Ik vluchtte in mijn badjas het huis uit

Op 17 september 1944 was ik 29 jaar en woonde aan de Eusebiusbinnensingel 9 te Arnhem. Ik woonde op de zolderkamer van één van de chique villa’s, die de eigenaar als pension verhuurde.
Een paar van mijn vrienden woonden er ook. Een vriendin van mij woonde een etage lager, een Amsterdams meisje.
Ik werkte bij het paleis van justitie, dat was vlakbij.
De eerste dag stonden de Engelsen al binnen en de Duitsers buiten.
Die Engelsen vroegen keurig of ze gebruik mochten maken van een raam en van het balkon.
Ik moest de tweede dag van de slag in Arnhem al vluchten. Ons huis stond in brand. Er waren beschietingen vanaf de brug.
Ik zat boven, op de WC, ik zat nauwelijks of de toiletpot werd geraakt. Ik ben met mijn onderbroek op mijn schoenen naar beneden gerend, lijfsbehoud. Ik ben in mijn badjas gevlucht, er stonden mensen te kijken naar ons. Opeens zag ik een vriend van mij, die ging een broek voor mij halen. Ik heb de badjas nog wel een tijd bewaard, die donkerblauwe. Het was een tragische gebeurtenis hoor.

Ik had geen papieren bij me, Ik dacht, o daar gaan we

De eerste plaats waar we terecht kwamen was de tuin en het gebouw van Insula Dei, een tehuis voor ouden van dagen, gelegen naast de Walburgerskerk. Daar zaten we met honderden in, die Duitsers wisten dat we daar waren. Ik had geen papieren bij me, want ik was in mijn badjas.  Ik dacht, o daar gaan we, ik kan me niet identificeren. De kapelaan van de kerk heeft ons gered. Hij is naar de Duitsers gegaan en heeft de situatie uitgelegd. Het zijn allemaal burgers, er is geen enkele spion bij, dus  laat ons met rust en vrede. In Apeldoorn bij de dependance van de gemeente Arnhem kreeg ik nieuwe papieren.
Toen zijn we verder getrokken, want het was een vuurzee. We gingen naar een school op de Hoogkamp en sliepen daar een paar nachten op zolders. Daarna gingen we alle kanten uit, de één ging naar Roozendaal en Velp, de ander naar het Noorden. Er was grote wanorde, er was niets geregeld. Ik ben uiteindelijk naar Loenen gegaan naar een klein hutje in het bos. Daar zat de familie Kniest, dat was de houder van ons pension.
In Achterveld achter Amersfoort, daar kwam ik officieel via de gemeente. Ik werd gestationeerd bij een smederij. Die hebben me goed behandeld, ze hadden genoeg te eten.

 Het geldkistje is later terug gevonden toen ze aan het puinruimen waren

Ik ben veel kwijt geraakt toen we uit Arnhem moesten vluchten. En toen ik terug kwam was Arnhem een puinhoop. Het huis was al direct in vlammen opgegaan. Een typisch detail kan ik vertellen. Ik had een geldkistje daar zat het één en ander in, trouwringen en zo. Dat kistje had ik gedeponeerd in de kelder. En dat kistje is later terug gevonden toen ze in Arnhem aan het puinruimen waren. Ik heb gevraagd wil je daar eens graven en het kistje werd gevonden. Er zat nog wat in, maar dat was allemaal zwart verbrand. Ik herinner me een heel pakje bankbiljetten, dat heb ik gedeponeerd bij de Nederlandse Bank. Ik kreeg een behoorlijk bedrag terug. Het kistje is er nog, het is zilver kleurig. Dat was een lichtpuntje.
Mijn werkplek het paleis van Justitie was kapotgeschoten.
U kreeg zeker ook geen salaris? Ja typisch, jawel, maar later, met terugwerkende kracht. De gemeente Arnhem had een dependance in Apeldoorn, daar stond ik ingeschreven als vluchteling en daar heb ik geld ontvangen. We werden ook prachtig gesteund door HARK (Hulp Actie Roode Kruis). Na de bevrijding woonde ik een tijd in de wijk Molenbeke: op de Maarten Gorisstraat, daar had ik een vriend. Voor het werk werden we gestationeerd in een paar grote huizen aan de Velperweg. Römershof, een grote villa voor de civiele kant. Aan de andere kant een villa voor de strafkant.

Waarom hoefde U niet voor Arbeitseinsatz te werken?
Ik werkte voor justitie, dat stond op mijn identiteitspapieren met foto en een groot stempel van de griffier.
Kon U voor de slag om Arnhem gewoon uw werk doen?
Ja zeker wel hoor. Het was zelfs zo, dat we een paar dagen in een bevrijdingsroes waren, die parachutisten en zo. We hadden hoop, het was een domper toen bleek dat het niet waar was. We waren in de hel terecht gekomen in plaats van in de hemel. Maar het was een fout van de regie. In het noorden van Arnhem stonden een hele hoop Duitse tanks om uit te rusten. Die werden direct ingezet om in Arnhem te vechten.

