Cor van Galen  18-05-2016

Jongens struinen door het Arnhems gevechtsgebied

Arnhem 17 september 1944
Er waren die dag hele drukke luchtactiviteiten van jachtbommenwerpers, er werden precisiebombardementen uitgevoerd en wonderlijk genoeg werden al die Duitse objecten in de stad eruit gehaald. Wij hadden niet in de gaten dat de Willemskazerne ook een groot militair object was, daar werden we gauw aan herinnerd. Toen die bombardementen werden uitgevoerd, gebeurde er verder niks. Een paar uur later vloog het gebouw in brand. Er lag ook allerlei munitie. Veel mensen gingen weg uit de binnenstad. Wij zijn donderdags vertrokken, wij waren één van de laatsten. We dachten, een paar dagen, dan zijn we vrij. Na vier jaar met dat gajes te hebben gezeten, verwachtten we dat wel. Wat later dacht ik, dit komt nooit goed. Als je achter Renkum en Ede landt, alle wegen waren eigenlijk ongeschikt.Die brug te ver was eigenlijk die Nijmeegse brug. Als je vanuit België komt, je hebt echt met militairen te doen. Die Duitsers konden er iets van hoor.

Jansplein 50 Arnhem 2016

Jansplein 50 Arnhem 2016

Dinsdagochtend begonnen we aan een tocht door het centrum van Arnhem. Vanuit ons huis op het Jansplein nr. 50 gingen wij, Piet Sanders 16 jaar, onze buurjongen en ik 13 jaar, de Utrechtseweg op.

Wij hadden ’s morgens al een gesneuvelde Engelsman gezien, bij het politiebureau op de Beekstraat. Die gesneuvelde man had heel eigenaardige kleding, het was een parachutist, die hadden andere kleding en schoeisel. Dat was voor ons eigenlijk een wereldwonder, een hele grote kerel, daar was Piet Sanders ook bij.
We liepen langs het station. Verderop in de kromming van de Utrechtseweg lag een vreemde figuur; vreemd uniform en even later iets verderop, nog voor het museum, lagen gesneuvelde militairen, die lieten ze niet dagen liggen, ze werden als het ware gelijk opgehaald.

ABM Elisabeth Gasthuis (800x533)
Elisabeth Gasthuis Arnhem 2016
We liepen dus op de Utrechtseweg langs het Elisabeth Gasthuis, een kakofonie van Duits materiaal, er was geen Engelsman meer te zien. De Duitsers ja, verplegend personeel, meer niet. We gingen het ziekenhuis snel voorbij. Wij gingen de Wilhelminastraat of de Oranjestraat op. Het viel ons op, dat er daar op die stoepen, ze zijn vrij breed, twee rijen lichte Duitse tanks stonden. Wij vonden dat een overmacht aan Duits tankmateriaal.
Het enige wat we van de Engelsen zagen, waren carriers, een soort tanks, eigenlijk een infanterie wapen.
We zijn de Oranjestraat opgelopen naar de Koepelgevangenis.

Koepelgevangenis 2016

Koepelgevangenis 2016

Wat ons opviel aan de gevangenis, dat hij flinke granaat inslagen had, waar die vandaan kwamen, kon je niet zeggen, er stonden ook huizen en die mankeerden niks.
We liepen door tot de ingang van de KEMA. Bij de ingang kregen we de schrik van ons leven, daar hingen in een stuk geschut; twee parachutisten, verbrand! Het was tegenover de Alexanderstraat, daar kun je het KEMA terrein op. We dachten hoe kan dat, hoe kunnen die mensen nu verbrand zijn, dat moet toch een oorzaak hebben. Van dichtbij door een vlammenwerper geraakt? Ja hoor, daar op de hoek, in de tuin lag een SS man met een vlammenwerper op zijn rug.

