dhr-F.-Langen-e1442750634123-450x450

We aten tulpenbollen en suikerbieten

Frans Langen komt uit een gezin van 6 kinderen en was 9 jaar toen de slag om Arnhem begon. Hij kwam uit een gewoon gezin: Vader, moeder, 6 kinderen waarvan 2 oudere zussen en 1 oudere broer, dan Frans en dan nog twee jongere zussen. Allemaal tussen de 15 en 5 jaar. Zijn vader was machinebankwerker bij Thomassen in Rheden, zijn moeder was huisvrouw. De oorlog maakte niet zo veel indruk op Frans. Hij was 5 jaar toen die begon, hij ging het jaar erop gewoon naar de basisschool en het leven ging eigenlijk gewoon zijn gangetje. Zijn vader bouwde radio’s en toen die ingeleverd moesten worden hield hij natuurlijk een goeie achter. De oorlog bestond, maar het gezin ging gewoon door met leven. Zijn ouders spraken met hun kinderen ook niet over de oorlog, er was werk, er was eten, je ging gewoon naar school. Bij de Raapopseweg, waar nu Novartis zit, waren Duitsers ingekwartierd en die stonden als wij naar school gingen buiten op wacht. Ze waren aardig, maar wij hadden geen contact met hen. Op zondag 17 september 1944 veranderde dit. Frans zat met zijn familie in de kerk en toen het luchtalarm voor de tweede keer afging, zei de kapelaan dat ze maar naar huis moesten gaan.

In de lucht barstte het van de vliegtuigen en parachutisten

‘s Avonds moesten we de schuilkelder in en gingen bij de kwekerij Toon van Manen schuilen in zijn witlofkelder. In de lucht ten westen van Arnhem barstte het van de vliegtuigen en parachutisten. Ik zie nog één vliegtuig naar beneden tollen. Dat was spannend om te zien. Wij keken vanuit een dakkapel . Een buurjongen was naar buiten geklommen en zat op het dak tegen de schoorsteen. Wij schrokken vreselijk en de buurjongen waarschijnlijk nog veel meer: Een stuk van de schoorsteen werd weggeschoten. De buurjongen schoot naar binnen. Dat beeld kan ik mij nog heel goed herinneren. De nachten daarna zaten we in zijn witlofkelder met veel andere gezinnen. Er was constant luchtalarm, er vlogen veel vliegtuigen over. De kelder was vol gelegd met stro. Daar hebben we wel 6 of 7 nachten gezeten. Op een dag zat mijn vader te huilen. Het bleek dat hij te horen had gekregen dat we het huis uit moesten. Iedereen in Arnhem moest weg. We dachten voor een paar dagen en daarom hadden we de konijnen thuis gelaten. We hadden familie in Velp dus daar gingen wij naar toe. We liepen langs het spoor naar Velp. Vader, moeder met ons zes kinderen, met de oude kinderwagen en met wat ondergoed en kleding. Terwijl de meeste mensen richting noorden gingen, richting Apeldoorn, gingen wij naar Velp. Dat was niet zo’n drukke route, wij liepen in ieder geval niet in een colonne. We zijn in Velp 10 dagen bij de familie gebleven en sliepen op zolder. Toen mijn ouders doorkregen dat ze niet meteen weer terug konden, is mijn vader met een oom terug gegaan om wat extra kleding te halen en heeft de konijnen geslacht en meegenomen. Vanuit Velp zijn we via Dieren doorgegaan naar Eerbeek waar twee ooms met hun gezin bij ons aansloten. Onderweg hebben we nog ergens geslapen. In Eerbeek werden we ondergebracht in de papierfabriek Coldenhove, waar we drie weken zijn gebleven. Ik weet niet wie dit regelde, we hadden een slaapplek, we kregen eten en na drie weken kregen we te horen dat we verder moesten. We zouden richting het westen gaan. Als kind accepteerde ik wat er allemaal gebeurde. Ik kan mij niet herinneren dat ik mij dingen afvroeg. Vanuit Eerbeek werden we met paard en wagen naar Barneveld gebracht, daarna door naar Baarn en uiteindelijk naar Naarden. Tijdens onze tocht is er een keer een beschieting geweest. Deze duurde niet lang. We doken weg in de greppel tot de vliegtuigen over waren en klommen weer op de kar. Het was spannend. Thuis hadden we zo vaak schieten gehoord, maar je had er toen zelf geen last van.

We doken weg in de greppel tot de vliegtuigen over waren

In Naarden kwamen we uiteindelijk terecht bij een Huize Dudok van Heel. Het was een groot en chique huis. Het gezin werd bij verschillende mensen ondergebracht; moeder en vader met mijn twee zusjes in het grote huis, mijn broer en ik bij de tuinman en mijn overige twee zussen bij de familie van de chauffeur. Mijn oom met zijn gezin woonde in de buurt in Huizen. We gingen niet naar school en speelden gewoon wat in het huis en op het terrein. Op een dag waren drie grote auto’s verdwenen. Meegenomen door de Duitsers. Ik herinner mij een beschieting. Toen deze over was, zei de tuinman: Nu moet je je lepel aan het eind van de steel vasthouden en als de lepel hard wiebelde, waren dat je zenuwen. De oorlog werd hier ook meer zichtbaar; in het grote huis bleek dat het eten op was. We moesten verder naar familie van de Dudoks richting Huizen. We kwamen op de zolder van koetshuis terecht. We gingen naar oom Jan en zijn gezin In Huizen. Daar waren neefjes en nichtjes om mee te spelen. Op deze plek moesten we zelf voor het eten zorgen en dat viel niet mee. Het was intussen winter en vreselijk koud; mijn zus kreeg een jas van een oud laken. Er was gewoon veel te weinig eten voor de mensen. Ik herinner mij dat we tulpenbollen en suikerbieten aten.