We hoorden dat er bij Gorkum ’s nachts weleens bootjes gingen, die de oversteek waagden

Ik wist dat het zuiden bevrijd was en mijn familie woonde in Den Bosch. Ik dacht daar moet ik naar toe met mijn meisje. Ik had geen contact met mijn ouders. Ik heb een paar keer een kaartje gestuurd met: Ik ben gered, ik ben niet dood. Pas een half jaar later zijn die kaarten aangekomen. We zijn lopend gegaan langs de Rijn en langs de Waal, zo kwamen we in Gorkum terecht.  We hoorden dat er bij Gorkum
’s nachts weleens bootjes gingen, die de oversteek waagden. Toen we er kwamen zeiden ze: niet doen, want je wordt er vaak beschoten, er zijn al veel doden gevallen. We mochten in Gorkum bij een dokter een nachtje slapen. Hij zorgde ervoor dat we met een EHBO busje weg werden gebracht. Maar onderweg kwamen we onder vuur te liggen. We hebben ons kunnen redden, wij zaten aan de goede kant van de rivierdijk, maar die Engelse vliegtuigen, die letten daar niet op. Die zagen ons en we werden beschoten. Er waren Einmanslocher (eenmansgaten) daar zijn we ingevlucht, we hoorden de ritsen kogels langs ons heen gaan. Het was een benauwd ogenblik.

“Bij de bevrijding was ik in Loenen op de Veluwe”: zegt meneer Vogel ontroerd

De oversteek naar het zuiden was mislukt. Mijn verloofde is toch een beetje gek geworden van die aanval. Toen is ze door de ambulance van Gorkum naar een soort van ziekenhuis in Utrecht gebracht. Ik ging mee met de ziekenauto. Ik had kennissen in Utrecht waar ik terecht kon. En later mijn meisje ook hoor. Het waren een goede bekenden: De familie Weterings op de Bemuurde Weerd 11.
Is je verloofde lang opgenomen geweest?
Ze is daar wel bijgekomen, het was niet zo erg, als we eerst dachten. We gingen wat dwalen naar de ouders van mijn meisje, die hadden in Amsterdam een zaak. Mijn meisje wilde weer weg bij haar ouderlijk huis. Toen zijn we weer gaan zwerven, onderweg probeerden we steeds wat voedsel te bietsen. Dat zwerven zat ons in het bloed, avontuur zochten we.

 het Wilhelmus werd gezongen en de hele kerk zat te snotteren

“Bij de bevrijding was ik in Loenen op de Veluwe”: zegt meneer Vogel ontroerd.
Een dag na de bevrijding werd er een mis gehouden in de Parochiekerk. Ik kan me nog herinneren, op een gegeven moment werd het Wilhelmus gezongen en de hele kerk zat te snotteren. Toen waren we bevrijd. Ook nu nog krijg ik tranen in mijn ogen als ik er aan denk, ’t zal de leeftijd (98) wel zijn.

Als de dag van gisteren

Als de uitdrukking ‘een stempel op iemand drukken’ op een oude Oosterbeker van toepassing is, dan heeft de tweede wereldoorlog dat op Wim van Zanten beslist gedaan. Maar zeker en vooral dat deel van de oorlog waarin Oosterbeek zelf zozeer betrokken was. Het heeft een onuitwisbare indruk achterlaten op Van Zanten.
Van Zanten herinnert zich nog veel, tot in de kleinste details zijn hem gebeurtenissen bijgebleven: De landingen, de schuilkelder die zijn vader eigenhandig in de achtertuin had gegraven, de prijzen van de gasmuntjes, de bonkaarten, de klompen waarop hij na de versleten schoenen afgedankt te hebben moest lopen, de buurtbewoners waarvan je de één wel en de ander niet (ten volle!) kon vertrouwen, de step op luchtbanden die hij op zijn achtste verjaardag van zijn ouders kreeg, de enkele dagen school die de
Oosterbeekse kinderen nog hadden gehad voor de 17de september, te veel herinneringen om op te noemen.
Op 18 september werd het ouderlijk huis en kruidenierswinkel van de familie Van Zanten getroffen door een granaatinslag, die een deel van het dak vernielde. Ook was hij als kind al getuige van een Duitse ‘sniper’ die de oude beuk op de Utrechtseweg niet wenste te verlaten, ondanks bevel van Britten.
Na het terug gesnauwde “Nein” werd het diens dood en Van Zanten’s eerste oorlogsdode op negenjarige leeftijd.
De familie van Zanten is gevlucht en ze hebben bij het Loo in Apeldoorn, na omzwervingen, een uiteindelijk evacuatieadres gevonden.
Bij terugkeer na de bevrijding bleek dat het huis van de familie door gevechten deels was verwoest.
Door de mooie zomer van 1945 was het niet vaak nodig om ‘met de paraplu op’ naar bed te gaan.
Het verwerkingsproces; de behoefte om aan zijn opgedane ervaringen uiting te geven heeft Van Zanten op een welhaast logische wijze vorm gegeven.

Bloemen leggen Oosterbeek

Bloemen leggen Oosterbeek

Als kind al legde hij met zovele Oosterbeekse schoolkinderen bloemen op de graven van de gesneuvelden tijdens de slag om Arnhem. Het adopteren van een graf bracht hem na veel omzwervingen bij de nabestaanden, waarmee in de loop der jaren en na vele bezoeken aan Engeland, een zeer hechte band werd opgebouwd. Van Zanten noemt het een positief gevolg van de oorlog dat hij zich intensief heeft beziggehouden met gehandicapten als bestuurslid van de Ned. Gehandicapten Raad.
Geweldsfilms, daar kijkt van Zanten niet naar!
Tot op de dag van vandaag zijn nare dromen over vluchten, geweld en dode soldaten gebleven.