ABMKema ingang (800x533)

Achteringang KEMA 2016
Ik beschouwde de ingang van de KEMA als de hellepoort, want als je daar doorheenging, dan had je kans dat je het niet overleefde. De dader, die SS man in de tuin, had wel een klein gaatje in zijn voorhoofd, dan heb je genoegdoening. Je loopt daar als ooggetuige, als snotneus 13, 14 jaar.
We liepen weer naar boven, hetzelfde proces, de muren van de gevangenis overal flink gehavend. Bovenin was een huisje, de vier personen die er woonden, lagen er dood, twee kleine kinderen en hun ouders. Eigenlijk had je toen wel genoeg hoor, het glas raakte leeg. We hadden maar een paar Engelsen gezien, een stuk of vier.
Toen hebben we de terugweg genomen, langs de Utrechtseweg, het Rijnpaviljoen, verder langs Onderlangs helemaal tot de oude haven.
Bij het Rijnpaviljoen zagen we lichaamsdelen. Ik vergeet het nooit, ik zeg tegen Piet: “Wat kun je toch snel wennen aan de dood”. Dat hield in één keer op. Er gebeurde iets eigenaardigs, het is geen grap, op de grond ligt een parelmoeren revolver. Na de bevrijding zag je die, in cowboy films, westerns.
Die Engelse officieren hadden de gewoonte om zo’n pistool te dragen, effectief had het geen nut, een stengun, brengun is veel sneller. Ik zeg tegen Piet: “liggen laten, liggen laten!” Je kunt nooit weten, het was toevallig, meer humoristisch ook, maar je kunt niet weten of ze het zien.
Bij Onderlangs waren volkstuintjes in de oorlog, daar hebben we weinig gesneuvelde Engelsen gezien in verhouding tot de Duitsers. En wat ons ook opviel waren de mensen in gevangeniskleding, die dood geschoten waren, die hadden waarschijnlijk een poging gedaan de Rijn over te steken. Er waren veel mensen in die gevangenispakken, die pakken kenden wij, wij zongen weleens in de gevangenis. Die gevangenen waren gevlucht of zo.
Wij lopen door en komen aan de rand van de oude haven, daar stonden toen ook, alle NBM bussen. (redactie: openbaar vervoersbussen).
Er was daar een school voor moeilijk lerende kinderen, de school was verlaten. De Duitsers hadden daar een groot mitrailleursnest. Een man of vijf met zware mitrailleurs. Wij kregen een “unheimliches Gefühl”. Toen kwamen we bij hotel “de Son”, er was brand geweest en er waren granaatinslagen in de huizen op de Oude Kraan. Er woonde niemand meer. Daar had je veel neringdoenden, bakkers en caféhouders.
Toen werden we aangehouden door een SS’er, hij schreeuwde naar ons “Das hier kein Spaziergang möglich war”. Met onze beperkte Duitse kennis snapten we, dat we daar niet mochten wandelen.
Ik denk dat mijn vader en moeder er ook op tegen waren geweest.
We hebben ons toen ten dienste gesteld van een man die ging evacueren, vanuit de , nou niet de sjiekste buurt. Wij konden hem helpen met een handwagen, om die de bult op te drukken. Wij kwamen dus niet langs die SS’er, die wou ons doodschieten. We hebben de handwagen de Bergstraat opgeduwd tot het Stationsplein. We zeiden hem goeiendag, hij bedankte ons en we gingen naar huis. Het bleek toch wel, dat we eigenlijk in het slagveld waren geweest.

Het laatste verhaal; wij zijn dus toen wij terug kwamen van de tocht door de stad, om het af te leren, op woensdag weer op stap gegaan. We liepen door naar de Rijn, daar werd nog gevochten. De Engelsen waren er nog en de Duitsers zaten er omheen. Wij zijn door tuinen van doktoren gelopen op de Eusebius Buitensingel, daar hadden ze heel snel graven gemaakt. We liepen tot aan de Rijn, daar was een veerhuisje, dat stond 40 cm naar binnen toe. Daar konden we net tussen en dat was maar goed ook, want er kwamen veel vliegtuigen uit het zuiden aanvliegen en die vielen de brugoprit aan. Daar stond alleen materiaal van Duitsers op. Die brug werd gebombardeerd, het was vreselijk. Wij zaten er tussen ingeklemd, een vreselijk inferno.
Er lag een Duits jachtvliegtuig in de tweede ven.
Ik weet ook nog dat we op het Velperplein zagen dat er dode Duitsers werden afgevoerd, wij jongens gingen overal kijken.