Ik herinner mij dat we tulpenbollen en suikerbieten aten

Mijn vader en oom gingen op de fiets richting Overijssel eten halen en ik probeerde met mijn broer waterkippen te vangen, maar dat lukte niet. Ik zag het als een spel maar mijn broer was veel serieuzer. We gingen op strooptocht, we hadden voedselbonnen en ik herinner mij dat we zuurkool konden halen in Naarden. En ook weet ik nog dat mijn vader een zelfgemaakt zakmesje heeft geruild voor een pond roggebrood. Maar het hield niet over, we hadden erge honger. Uiteindelijk ging mijn moeder naar het evacuatiebureau om te vragen of de oudste vier kinderen (ik dus ook) naar Friesland gestuurd konden worden, zodat er vier monden minder te voeden waren. Het was vast geen toeval, een kennis van mijn ouders uit Arnhem werkte bij dat evacuatiebureau. Hij hoorde het verhaal van mijn moeder, is haar achternagelopen en bood aan dat het hele gezin die avond met een vrachtboot over de Zuiderzee mee kon richting Drenthe. ’s Avonds gingen we aan boord op de vrachtboot met zo’n 150 andere evacuees. De boot had geen licht om niet onderschept te worden door de Duitsers. We voeren naar Zwartsluis en daar werden we in een helverlichte school opgevangen. De oudste kinderen moesten binnen blijven omdat er een Duitse kazerne in de buurt was. Mijn moeder wilde niet dat haar oudste dochter in de buurt van die kazerne kwam. We zouden naar Drenthe gaan en na 2 nachten konden we mee met een trekschuit ‘de goede verwachting’. Mijn vader moest mee trekken. We zouden richting Emmen, maar in Erica mochten we blijven, anders zouden er escort NSB kinderen worden ondergebracht en de inwoners van Erica hadden natuurlijk liever evacuees. Het gezin werd weer opgedeeld en mijn broer en ik kwamen op een vrijstaande boerderij ten noorden van Erica. Een paar dagen later kwamen wij dichter in de buurt van onze ouders terecht, maar wel bij een apart gezin.

Mijn moeder ging regelmatig met een luizenkam door ons korte haar

We zagen onze ouders vaak, mijn moeder ging regelmatig met de luizenkam door ons korte haar. We gingen in Erica op school, kregen klompen om op te lopen, kregen veel aardappels met vet te eten en aten weinig groenten. Ik herinner mij dat ik er erg aan moest wennen. We speelden met de jongens van school en we wenden snel aan het Drents dialect. We hadden het goed daar. Ook daar waren Duitsers, maar er was geen dreiging en geen honger. Ik weet niet hoe mijn ouders contact onderhielden, maar we kregen een brief in Erica dat mijn tante was overleden. Het was maar 14 dagen na haar overlijden. De oorlog was afgelopen en toen het zover was werd er gefeest in Erica. In mijn herinnering werd op het einde van de oorlog niet gepraat dat deze bijna over zou zijn. Ik herinner mij dat er veel draaibruggen waren rond Erica die kapot waren geschoten of opgeblazen.

De krijgsgevangenen moesten deze bruggen met balken provisorisch herstellen

De krijgsgevangenen moesten deze bruggen met balken provisorisch herstellen. Maar wij konden nog niet terug. Arnhem was kapotgeschoten en we hoorden dat we nog niet terug konden. Pas op 25 juni gingen we met een vrachtwagen terug. Ons oude huis was niet meer bewoonbaar, het was aan puin geschoten. We kregen via familie tijdelijk een woning aan de Sloetstraat en eten kwam via de gaarkeuken. In oktober konden we naar een ander huis aan de Plattenburgerweg. Via HARK konden we het huis een beetje inrichten, maar bekend stond dat HARK de mooiste spullen zelf verdeelde. We pakten ons leven weer op. We gingen terug naar school. Ik ging naar klas 5 en sloeg klas 4 over. Mijn vader ging weer werken bij Thomassen in Rheden en mijn moeder probeerde het huishouden weer op de rit te krijgen. Het was sappelen, we hadden het helemaal niet breed. Als ik nu terugkijk op de oorlog heeft dat gevolgen gehad voor iedereen. Ons gezin werd hechter. Ook toen ik volwassen was, bleven we elke zondag bij mijn ouders komen, ook al woonden sommigen verder weg. Aan het Duits als taal had ik geen hekel. Op de Mulo haalde ik een goed cijfer voor Duits.

De eerste jaren na de oorlog spraken we van rotmoffen

De eerste jaren na de oorlog spraken we van rotmoffen, maar toen we een auto kregen, gingen we graag op vakantie in Duitsland en keken we graag naar de Duitse tv zenders. Sommige mensen vinden het onzin dat er zoveel herdacht wordt. Maar ik zeg maar zo: Zonder geschiedenis geen toekomst.

Plaats een reactie

Wilt u een reactie geven?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>