Eieren onder de pet

Met verschuldigde eerbied verwijzend naar G.J. Peelen begon voor velen, op die septemberdag van 1944, het leed tijdens de Zondagse kerkdiensten; op dat moment nog in gang of net beëindigd.
De toen 9-jarige Wil en haar ouders, wonend aan het Staringplein nr.38 in Arnhem, hadden net de kerk aan de van Slichtenhorststraat verlaten om thuis te trachten een kopje surrogaatkoffie te produceren, toen ‘het gedonder’ begon.
De eerste bommen vielen weliswaar niet al te dichtbij, maar dichtbij genoeg om te weten dat het plotseling menens was geworden.
Na de eerste aanval werden vanaf het dak de branden in de binnenstad van Arnhem waargenomen. “De kerk brandt”, meldde vader toen hij verbouwereerd naar beneden kwam.
Kort erna zagen ze in de verte achter het park Sonsbeek de parachutisten dalen.
Massa’s kwamen er naar beneden vertelde Wil.
Veel details, van wat er zich aan strijd in de binnenstad afspeelde, herinnert Wil zich niet meer zo goed.
Het Staringplein was dan ook een eind daarvan verwijderd.
Wel herinnert ze zich dat er een paar dagen later geëvacueerd moest worden.
Samen met (over)buren werd via de Apeldoornseweg richting Apeldoorn gelopen.
Bij de Woeste Hoeve aangekomen, werden ouderen en kinderen op wagens naar Beekbergen getransporteerd.
Wil herinnert zich nog de angst dat ze haar ouders niet terug zou zien, maar diezelfde avond vond de hereniging al weer plaats.
Later kon, samen met vier andere bekende families, een verlaten villa ‘de Braam’ worden betrokken.
Een huis met voor de kinderen veel speelruimte.
Samen met hen is daar het einde van de oorlog afgewacht.
Wil verhaalt uitvoerig en vol warmte over de opvang van de evacués door de kerk in Beekbergen.
Ze weet de namen nog, van de kapelaans, die vanuit Apeldoorn met de fiets daar naartoe kwamen om de diensten te verzorgen.
Voor het eerst, als kind in de koude winter van ’44-’45, een echte nachtmis bijwonen is zij nooit meer vergeten.
Schaarste aan voedsel deed vader Molthoff besluiten op de fiets de risicovolle tocht naar de woning in Arnhem te ondernemen en tussen kleren verstopt nog wat weckflessen te organiseren.
Maar ook werd een tocht ondernomen naar de Achterhoek. Dat leverde een groot roggebrood op en bij de triomfantelijke binnenkomst in de keuken boog hij diep voor moeder Molthoff daarbij zijn pet vol eieren voor haar afnemend.

De groene parachute

Na 17 september gooiden de vliegtuigen parachutes uit met munitie of voedsel. Bij ons huis in Heveadorp tussen de bomen kwam een groene parachute terecht met voedsel, die gingen we halen.
Wij hadden evacués in huis uit Oosterbeek, een gezin met vier kinderen. Ons gezin bestond uit vader, moeder, mijn broer 15 jaar, drie zussen en ik was 10 jaar.

Gasfabriek Benedendorpsweg Oosterbeek

Gasfabriek Benedendorpsweg Oosterbeek

Op de dag van de luchtlanding werd de gasfabriek in Oosterbeek enorm gebombardeerd. De mensen daarvan werden onder gebracht in het parochiehuis in Doorwerth en bij ons in de Zaaier. Wij moesten ook bekkies open houden en toen hadden we die parachute. Er kwam een Duitse patrouille langs en zij vonden de parachute.
Toen moest alles wat leefde tegen de muur aan ja, ja. Mijn vader moest mee door het hele huis, alles werd doorzocht, of wij die parachutist in huis hadden. Die stomme moffen wisten niet dat het een voedsel parachute was. Het waren Hollandse SS’ers. Mijn vader liet die mand zien, hij kon zich goed verstaanbaar maken, daardoor liep het goed af.

Op 23 of 24 september zijn we weggevoerd ook de evacués

Na de oorlog hebben de negen kinderen van mijn zuster in Sliedrecht, allemaal, als baby in die mand geslapen.  En nu komt het ergste. Een dag later kwam één van die militairen mijn vader om burgerkleding vragen, hij wilde deserteren. Ja, een uur later zat hij weer achter zo’n rij beukenbomen en schoten ze een Engelse sluipschutter van de school. Dwars door de serre heen naar de soldaten op het schoolplein. Ik denk dat je nu nog kan zien dat er stukken van de stenen af zijn bij de Zaaier. Hij wou deserteren maar mijn vader gaf niks.
Heeft U dit van uw vader gehoord?
Nee, Ik heb dit zelf meegemaakt, omdat die “Duitse” soldaten Nederlands spraken. Als kind van tien kun je geen Duits verstaan. Was U toen bang? Ik ben nooit bang geweest en nu nog niet. Als iemand kwaad wil ben ik de eerste die slaat.
Op 23 of 24 september zijn we weggevoerd ook de evacués.