Tussen haakjes Piet Sanders is er niet meer, hij was drie jaar ouder dan ik. Een buurjongen nergens bang voor. Het eerste wat hij deed vlak na de oorlog was zich melden bij de stoottroepen voor Engeland. Na 40 jaar heb ik hem terug gezien. Ik heb hem opgedoken ergens in Wijk bij Duurstede. Hij zat in een rolstoel. Ik zei tegen hem: ‘Ik wou met jou even verifiëren wat waar is”. Ik zeg: “Geen flauwekul hè”.

Airborne kerkhof Oosterbeek

Airborne kerkhof Oosterbeek

Airborne kerkhof naam (533x800)Ik heb een tijd gehad, dan kwam ik op het Airborne kerkhof in Oosterbeek en dan dacht ik, het konden weleens militairen zijn, die ik gesneuveld heb zien liggen. En dat verandert, dan hebben ze een naam. We hebben het hele verhaal teruggehaald in drie dagen. Hij zei: “Je hebt ook een keer mijn leven gered”. Ik zat er op te wachten, ik houd wel van een onderscheiding. Hij had het over dat parelmoeren pistool. Een paar weken later is hij overleden, hij is gecremeerd in Bilthoven, daar ben ik geweest. Hij heeft bevestigd wat we gezien hadden.

Cor van Galen  18-05-2016

Cor van Galen 18-05-2016

Flora de Jongh

Flora de Jongh van de ponyboer met een koe aan een touw op weg

Ik heb twee broers en een zusje, ik was de tweede, de jongens waren onder mij. Eén is geboren in 1941. Na mij is een jochie geboren, die is negen maanden geworden, hij had een open ruggetje.
We woonden in Wolfheze aan de Duitsekampweg, mijn vader Willem de Jongh had pony’s en een ponywagen, die kon je huren.

In 2016 ging ik mee met een rondleiding in het Airborne museum. Ik zei tegen Meneer Versmissen: ”Wat U nu verteld, heb ik meegemaakt”. De Duitsers trokken die Tommy pakken van de dode militairen aan en ze pakten hun jeeps. Er kwamen er een paar aan mijn vader vragen of er nog NSB’ers of Duitsers waren. Mijn vader dacht wat moet ik? “Nou zei mijn vader ga even naar de overkant, die buurman is professor, die kan het je precies vertellen”. De professor kwam later naar mijn vader, wat moet jij die engeltjes op je schouder bedanken, dat ze jou niet doodgeschoten hebben, want het waren geen Engelsen, het waren Duitsers, Moffen.

Mijn vader had twee jongens van onze kennissen Gottschalk in huis verborgen

Een foto van het woonhuis wordt bekeken:

