen was. We waren verdrietig en angstig.
Zei die ene: “Mag ik even naar het toilet “. Dat was gelukkig in het achterhuis. Zei de andere: Ik ben een Oostenrijker, ik vind het vreselijk, maar hij is niet te vertrouwen, dus ik moet wel.
Ik knikte maar een beetje. Toen die ander, precies hetzelfde liedje: Hij is niet te vertrouwen.
Ze vroegen: “Is je vader weg” Ik zei maar ja, ik dacht aan mijn oom.
Als ik nee gezegd had, waren de rapen gaar. Ze gingen weg. Ik was zo trots dat ik het gered had, maar ik had wel de zenuwen.
Ook de dagen erna waren erg naar, want in het dorp lagen overal doodgeschoten mensen. Een vriend van mijn oom was ook doodgeschoten. Die mensen hebben ze 24 uur, op straat laten liggen, voorover met hun gezicht naar de grond en een gaatje in hun nek. Het was gewoon terreur.
Dat was in november, toen moest de hele winter nog komen. Ja, het is wel een bewogen jaar geweest en je bent op een leeftijd dat je het intens meemaakt.

 

Na de hele lange winter, kwam die afschuwelijke bevrijding

U zegt afschuwelijk, werd er gevochten?
Het huis van mijn grootouders had boven bij de slaapkamers een heel groot plat, met een hek erom heen. Ik stond er vaak, je kon heel ver kijken. Toen zagen we de oorlog al maar dichterbij komen. Zutphen, Deventer, dat ging iedere keer met veel branden en ze schoten van alles kapot, er werd gebombardeerd, het was heel angstig. Dat was de tweede helft van april.
Wanneer kreeg U het gevoel we zijn bevrijd? Nou dat heb ik niet echt gehad. Op een vrijdag begon de beschieting. We zaten met zijn vijven, mijn grootouders, mijn ouders en ik. Ik was negentien en we waren geëvacueerd bij mijn grootouders aan de buitenkant van Apeldoorn.

De Duitsers liepen in en uit, ze gooiden met pantservuisten

We zochten een plek waar dikke muren waren en geen glas. Het gekke was het duurde van vrijdagmiddag tot zondagavond. Ik ben zaterdags gewoon een tijd buiten westen geweest. Ik had me overal voor afgesloten, ik liet me meenemen, als we weer ergens anders gingen zitten. Er was er steeds één die zei: we zitten hier verkeerd, we moeten hier niet blijven en tot drie keer toe is de plek waar we gezeten hadden getroffen door een granaat. Het huis was zwaar beschadigd, er waren beslist slachtoffers gevallen, als we waren blijven zitten. Op het laatst zaten we in een kelderkast met een trapje, we pasten er net in. Op een gegeven moment hoorden we weer klossen door het huis.
De Duitsers liepen in en uit, ze gooiden met pantservuisten, als er pantserwagens door de straat kwamen. Dat ding draaide dan en ze schoten wat kapot van ons huis.  Ik gluurde, ik zei tegen mijn vader: “die rotmof heeft een Tommyhelm op”. Dat klopte niet, mijn vader zag dat het een Engelsman was. Hij gooide de deur open en riep: Civilians. Die knul vroeg zijn er Duitsers in huis, dat weten we niet, wij zitten hier. Maar het is te gek, alle huizen zijn ontruimd, jullie moeten direct mee naar de EHBO post hiernaast. We zijn daar opgevangen; vader en opa kregen cigaretten en wij kregen chocolade, ze spraken met ons.

die rotmof heeft een Tommyhelm op

Er kwam een officier bij die zei: “Het spijt me erg maar jullie kunnen hier niet blijven. Aan de overkant in de éénmansgaten zit de Jugend. Als het donker is komen ze er uit. Ik weet niet of we het houden, misschien gaat het eerst weer fout, dan moeten jullie nog een keer door de hel. Jullie moeten echt weg”. Ja, tjeetje, dat is ook wat, mijn oma liep heel slecht. Aan de overkant stond een kar, daar hebben we oma opgezet en wat spullen. We fietsten soms een eindje, dan wachtten we weer op de kar. Op het moment dat we weg gingen kwam er een Duitser met een buikschot, enorm bloedend bij ons binnen lopen. Hij roept: “Wasser, wasser”. Die man schreeuwde zo, daar heb ik nachten van gedroomd.
Vader Jan hield een Canadese Rode Kruiswagen aan, hij zei: “we hebben een gewonde Duitser”.
Het antwoord: we hebben net drie opgehangen officieren van ons gevonden. We helpen geen ene Duitser meer, laat hem maar lekker dood gaan. Het was allemaal zo hard natuurlijk.
We zijn toen gaan lopen naar Twello, uren hebben we gelopen, in de nacht kwamen we daar aan. We kwamen onderweg op een punt waar ze een vestinkje hadden gemaakt van zandzakken, daar lagen veel dode Duitsers achter.