Weggevoerd, Duitse soldaten voor, achter en opzij

Met het hele dorp: Heveadorp werden we weggevoerd door de Duitsers naar Bennekom. Ik was 10 jaar, mijn broer 15 jaar en ik had drie zussen. Duitse soldaten voor, achter, opzij. Als je die beelden ziet op TV, hoe de Joden werden weggevoerd, zo werden wij ook weggevoerd. Op de Bennekomseweg in Heelsum, daar waar nu het monument staat werden we beschoten door Engelse vliegtuigen. Daarbij is boswachter Zwaan dodelijk getroffen, dat heb ik gezien.
In Bennekom hebben we overnacht in een school. De commissie in Bennekom, die de vluchtelingen moesten opvangen besliste waar je naar toeging. Wij zijn naar Lunteren gelopen, daar was de tweede overnachting. Vandaar gingen we naar Zeist. Daar werden we als gezin uit elkaar getrokken. Mijn jongste zuster en mijn broer werden in een ander lokaal ondergebracht. Daarna zijn we met vrachtwagens naar Baambrugge (bij Abcoude) vervoerd.

Ik moest een pannetje warm eten brengen

We kregen een adres toegewezen op een zolder van een boerderij. Mijn zuster en mijn broer werden bij een andere boer ondergebracht.
Wat nam U mee? Nou een koffer, mijn moeder kon niet lopen, die had een fiets, koffer achterop.
Er waren mensen met een fiets, kinderwagen, handkar.
In Baambrugge bestond het eten uit suikerbieten en knolraap. Ik werd nog gesnapt door de boerin, er stond een mandje appelen op de trap, maar ze had ze wel geteld! Van eind september tot juni 1945 in Baambrugge geweest. In het voorjaar ging mijn vader, die van boerenafkomst was, werken voor de boer. Toen kon het niet meer op, van alles te eten. Ik moest mijn vader weleens eten brengen, als hij aan het ploegen was. Dan moest ik helemaal omfietsen, op de fiets van de boer, over de brug over het Amsterdam Rijn kanaal bij Vreeland. Warm eten in een pannetje en een kannetje koffie erbij.
We gingen naar de dorpsschool in Baambrugge van begin oktober tot juni 1945.
Maar ik heb geen slechte tijd gehad. Ik kon heerlijk vissen in de Amstel. Er waren ook twee dochters van mijn leeftijd, dan speelden we verstoppertje in de hooiberg. Ik moest ook distels steken van die boer. Als kind had je geen zorgen. Er waren wel overal soldaten in elk dorp en bij Vreeland bij de brug. Toen de oorlog afgelopen was, kwamen al die soldaten door Baambrugge. Dan stonden we aan de kant van de weg en dan je voet uit steken, dat ze de nek braken. Ja, je had een hekel aan Duitsers hè.

 Kattenkwaad in Heveadorp

Toen we terugkwamen in Heveadorp, was het erg gevaarlijk. Van alle voertuigen die hier stonden gingen we de benzine leeg halen, ’s avonds in het donker in de Rijn gooien en dan aansteken. ’t Was één vuurzee op het water. En vissen met handgranaten. We hadden een clubje: de twee zoons van hoofdonderwijzer van Beek; de zoon van Dries Peters, de groenteboer en de zoon van organist Hoenkamp van de Gereformeerde kerk. We verzamelden altijd op dat hoekje bij bakkerij Schutte en kruidenier Nakken, daar tegenover was het postkantoortje.

Heveadorp

Heveadorp

We maakten twee ploegen, om rovertje te spelen. Ja, wat moest je anders doen, lekker toch. Ja en de koppen van de granaten afslaan om het kruit eruit te halen, daar maakten we voetzoekers van. Is dat altijd goed gegaan? Nee, een jongen van Gankema die heeft een arm verloren met een granaat. Wat voor invloed had dat op jullie? Niets, jammer voor die jongen, wij gingen gewoon door, ’t werd steeds minder, want je werd ook in de gaten gehouden. Ik had een karabijn in huis en een heel oud pistool van Kasteel Doorwerth. En dan kwam agent K overal controleren in de huizen. Als je een huls op de schoorsteenmantel had staan, wat toen in de mode was, dan nam hij dat mee. De karabijn werd in een hek gestopt en dan ging hij erop staan en dan stond de loop helemaal krom. Dan kon je er niet meer mee schieten, ook al hadden we munitie genoeg. Ik heb alleen spijt van dat antieke pistool, dat moest ik afgeven.  “Wat was dat dan voor een man, die meneer K ?“  Dat was een agent van politie, daar was je bang voor als jongen. Dan was je aan het spelen in het bos, dan kwam de boswachter en zei dat je uit de boom moest komen. Dan dacht ik kom jij maar en bleef ik zitten. U had geen schoon geweten? Nee, ’t was één en al kattenkwaad. Van ons huis was het dak helemaal kapot, daar konden we niet wonen. Tegenover ons woonde de fam. Jansen. Meneer Jansen sprak mijn vader aan hij zei: “Ga maar in mijn huis wonen, want ik heb een nieuwe baan gevonden in Utrecht en daar blijf ik wonen. Op het huis nr. 48 liggen nog steeds de mooie geglazuurde dakpannen, die komen van de Zaaier, die hebben wij erop gelegd.

Egbert Trompetter

Egbert Trompetter 2013

 

Wie vaart me over, wie vaart me over

We woonden in Arnhem op de Klingelbeek, op die steile bult. Er zit ook nog een stuk geschutskoepel in de grond. Daar staan nu die woonwagens.