Huis Flora Lenie 1943006

Op de vliering, daar stonden de koffers van de joodse studenten. Mijn vader had twee jongens van onze kennissen Gottschalk in huis verborgen. Zij woonden tegenover bloemist Davidse. Hun vader kwam vragen of hij ze niet verstoppen kon. Mijn vader heeft het overdacht, als het mijn kinderen waren, had ik het ook graag gehad, ik kan ze niet laten zitten. Ze kwamen in onze slaapkamer, mijn zus en ik moesten ergens anders slapen. Mijn vader hield altijd goed in de gaten wat er in de omgeving gebeurde. Zijn radio had hij niet ingeleverd, die had hij verstopt. Op een keer dacht hij dat het te gevaarlijk werd, toen heeft hij de radio in de dekenkist, naast het bed van mijn ouders verstopt. Mijn vader had nooit verwacht dat hij verraden zou worden, met die jongens. Toch vertrouwde hij het niet, hij heeft de jongens weggestuurd, anders hadden ze niet meer geleefd en wij ook niet. Hij zei tegen de jongens: “Neem mee wat je nodig hebt, want jullie moeten helemaal naar jullie familie in Wassenaar lopen. Ga hier eerst het bos in”.  Wij gingen daarna evacueren, wij hoorden dus niets van die jongens.
Op een nacht kwamen die Moffen aanrijden, ze omsingelden ons huis. Ze zetten rondom schijnwerpers, het hele huis in het licht. Ze bonkten heel hard op de deur. Twee gehelmde soldaten met de bajonet op het geweer schopten onze slaapkamerdeur open.” Eraus, Deraus” tegen ons. Dat heb ik heel lang voor me gezien, die vieze kerels bij ons kleine kinderen nog. Mijn zus en ik gillend naar mijn moeder toe. Mijn vader werd in zijn onderbroek meegenomen naar de keuken beneden. Mijn moeder moest de hutkoffer los maken. Mijn moeder zei: “De baas heeft de sleutel”. Die soldaten naar beneden, vragen aan mijn vader de sleutel, mijn vader gebaart in de la. Mijn moeder pakt de sleutel, “Nu kijk maar”: zei mijn moeder. Mijn moeder had toen ze de sleutel gingen halen, vlug de radio in bed verstopt. De sleutel lag net weer in de la. Ze maakten de koffer open, ja ouwe dekens. Toen vroeg de soldaat naar het luik van de vliering. “Nou ga maar kijken, daar staan onze koffers”, hij deed het niet. Mijn vader hebben ze in zijn onderbroek meegenomen, mijn moeder zat alleen met het bedrijf en met ons. Mijn vader heeft zes weken in het huis van bewaring in Arnhem (De Koepel) gezeten. Hij heeft zich doofstom gehouden. Mijn moeders broer uit Rumpt heeft mijn moeder geholpen. Het was in 1944, in de zomer. We zijn vermoedelijk verraden door de buren, maar je kunt het nooit zeggen, want je weet het niet zeker. Toen we een poos thuis waren heeft mijn vader de koffers naar de jongens in Wassenaar gebracht. Het was fijn voor mijn vader dat die jongens het overleefd hebben, de ouders helaas niet, ze zijn weggevoerd.

17 september 1944
De parachutisten kwamen naar beneden en wij lagen in de wei. Wij woonden aan de Duitsekampweg vlak naast het landingsterrein. De parachutisten werden door de moffen in de rug geschoten, dat was verschrikkelijk.

Flora melkt de koe

Flora melkt de koe

We zijn het land ingegaan met zijn allen. Er was een buurvrouw Nellenstein, die was zo in de war van de oorlog, die vloog door het prikkeldraad van de weide. Geen benul om er onderdoor te kruipen of er over te stappen. De koeien stonden in de wei, er was een stier bij, mijn vader zwaaide met een zakdoek om de stier af te houden. Ze zat vast tussen het prikkeldraad overal wonden, de jurk gescheurd. Ze moest gewoon mee, ze kon daar niet blijven. Aan het einde van de Duitsekampweg woonde melkboer Schut en daar zijn we in een keldertje terecht gekomen. Daar hebben we tot 5 uur gezeten. Onze hond kwam helemaal verwilderd aan, hij had ons gevonden. Mijn moeder zei: “Nu kunnen we naar huis”. We zijn terug gaan lopen, we zagen de Britten, de parachutisten. Daar waren ook zweefvliegtuigen geland, die gliders. Er is er ook één in ons land terecht gekomen. Mijn vader kwam er wel dichterbij hij zei: ” Wat zat er een hoop in, er kwamen gewoon jeeps uit. Geen parachutisten, alleen materiaal”. De moffen hebben later alle zweefvliegtuigen in brand gestoken. Er werden ook van die grote kokers gedropt. Er lag er één bij ons in de tuin, mijn vader maakte hem open, wat kwam er uit: pyjama’s, kruiken, allemaal dingen voor gewonden en voor ziekenhuizen. De Duitsers hebben het meegenomen. Alles verkeerd terecht gekomen, zo jammer.