Pas op Koninginnedag op 31 augustus 1945 in Arnhem,  kon ik meefeesten

Dat schreeuwen van sommige gewonden, dat je hoorde. Jaren later was ik ergens, waar ze ganzen hadden, die begonnen ’s nachts te schreeuwen, in paniek ben ik opgevlogen, ik dacht: dat het weer oorlog was, zo’n indruk maakt dat op je.
We zijn in een kippenhok terecht gekomen, daar hebben we drie dagen gezeten en daar zijn we bevrijd. De glorieuze intocht was in Apeldoorn, daar hebben wij niets van gezien. Het enige wat wij zagen: waren Duitse krijgsgevangenen. Vader Jan kwam me halen, “kom eens mee”: zei hij. De officieren moesten een draad spannen en de manschappen zaten uit te rusten. Die Duitse officieren met hun dikke buiken werden aan het werk gezet. Daaraan zagen wij dat het voorbij was. Pas op Koninginnedag op 31 augustus in Arnhem,  kon ik meefeesten. We hadden van oude lappen rokken gemaakt. En het was feest op het Goeman Borgesiusplein. Toen was het voor mij pas bevrijdingsfeest.
Ik heb het altijd jammer gevonden, dat ik nooit de bevrijding heb meegemaakt. Maar ja goed, een mens kan niet alles hebben.

Een nieuw leven opbouwen

Die maandag 18 september 1944 moesten alle Arnhemmers weg, de stad uit. Dat was voor straf omdat we gejuicht hadden. Ik heb toen al Tommies gezien. Ik ben stiekem gaan kijken, we dachten het is klaar, het tegendeel was waar we moesten vluchten.
Toen wij de achterdeur uitgingen, we hadden voor en achter openslaande deuren, toen trapten de Duitsers de voorkant in. Ze stapten vast naar binnen om te roven.
Ik ging na de bevrijding stiekem naar huis. Ik had me aangemeld als vrijwilligster om met allerlei berichten naar Arnhem te fietsen. Ik dacht:  ik heb mijn persoonsbewijs bij me en dan zien ze waar ik woon. Ik had ook een kaars meegenomen. Ik daal de keldertrap af, ik heb 2, 3 stappen gedaan en mijn voet zit vast in allerlei draden. Ze hadden gewaarschuwd voor boobytraps.

Ik dacht: Oh, niemand weet dat ik hier ben.

Het was de breidoos van mijn moeder, die hadden ze van de trap gegooid. En alle boeken die er rond dobberden en de rotan stoelen van buiten. De kelder had maanden onder water gestaan, want de waterleiding was bevroren in de winter, stinken en zo vies. Toen we terug kwamen hadden we een hoop te doen.
Mijn ouders zijn toen gescheiden. Dat huwelijk was niet goed, dat wist ik ook wel, maar ja, zolang het oorlog was bleven ze bij elkaar, daarna zijn ze ieder hun eigen weg gegaan. Ik was inmiddels twintig geworden 8 mei 1945, ik zei toen: “ik ga niet met papa en niet met mama mee”.
De directeur van de kweekschool had gezegd, je kan voorlopig met ons mee. Hij had een dochter van mijn leeftijd. We gaan de school schoon maken en dan ben jij vast in Arnhem. Dat heb ik toen gedaan.  Zij woonden in Alteveer, daar zat een hele wijk met Canadese soldaten. Zij hadden ergens in een huis een piano gevonden, ze maakten muziek en dan gingen Tineke en ik kijken, dat was leuk. We kregen ook wat te snoepen, want zij hadden van alles.
Na een paar weken kwamen de beste vrienden van mijn ouders terug met hun dochter. Dat was en is nog steeds mijn boezemvriendin. Ze woont nog in Arnhem. Haar ouders hadden altijd gezegd: “Lily als het fout loopt, kan je bij ons terecht”, daar ben ik toen drie jaar in huis geweest.

Deken gekregen van de HARK

Deken gekregen van de HARK in 2014 na 70 jaar nog steeds in gebruik

 

 

 

Mw. Lily van Vessem-Obbink opening expositie Van Huis en Haard 2014

Mw. Lily van Vessem-Obbink opening expositie Van Huis en Haard 2014