We lagen met zijn allen aan de oever van de Rijn, er waren zeven kinderen

Wij sliepen toen in een school, mijn vader en moeder lagen apart. Misschien wel een kantoortje of zo. Die laatste nacht zei mijn vader; we blijven bij de kinderen slapen. Toen is dat kamertje, waar mijn ouders eerst lagen, helemaal beschoten, dat moet dan ook een geluk geweest zijn. Zij hebben bij ons gelegen die nacht. Toen zei papa: ik ga naar de Rijn en ik vraag of ze me naar de andere kant willen brengen. En hij heeft niks anders geroepen als : “Wie vaart me over, Wie vaart me over”.
We lagen met zijn allen aan de oever van de Rijn, er waren zeven kinderen, mijn oudste broer was in dienst. Kees, de vriend van mijn oudste zus lag naast mij en daarnaast lag Jeanie. Wij wilden opstaan; mijn twee zussen; Henny, Corrie en ik, want we gingen ons overgeven, dan hielden ze op met schieten. Mijn vader riep: “Blijf liggen”. Kees staat op en valt zo achterover, doodgeschoten. Dit beeld vergeet ik nooit, om ons te helpen, ging Kees eraan. We weten nog niet of het Duitsers waren of Engelsen. In de oorlog lagen de Duitsers en Engelsen soms tien meter van elkaar af, als je al die loopgraven gezien had. Ik zie het zo voor me en ik was toen acht jaar.
Mijn vader kreeg contact en we werden met een roeiboot overgevaren.
We kwamen in Eindhoven en daar is mijn moeder bevallen. Dat is mijn jongste broertje, die is in februari geboren. Ze had teveel gegeten, er werd niet gesproken over zwangerschap.
Toen zeiden die oudere mensen, in wiens huis we ondergebracht waren, wij gaan wel naar onze dochter, aan de overkant van de weg. Wij mochten toen met zijn achten in hun huis, dus we hebben het op dat moment heel goed gehad.
Dan was U ook eerder bevrijd? Ja, Eindhoven is eerder bevrijd. Verder weet ik het niet, mijn korte geheugen is niet goed. Dat vind ik verschrikkelijk.
Praat U samen over de oorlog?
Daar hebben we een punt achter gezet, zoveel dingen die je angstig maken. Stel dat het weer gebeurd, dan redden we het misschien niet. Nee, eigenlijk wil ik er nooit over praten, vandaar dat ik tijdens het interview weg ben geweest.

Na de oorlog was het toen moeilijk?

Mw. Trompetter 001 okEten van de gaarkeuken, totdat papa de tuin in orde had. We hadden aardappels, groente, ook kippen, konijnen en varkens. Er werd door een slager bij ons thuis geslacht. En dan kwam er weer zo’n kleine big en dan dacht ik: ach, groei maar niet. Ze gingen naar de veemarkt en met het dier aan een touw gebonden kwamen ze terug. De konijnen hadden jongen gehad en dan was je de grote weer kwijt. Ik heb later haast nooit geen vlees meer gegeten, alleen hele kleine stukjes. Ik maakte gewoon het varkenshok schoon en dan stond hij ineens achter mij; knor, knor. Hij was net toch nog buiten?
We genieten van wat we hebben, meer dan de jeugd.
Denk U dat, dat veranderd is door de oorlog?
Ja zeker, ik zal nooit iets weggooien. Nee, dan kook ik liever een aardappel minder. Ik vind het verschrikkelijk als mensen brood weggooien, dan rooster ik het gewoon.
En de saamhorigheid onder de mensen was dat anders in de oorlog?
Je deed alles voor elkaar, in de buurt.
Ging U bloemen leggen op het Airborne kerkhof?
Wij waren de eerste, daar is nog een foto van, ik sta erop met een grote strik in het haar.
Is die er nog?
Ja,misschien wel, moet ik opzoeken. Het waren kruisjes toen? Ja.

Vader Cats en de oorlog

De heer Dorigo, woonde tijdens de oorlogsjaren, toen negentien jaar, met ouders, twee zussen en drie broers aan de Velperweg in Arnhem, in een groot huis dat werd gedeeld met de familie Burgers ook drie of vier kinderen. Dat huis werd door de Duitsers gevorderd om een Lazaret in onder te brengen. Het betekende ‘wegwezen’ voor beide families.

Benedendorpsweg Oosterbeek

Benedendorpsweg Oosterbeek

Zij vonden onderdak aan de Benedendorpsweg in Oosterbeek. Later bleek dat zij regelrecht in het strijdtoneel terecht waren gekomen. De grote tuin herbergde zelfs een aantal parachutes en neergekomen voorraadcontainers. Zoals vele Oosterbekers, moesten ze schuilen in de kelder toen de strijd verhevigde. Vader Dorigo ging lucifers halen, hij bracht het er levend af, toen met een klap de hele keuken werd weggevaagd. Grote paniek, wegwezen.

Door een tafel boven de koekoek te zetten, konden zij veilig de kelder verlaten. Toen een houten koffer gevuld met voedsel, moest worden versjouwd, bracht een ladder, gebruikt als brancard uitkomst. Maar bij het overreiken naar een lager deel van de tuin donderde alles kapot. Alle nog beschikbare, schaarse voedingsmiddelen lagen verspreid, onbruikbaar geworden.

