Dora Derksen

Honger

In september 1944 was Dora van Meegen (nu Derksen) bijna veertien. Met haar ouders, broers en zussen woonde ze in de Neerlandstuinstraat ‘op Klarendal’ in Arnhem waar ze tijdens de Slag om Arnhem verschrikkelijke taferelen meemaakte. Een week later vertrok het gezin via Velp richting Utrecht, waar al snel niets meer te eten was. Met haar broer en zus zwierf Dora daarom maandenlang rond op zoek naar eten.

Na de middagmaaltijd zag Door ineens vliegtuigen overkomen, die lieten bommen vallen

Zondag 17 september 1944. Doortje, bijna 14 jaar oud, heeft zojuist de mis verlaten en is onderweg naar huis. Onderweg probeerde zij de stroken zilverpapier van de straat te pakken die door de vliegtuigen waren uitgeworpen. Er kwamen er heel veel over. Meer dan normaal, realiseerde Doortje zich nieuwsgierig. Zij rende achter de stroken aan maar door de wind was het niet makkelijk ze te pakken.
Na de middagmaaltijd zag Door tijdens het afwassen ineens vliegtuigen overkomen en die lieten bommen vallen. Hoewel Neerlandstuinstraat op enige afstand van het centrum ligt, ontkwam ook Klarendal niet aan oorlogsgeweld. De bommen ontploften in de directe omgeving en waren kennelijk bedoeld voor de Menno van Coehoornkazerne.
De schrik was enorm en er was chaos in de straat en omgeving. Alles liep door elkaar. Dora zag op straat een kinderbeentje onder een kleed uitsteken. Later wist zij zich de naam van het kind nog te herinneren. Zoiets blijft je leven lang op je netvlies steken. Vader vertrouwde het niet meer en besliste dat ze ’s avonds nog naar oma in de wijk ‘ het Broek’ zouden gaan. Zonder haar zestienjarige broer, die in de Duitse bakkerij – later ‘Werkmans Belang’ – die onderaan op de hoek van de Rosendaalsweg stond, moest werken, vertrok het gezin met de armen vol beddengoed. Allemaal hebben ze daar op de grond geslapen. De volgende dag en nacht werd in een schuilkelder doorgebracht. Terug naar huis daarna kwamen ze langs de Catharijnestraat waar Duitsers vanuit een auto aan het schieten waren. Ook werd er geschoten rond de bakkerij waar mensen brood probeerden te roven, zagen ze.
Nou komt het gekke; toen zij die avond tevoren waren gevlucht naar oma, hadden ze per ongeluk de voordeur open gelaten waardoor allerlei vreemd volk het huis was binnengedrongen en zij bij terugkomst niet werden binnengelaten in hun eigen huis. Gelukkig bracht vader Derksen, die oorspronkelijk sigarenmaker was geweest maar in de crisisjaren zijn werk was kwijt geraakt, door resoluut ingrijpen daar gauw verandering in.
Buiten, op zoek naar haar broertje, werd er weer geschoten door de Duitsers om de rovers te verdrijven. Hard rennend en haast struikelend over een dode man kwam zij thuis aan.

Waar ze eerst zomaar een maaltijd kregen in hotel de Witte Holevoet! Geweldig!

Na een week was het zo ver; evacueren!
Met zoveel mogelijk hebben en houwen op de rug en onder de armen ging het hele gezin van op dat moment acht personen lopend richting Velp. Daar werd een week gelogeerd bij een gastvrij gezin die hen zomaar onderdak hadden geboden. Aardige mensen. Maar acht personen onderdak en eten ! geven was wat veel voor een klein gezin. Besloten werd toen, richting Ede te gaan lopen.
Bij Planken Wambuis werden ze opgepikt door een Rode Kruis wagen, die hen naar Ede bracht. In een school werden ze daar opgevangen en kregen ze een opvangadres toegewezen in Scherpenzeel waar ze eerst zomaar een maaltijd kregen in hotel de Witte Holevoet! Geweldig! In tijden niet zo lekker gegeten, weet Dora nog. Vervolgens werden ze opgevangen in de voormalige melkfabriek. Omdat het gezin te groot was voor één adres werden ze op twee boerderijen ondergebracht. Daar had zij het goed van eten en drinken, weet Dora nog.

Toen het harde werken in die winterse kou geen eten opleverde hield vader Derksen het voor gezien

Toen de boerderij waar haar ouders verbleven werd gevorderd door de Duitsers werd het hele gezin op een wagen met paard geladen en naar Utrecht gebracht.
En alweer vervolgde de vlucht, steeds verder van huis en haard. Uiteindelijk kwamen ze terecht in Zuilen.
Toen het harde werken in die winterse kou van 44/45 in zijn armzalige dunne kleding bij een NSB-boer in Zuilen geen eten opleverde, hoewel toegezegd, hield vader Derksen het voor gezien en zei ‘zoek ‘t dan zelf maar uit ‘ en werden de knolletjes van het land gepikt om toch wat te eten te hebben. De familie had het slecht. Heel slecht.
Veel werd het bed gehouden om warm te blijven en de honger niet te voelen. Doortje herinnert zich nog ene ‘Boer van Ingen’ in de buurt waarvan ze een keer een sneetje brood hebben gehad: met boter! ‘Gek he? Dat ik dat nog weet ‘ zegt Door. ‘ Bloembollensoep hebben we ook nog gehad ’, herinnert Door zich.
Nu weten we, dat dat Westelijke deel van Nederland de slechtste keus was ten aanzien van de voedselvoorziening, maar wie had zo’n vooruitziende blik?
Je zult maar de verantwoordelijkheid dragen voor een gezin met zes kinderen en op goed geluk een richting kiezen als je vluchten moet. Dat overkwam heel veel Arnhemmers. Voor veel evacuees het begin van een dramatisch laatste oorlogsjaar.