De Stichting zat eerst vol Duitse militairen, die zijn zaterdags weg gegaan. Zondags werd de stichting gebombardeerd. Wij konden niet meer naar school. Wolfheze had geen Hervormde kerk, wij gingen naar het Blindeninstituut voor de kerkdienst, Er was wel een Gereformeerde kerk. Na de oorlog kregen we een noodkerk uit Zweden, We waren de eersten die er trouwden.

Trouwfoto 24 nov. 1956 voor de noodkerk uit Zweden.

Trouwfoto 24 nov. 1956 voor de noodkerk uit Zweden.

Mijn vader hoorde elke dag de radio, dan dacht hij, waar zijn ze nu weer mee bezig. Dan ging hij bij de moffen kijken. De jonge, gevangen genomen, Britse soldaten moesten daar loopgraven maken, dat zeiden de Duitsers, dat het loopgraven waren. Mijn vader dacht: dat kan niet, “dat doen jullie niet hè, ze doodschieten”? “Dat doen wij met jullie jongens ook niet”. De Duitsers: “Nee, nee, dat gebeurt niet”. Maar toen het donker werd schoten ze hen dood. Alle acht en bij die buurman, die mijn vader verraden heeft, zijn ze in de tuin begraven. Ik weet het nog goed, ze werden in een deken gerold en daar gingen ze.
En wij gingen evacueren, dus wij hebben er ook niet veel aangedacht die tijd.
Maar toen wij terug waren, werden ze opgegraven. Heel raar, we gingen kijken, er zat alleen een hek tussen, daar konden we zo doorheen naar de buren.
We hebben zes weken in de kelder geleefd met die families, zo lang is mijn vader in Wolfheze gebleven. Met de familie Nellenstein en die oude van Dijk, nog een van Dijk, hij was pro Duits, maar geen NSB’er.
Het was bij ons zo, wij woonden op de Duitsekampweg, het spoor zat tussen ons en de Heelsumseweg en Wolfhezerweg daar stonden altijd mensen te praten. Wij mochten van mijn vader niet het spoor over, ik heb van die verhalen dus niets gehoord.

Mijn ouders met gasten in de ponywagen.

Mijn ouders met gasten in de ponywagen.

We gingen op stap naar Bennekom met de ponywagens en twee koeien. Mijn zus en ik moesten ieder een koe vasthouden. Soms was het glad, dan zakte die koe op zijn achterwerk, ik kon niet bijkomen van het lachen en mijn zus stond te huilen, zulke drama’s onderweg. Ja, mijn vader moest de varkens achterlaten en al het kleine vee. Een paar dagen later zei mijn vader: ” ik ga mijn varkens ophalen”. We hadden ook niet veel te eten, we waren met veel mensen. Hij met zijn wagentje terug naar Wolfheze, hij keek in de varkensstal, weg waren ze. Toen wilde hij zijn huis in, maar dat mocht niet. Een man met een jacquet aan, een hoge hoed op, ja het was mijn vaders trouwpak, stuurde hem weg, de fles stond op tafel, mensen (NSB’ers en Duitsers) waren feest aan het vieren. Mijn vader zei: “Ik kom mijn weck halen”, nou of hij er maar uit wilde gaan. Er waren mensen aan het roven, van huis naar huis toen wij weg waren. Met lege handen kwam hij terug bij de boerderij in Bennekom. Het was een groot bedrijf, onze koeien konden op stal.

In Veenendaal moest mijn vader voor de TODT werken. Hij moest alle dagen met de wagen naar de kazerne, hij moest tonnen met eten brengen, daar mochten wij ook van eten, grrr gewoon varkensslobber. Het eten was voor de jongens op de kazerne, dan mocht hij voor het huisgezin wat meenemen, maar hij had zo’n sik, want het waren moffen, daar wou hij niet voor werken. Hij kon niet weigeren, hij had die ponywagen en die wilde hij houden.
Hij is naar meneer Oortgijs (de dorpskapper) gegaan, die heeft gezegd wat hij aan zijn gezicht kon veranderen, dan zou hij wel een persoonsbewijs maken. Ik weet niet meer precies, hij had een snor en kreeg een persoonsbewijs dat hij er op leek.