Benedendorpsweg Oosterbeek

Benedendorpsweg Oosterbeek

Ze liepen richting Kneppelhoutweg, waar Engels geschut stond opgesteld. De Engelse soldaten geleidden hen naar het koetshuis van de Hemelse Berg, waar al veel burgers waren ondergebracht. Omdat het groepje kleine kinderen, door hun gejammer en gejengel, hun aanwezigheid verraadden en de nodige irritatie bij de medebewoners veroorzaakten, besloot de familie Burgers te vertrekken. Rechtsaf richting Doorwerth, de kinderen struikelend over puin en stappend over gedode soldaten, voorts langs een in brand geschoten Duitse tank hoek Veerweg/Benedendorpsweg. Daar belemmerde een Duitse officier de doorgang voor Vittorio, de familie Burgers mocht verder.
Ze kwam uiteindelijk terecht in Hotel Reijmers in Heelsum.
Later vond Vittorio het paar terug. Via een vluchtelingenadres, moest alweer worden opgestapt, omdat een familie met een stel lastige kinderen – (wat zei vader Cats ook alweer?)- nergens welkom waren.
Met geleende fietsen ging het richting Amerongen, waar de Rijn werd overgestoken en een steenfabriekje bij het dorpje Maurik werd bereikt. Ook daar bleek het kinderrijke gezin niet erg welkom.
De familie Burgers besloot dat de oplossing van hun vluchtprobleem, een fietstocht naar familie in Balk (!) Friesland was. Vittorio besloot mee te gaan om de zwaar belaste familie te ondersteunen. Het werd een barre tocht van enkele dagen, maar het lukte. De terugkeer van Vittorio, op de fiets en gevoed naar Fries’ gewoonte, was geen enkel probleem.

*Jacob Cats dichter 1577 – 1660:  “Kinderen zijn hinderen”.

Mijn bevrijding, zijn bevrijding

Gelukkig heeft Jan Kleberg de moeite genomen om zijn herinneringen aan de slag om Arnhem, op schrift te stellen. Hij, 12 jaar oud, moest vluchten met zijn ouders, broer (15) en zus (17), en een tweeling in de kinderwagen. Het verhaal laat zien welke omzwervingen een gezin moest doorstaan tot aan de bevrijding van Nederland. Jan ’s vader was werkzaam bij de PGEM, hij had toegang tot de transformatorhuisjes langs de kant van de weg, waarin zich een normaal werkend telefoontoestel bevond. Dit gaf veel informatie en overnachtingsmogelijkheden, zelfs mededelingen voor het ondergronds verzet. Een vrachtautootje van de PGEM werd clandestien gebruikt om voedsel te transporteren, o.a. koolzaad uit de Betuwe.
Op 17 september rond het middaguur werd na zo’n transport, ternauwernood het woonhuis op de Sleedoornlaan in Arnhem Zuid bereikt. 
Vader trof meteen maatregelen; het versterken van de trap met matrassen, hij liet het bad vollopen met drinkwater.
Op de 19e  september werden zij uit het huis verdreven. Een tocht over de Rijnbrug was vanwege de hevige gevechten aldaar niet mogelijk. Dus de Betuwe in, met als eerste standplaats het dorpje Elden, bij boer Rutten in de Klapstraat. Daar de eerste Poolse para ontmoet, die te ver van zijn droppings zone terecht was gekomen.

 Waarom schiet je er niet op”? antwoordde hij: “Dan schieten ze ook op mij

Lopend verder met een volgeladen fiets, een voltallig gezin ernaast, op naar Huissen voor een overnachting bij de familie Jansen.
De volgende dag onderdak in Angeren bij boerderij Moyland van de familie Derksen.
‘Grote’ broer Ton nam stiekem de gok, door op de fiets met houten banden ‘even’ naar huis te rijden om er kleding op te halen. Dat lukte.
In Huissen stond hij samen met een Duitse militair door een spleet naar Engelsen te kijken. Toen hij vroeg: “Waarom schiet je er niet op”? antwoordde hij: “Dan schieten ze ook op mij”. Wat een logica.
In Pannerden kregen ze de kans om de volgende nacht over de Rijn te komen met een Duitse pont. Van daaruit richting Angerlo bij een boer die het gezin; bad, bed en brood gaf. Nadat kort daarop de Duitsers hun verblijfplaats vorderden, ging het richting Zevenaar. In steenfabriek ‘de Panoven’ van de Fam. Kruitwagen konden ze een week op adem komen. Het Rode Kruis bracht hen daarna naar Doesburg, voor de oversteek van de IJssel naar Dieren, daar werd overnacht in een wachthuisje van de GTW.
Via Apeldoorn, werd in Elburg de bevrijding afgewacht.
Waarlijk een memorabel avontuur.

Zijn bevrijding

Er overkwam hen een avontuur dat heel opmerkelijk is.
Nadat het gezin in Dieren in een koud wachthuisje van de Gelderse Tramwegen (GTW) getracht had wat te slapen en energie op te doen voor de volgende dag, werd al vroeg opgebroken. Ze begonnen aan de lange tocht langs het Apeldoorn-Dierens-Kanaal naar Apeldoorn. 

bij een razzia opgepakte, mannen die onder begeleiding van een Duitser te werk waren gesteld

Vader liep voorop en duwde de fiets met eraan bevestigd een trekkar. Moeder liep naast hem. Mijn zus met de tweeling in de kinderwagen daarachter. Mijn broer en ik daaromheen lopend, ook beladen met onze spulletjes. Soms ginnegappend, soms stoeiend, want zo zijn en blijven kinderen. Komend in de buurt van Apeldoorn verschijnt uit de tegengestelde richting een groep, waarschijnlijk bij een razzia opgepakte, mannen die onder begeleiding van een Duitser te werk waren gesteld aan de IJssellinie, hoorden wij later. 