Het werd een zwerftocht van maanden door die beruchte winterse kou

Uiteindelijk kwam het gezin terecht in een oud kleuterschooltje in Zuilen, aan de overkant van het Amsterdam-Rijn kanaal. Nadat de oudste broer onverrichter zaken terug kwam van een tocht naar Nijkerk om te zien of er wat eetbaars versierd kon worden, besloten Dora met haar iets jongere zus en de op één na oudste broer, het er ook op te wagen.
Het werd een zwerftocht van maanden door die beruchte winterse kou voor de kinderen van dertien, veertien en vijftien jaar oud… Drie kinderen al zwervend op weg om iets eetbaars te vinden en vooral, in leven te blijven. Het werd een ongelofelijke, bizarre en eigenlijk onmogelijke tocht. Slecht gekleed, geen waterdichte schoenen, niet weten waar je de nacht doorbrengt, geen contact meer met de ouders. Soms lopend, soms hangend achter een oude postwagen, of meeliftend op een boerenkar. Zo verplaatsten de drie zich, bang voor oorlogsgeweld, bang voor Duitse soldaten, door bezet gebied en goed beschouwd, niet wetend waarheen te gaan; nou ja, daar waar eten is.

Een boerin ze binnenhaalt en zuurkool met worst geeft aan de drie uitgehongerde kinderen

Geslapen in een kerkje in Nijkerk, de nacht doorgebracht ‘ergens’ in Oldenbroek op de Veluwe, getracht de brug bij Deventer over te komen, maar door de moffen teruggestuurd. Toen maar naar Heerde gelopen en geslapen in een beschuitfabriek. Overal aanbellend voor wat eten en dan plots een boerin die ze binnenhaalt en zuurkool met worst geeft aan de drie uitgehongerde kinderen. Buiten prompt alles uitgekotst omdat de magen daar niet meer tegen bestand waren.
En iedere keer weer zeiden ze tegen elkaar, ‘en nou gaan we terug naar huis’. Maar het kwam er nooit van. ‘We trokken al schooiend steeds verder met elkaar’, vertelde Dora. Aangehouden op straat en naar een schooltje gestuurd voor onderdak. Daar geslapen en de volgende dag via een pontje de IJssel overgestoken naar Olst.
Schooiend, bietsend, stelend (klompen) zijn ze later richting Deventer gelopen. Opgepakt door de Duitsers werden ze naar een passantenhuis voor kinderen in Deventer gebracht, waar rond de Pasen het eerste eitje sinds jaren werd gegeten (nooit meer vergeten!!) Na een kort verblijf verder gelopen naar Raalte door de bossen bij Diepenveen en uiteindelijk terecht gekomen in Ommen waarna via een kerklokaal, waar ze maar kort konden blijven, ergens buiten een leegstaand kippenhok werd gevonden.

de drie zwervertjes, die inmiddels onder de luis en de schurft zaten

Veel kanongebulder leidde hier de bevrijding in.
En toen moest de reis terug naar Vader en moeder in Zuilen – als ze daar tenminste nog woonden – worden aanvaard. Via de Deventer brug liepen de drie kinderen naar Voorst en daarna door naar Apeldoorn waar aan het Kanaal in een Cocosfabriek, weet zij nog, werd geslapen. Hoe ze in de Willem III kazerne in Apeldoorn terecht kwamen weet ze niet precies meer, maar daar werd een transport samengesteld voor kinderen die in Noordwijk zouden bijkomen van de slechte tijd die zij hadden meegemaakt. Zij mochten mee en werden in Utrecht bij het politiebureau gedropt. Het laatste stuk naar Zuilen werd lopend gedaan waar de drie zwervertjes, die inmiddels onder de luis en de schurft zaten, door de zeer ongeruste ouders in de armen werden gesloten. Het eerste, door de Engelse bommenwerpers gedropte wittebrood met Zweedse Margarine, proefde als Manna.
De nu drieëntachtigjarige Dora is inmiddels de enige overgeblevene van de familie. Vader, moeder, broers en zussen (na de oorlog werd nog een zusje geboren) zijn nu allen overleden en Dora, nu al vijfentwintig jaar weduwe, koestert zich in de warmte van haar eigen kinderen die letterlijk alles voor haar doen en zorgen dat ze niets, maar dan ook niets, tekort komt.
En dat mag ook best na zo’n verhaal.

 

1 reactie
  1. Monique Sanders - Derksen says:

    Mijn tante Doortje! Eigenlijk nooit precies geweten wat er vroeger allemaal met mijn vader en zijn broer en zussen gebeurd is, denk omdat ik de jongste ben. Maar mooi om te lezen!

    Beantwoorden

Plaats een reactie

Wilt u een reactie geven?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

De volgende HTML-tags en -attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>