Daarna gingen we naar de Betuwe, de koeien konden op stal bij kennissen. Op een gegeven moment heeft mijn vader ze verkocht hij zei: ”Ik heb geen centen meer”, dus we kwamen zonder koeien thuis. Ik weet niet of mijn vader in Rumpt weleens gewerkt heeft. Ik ben ook weleens op de deel geweest, ik heb geholpen met bosbanden lossnijden. Mijn vader zal wel op de boerderij gewerkt hebben. Wij sliepen op de grond, op het hooi op de deel en daar boven was nog een kamertje, daar sliepen er ook een paar.
Weer gingen we verder naar Rumpt, bij een dominee samen met vier gezinnen. We hadden één grote kamer, matrassen op de grond: 2 volwassenen en 4 kinderen.
We hebben nog zo gelachen, we hadden geen elektriciteit, alles was verduisterd. Je had zo’n jampotje met een katoentje erin, dat was je licht. Mijn vader had een lichte huid, als er vlooien waren of ongedierte, dan had hij ze op zijn lichaam. ’s Avonds of in de nacht zaten ze zo te pikken, dan zat hij ze, bij een waxinelichtje te vangen. Mijn zusje en ik werden er wakker van, dat moest hij niet horen, want dan had hij zijn broek uit, dat mocht je helemaal niet zien.
Toen we bevrijd werden, werden die moffenmeiden kaal geschoren, op een boerenkar gezet, een trekker ervoor en het dorp door gereden. We konden nog niet naar Wolfheze terug, want mijn vader moest eerst een auto zien te versieren, voordat we met die spullen naar huis konden.
Ook na de oorlog zijn er nog veel jongens de lucht ingevlogen en boeren, die met een trekker over oorlogstuig reden. Het bos mocht je echt niet in overal witte banden om de bomen. Wolfheze was al bevrijd, maar de Betuwe nog niet. Terug in Wolfheze ging ik weer naar de “Van Beeck Calkoen”school.

Flora en Rijk de Jongh

Flora en Rijk de Jongh

Fam de Jongh is geëvacueerd naar Bennekom; Veenendaal en Rumpt (gem. Geldermalsen). We konden nog niet naar Wolfheze terug, want mijn vader moest eerst een auto zien te versieren, voordat we met die spullen naar huis konden. Ook na de oorlog zijn er nog veel jongens de lucht ingevlogen en boeren, die met een trekker over oorlogstuig reden. Het bos mocht je echt niet in overal witte banden om de bomen. Wolfheze was al bevrijd, maar de Betuwe nog niet.

advertentie010-2

Vader Willem de Jongh had pony’s en een ponywagen, die kon je huren. Sommige mensen uit de hotels in Wolfheze gingen kersen eten in Driel en huurden dan de ponywagen. Er waren twee hotels; hotel “Wolfheze” en hotel “De Buunderkamp”, er reden geen taxi’s, mijn vader werd dan gebeld door mensen om koffers naar het hotel te brengen. Op de tijden dat de trein aankwam in Oosterbeek was mijn vader op het station en bracht de koffers naar de hotels. Dat was het eerste wat hij deed toen we in Wolfheze woonden. De kinderen die logeerden in hotel “Wolfheze” wilden pony rijden. Dan moesten wij de pony’s naar het hotel rijden, ’s avonds haalden we ze weer op.
Wat mijn broer en ik na de oorlog nog gedaan hebben met de ponywagen ‘s woensdagsmiddags schillen ophalen; de Heelsumseweg heen en de Wolfhezerweg weer terug. Kinderen moesten meehelpen, dat was gewoon zo. De pony wist dat precies, overal die bakjes ophalen, leeggooien in een grote ton. Dat hebben we jaren gedaan.