Hij loopt met een stalen gezicht en één hand aan de kinderwagen mee de andere kant op

Je kent dat. Bij de nadering van twee groepen mensen uit tegengestelde richting wordt oogcontact gezocht, onderzoekend, bepalend. Uitdagend, in dit geval. Op het moment dat de groep mannen rakelings werd gepasseerd, draait één van hen uit de groep zich resoluut om en loopt met een stalen gezicht en één hand aan de kinderwagen van de tweeling mee de andere, onze, kant op. Een normaal straatbeeld zou je zo maar kunnen zeggen. Hij hoorde gewoon bij dat groepje vluchtelingen; een vader en toegewijd echtgenoot. Vader Kleberg zelf, die een tiental passen vooruit liep, had het nog niet eens in de gaten, zo normaal en vertrouwd leek het allemaal. En zo snel was het ook gegaan. De man, stijf van de zenuwen waarschijnlijk, sprak de hele verdere weg geen woord, keek strak voor zich uit en moeder Kleberg en Jan’s zus waren te verbouwereerd om iets te zeggen, hoewel zij natuurlijk wel meteen begrepen, dat hier een ontsnapping plaatsvond waaraan zij als gezin ongevraagd, maar zeker wel gewild, hadden deelgenomen.
Zonder een woord gezegd te hebben verdween hij enkele kilometers verder even snel als hij gekomen was. Het was hem gelukt.
Hij was vrij!
Wie het is geweest?
Geen flauwe notie.

Wat je als kind meekrijgt van oorlogsgeweld is natuurlijk weinig

Beter gezegd, helemaal niets.
Veel van wat later verteld wordt door naasten, wordt als het ware je eigen verhaal.
Natuurlijk word je als zes/zevenjarige meer gewaar als de septemberdagen in 1944 zijn aangebroken.
Dan worden herinneringen gebaseerd op netvlieservaringen. Flarden van wat gezien is, blijven hangen en zijn een herinnering geworden.
Evenals vele Oosterbekers is ook de heer Jansen met zijn ouders gevlucht uit zijn ouderlijk huis, dat destijds op de Johannaweg stond.
De vluchtweg voerde via allerlei omzwervingen naar een uiteindelijk evacuatieadres, waar de rest van de oorlogsdagen werden afgewacht, verlangend naar terugkeer naar het oude nest.
Dat van dat oude nest weinig meer was overgebleven moge duidelijk zijn, maar dat is niet nieuw voor de meeste Oosterbekers.
De heer Jansen kan daar smeuïg over vertellen.
Natuurlijk, hij was nog jong en had de zorgen van het ouderpaar niet gevoeld. Voor hem was het gewoon een spannende tijd.
Er gebeurde veel, vader gevangen, vader weer vrij, schuilen in schuttersputjes als vliegtuigen de weg mitrailleerden, niet echt honger gekend in het Friese evacuatie gebied, speurende Duitse militairen naar zijn oudere broer, waarbij zijn moeder de ‘moffen’ verontwaardigd wegstuurde toen zij hem, liggend onder een dikke jas tegen de kou, wilden ondervragen. En ze gingen ook nog.
Herinnering of overlevering. Moeilijk soms, om daar een onderscheid in te maken.
En toch.
Ook al heeft Jansen als kind samen met ander schoolgenootjes deelgenomen aan de jaarlijkse bloemenlegging op het Airborne Cemetery, oorlog is voor hem een woord dat uit zijn vocabulaire is geschrapt.
Jansen heeft tot op de dag van vandaag nooit meer naar oorlogsfilms gekeken.
Geweld is uit zijn boekje geschrapt. Hij wil er niets mee te maken hebben.
Zelfs het Airborne museum heeft hij als rasechte Oosterbeker nog nooit bezocht.
Hij wil onder geen beding geconfronteerd worden met geweld, ook al is het uit een, inmiddels, ver verleden.
Jansen is van nature, wat je noemt, een vrolijke Frans.
Hij ziet de zonnige zijde van het leven, amuseerde zich jarenlang met zijn geliefde duiven, had op de bouw, waar hij jarenlang werkzaam was, altijd schik en zijn olijke kop zal menig vrouw in zijn jonge jaren het hoofd op hol hebben gebracht.
De heer Jansen mag van geluk spreken dat hij in 1944 te jong was om de werkelijke zorgen voor lijf en leven te ervaren.
En toch heeft het sporen nagelaten.
Dat doet oorlog met mensen, hoe jong ook.

Achter ons huis daalden ze neer

“Achter ons huis daalden ze neer, de parachutisten van de 10 de Luchtlandings divisie” en daarmee brak de hel los voor de uit 7 personen tellende familie.
Een hel die je mee neemt voor de rest van je leven.
“Wij woonden aan de Heelsumseweg in Wolfheze, vlakbij het psychiatrisch ziekenhuis Wolfheze”, vertelt mevrouw Sinneker. Ik was toen acht jaar.
Vader van Doorne die van beroep verpleger in het psychiatrisch ziekenhuis was, riep: “Naar binnen, het huis in”! Het was te laat om de schuilkelder te bereiken.
De drie bommen (afgeworpen door geallieerden) die het huis aan alle kanten troffen, maakten een einde aan het leven van haar zusje, haar oma en van een verpleegster die op bezoek was.
Haar broer werd zwaar gewond.
In het naburige huis waren ook twee familieleden dodelijk getroffen.
Nog kan mevrouw Sinneker ontroerd raken, als zij vertelt hoe haar vader haar gedode jongere zusje tracht op te tillen en een geknakt lichaampje in zijn armen hield.
Daarna moesten ze vluchten. Eerst de zondagmiddag schuilen in het belendende bos, waarheen de andere oma in een kruiwagen werd meegereden.
De nachten werden doorgebracht in het huis van oom en tante, tot de Engelsen op dinsdag waarschuwden; ze moesten vluchten.
Ze overnachten in een greppel op de heide. Het huis van oom en tante bleek bezet door Duitsers.
De volgende 13 nachten werden in de stookkelder van het Ziekenhuis doorgebracht tot dat de Duitsers hen ook daar uit verdreven.
Dat de strijd zo hevig was kwam voor een belangrijk deel door een Duitse SS-divisie die in Wolfheze was gelegerd.
Een gegeven waarmee het Engelse South Staffordshire Regiment dat daar was geland, geen rekening had gehouden.
Ook het Ziekenhuis en vergeet haar patiënten niet, heeft enorm geleden door de strijd.
De evacuatie was dus meer een vlucht dan een georganiseerd achterlaten van huis en haard.
Een moeizame tocht, eerst naar Ede en later de eindbestemming Ermelo waar het einde van de oorlog zonder al te veel problemen werd ‘uitgezeten’.
Honger? Nou nee, niet echt. Niet dat er geen tekorten waren aan allerlei voedingsmiddelen, maar in een boerenstreek valt in het algemeen altijd wel wat te halen.
Wat wel is gebleven zijn haar jarenlange angstdromen, enkele nachtmerries en oh, wonder een innige vriendschap met oud Para: Harry Rice uit Norfolk, die nog jaarlijks rond 17 september van haar gastvrijheid mag genieten.

Drie doodskisten stonden klaar

Ook Wolfheze is onlosmakelijk verbonden met de slag om Arnhem.
Rondom het bekende psychiatrisch ziekenhuis, vonden para-landingen plaats. De aanwezigheid van een Duitse SS -legereenheid vormde de achtergrond van hevige gevechten.
Vanuit de lucht vonden beschietingen en bombardementen plaats, zo hevig dat heel veel burgerslachtoffers te betreuren waren.
Hier woonde het dertienjarige meisje Henny Hendriksen aan de Wolfhezerweg nr. 57 a met haar ouders en broer.
Drie andere broers waren ondergedoken, waarvan één in het Psychiatrisch Ziekenhuis.
Vader, oud militair en ex krijgsgevangene moest voor de Duitse Wehrmacht arbeid verrichten.
Een broer in het verzet, gevechten rondom het huis, granaatvuur, een bombardement waarbij zij onder de tafel vluchtte en een pan zo stevig op haar hoofd gedrukt kreeg, dat die alleen met geweld te verwijderen was. Maar moeder zelf zette de bak vol met aardappelschillen in paniek op haar hoofd, een hilarisch aanzien.
Het zijn flarden van herinneringen van dat meisje. Hoewel de liquidatie van een ‘foute’ Nederlander op het laatst werd afgeblazen, bleef die man wel in handen van het verzet, hetgeen uitdraaide op de dreiging met represailles, als hij niet aan de bezetter werd uitgeleverd.
Henny’s vader, het hoofd van de school: Wieringa en Jan Otten werden gevangen gezet.
Als haar broer ‘de verdachte’ van de liquidatie poging niet binnen gestelde tijd werd uitgeleverd, dan zouden die drie worden geëxecuteerd.
Ten bewijze van dat gruwelijk voornemen werden bij de fietsenmaker in het dorp openlijk drie doodskisten geplaatst. Doodsangst maakte zich meester van het gezin.
Op enig moment liep Henny door het dorp en werd door een SD-gendarme met de vinger bars gesommeerd: “Mit komm’n”!
Hij bracht haar naar een leegstaand huis, waarvan zij in haar kinderlijke onschuld dacht, dat het een soort politiebureau was. Niets daarvan.
Toen zij later verdwaasd aan haar moeder vertelde wat er in dat lege huis was gebeurd, was die alleen maar blij dat er waarschijnlijk geen zichtbare gevolgen zouden zijn, gezien haar leeftijd.
Een levenslang verborgen verdriet dat met psychische hulp eindelijk, kort geleden een uitweg vond en nu opgelucht verwoord mag worden.
Om de dood van zijn vader te voorkomen, besloot Jaap zich over te geven, hij bleek net vrijgekomen te zijn. Jaap ging weer ondergronds.
Er werd beslag gelegd op hun huis, ze vluchtten eerst naar blindeninstituut ‘het Schild’.
Daarna werd in Otterlo tot het einde van de oorlog, een onderkomen gevonden in een door haar vader zelfgebouwde houten keet.