Lenie, Moeder, Rijk, Vader en Flora de Jongh 1943

Lenie, Moeder, Rijk, Vader en Flora de Jongh 1943

Piet Davidse

Op zoek naar Jeneverkruiken

Het mooie landgoed Mariëndaal bij Arnhem, was Piets geboortegrond. Vader Piet Davidse Sr. beheerde daar als tuinbaas de tuinen van de landhuiseigenaar en was trotse maker van de nooit meer geëvenaarde prachtige moestuin.
In 1937, toen Piet zes jaar was, verhuisde de familie Davidse naar Wolfheze waar zijn vader een betrekking als hoofd tuinbaas van het Het Schild had aanvaard.

Huize Het Schild, tehuis voor blinden en slechtzienden in Wolfheze, is voor een belangrijk deel van Piets jongensleven zijn thuisbasis geweest.
Weliswaar woonde hij met zijn ouders en broers pal naast Het Huis, maar de meeste tijd bracht de toen kleine Piet door bij -en voor de blinden. Vader Davidse had de leiding over alles wat met onderhoud van het omliggend groen te maken had.
Voor een jongen als Piet was in de bosrijke en groene omgeving altijd iets te vinden als je een beetje avontuurlijk bent aangelegd. Echte buurjongetjes waren er niet, daarvoor was in die jaren de afstand naar het toen nog kleine dorp te groot. Pas toen hij de lagere school bezocht kwamen de schoolvriendjes op bezoek. Contacten met de ongeveer vijftig bewoners van Het Schild waren er dus in overvloed.
Hij moest leren rekening te houden met blinden en slechtzienden. Geen rommeltjes, geen speelgoed op de paden waar de bewoners regelmatig liepen en zouden kunnen struikelen. Netjes opruimen, geen rommel achterlaten, leerde hij al snel. Door zijn dagelijkse zwerftochten rondom het tehuis met de bewoners die hij vrijwel allen kende,- en zij hem -‘ben jij Pietje? klonk het soms bij een toevallige ontmoeting – en de directe omgeving was Piet er zeer vertrouwd mee geworden.

Ouderlijk huis Piet Davidse 1944

Ouderlijk huis Piet Davidse 1944

Tot die ene fatale dag in september 1944 was het dus een zonnig en zorgeloos leventje in het gezin met twee oudere broers, vader en een zorgzame moeder. Door de oorlogsomstandigheden was in het bos, niet ver van het gebouw van Het Schild al eerder een schuilkelder uitgegraven. Eigenlijk was het te klein voor alle bewoners, je zat met de knieën bijna tegen elkaar aan als je plaats nam op de twee banken die in de lengterichting waren geplaatst. Het was er benauwd, er was geen elektriciteit, geen verwarming, geen sanitaire voorzieningen, kortom, alleen geschikt voor een kort verblijf van hooguit enkele uren. En dat comfort – als je het zo mag noemen – werd zwaar op proef gesteld na de eerste aanval op, helaas, de burgerdoelen van Wolfheze. Het dorp en het nabij gelegen Psychiatrisch ziekenhuis kregen het zwaar te verduren met vele doden en gewonden tot gevolg, Maar ook Het Schild kreeg een voltreffer en brandde volledig uit. Het hoe en waarom van dit bombardement zullen we hier niet beschrijven. Boeken met genoeg informatie over dit onderwerp. Piet, die zich toevallig in de rookkamer van Het Huis bevond, hoorde een steeds luider gefluit van naderende bommen. Zijn eerste reactie na de eerste explosies was onder een bank kruipen en angstig afwachten op wat nog komen ging. Er volgde nog een donderende explosie. Pas toen het rustig werd kroop hij onder de bank uit en zag boven de keuken van het huis stof uit het dak komen. Piets broer Jo stond op de veranda toen de bom op het huis viel maar raakte gelukkig niet gewond. Wonder boven wonder waren er bij Het Schild geen slachtoffers te betreuren. Via het ‘blindenpaadje’ dat Piet zich nog goed weet te herinneren, werden de blinden naar het terrein van de familie Aaldering geleid. De schuilkelder die in de korte nabijheid van het huis was gegraven, kon op dat moment niet worden gebruikt vanwege de hitte en de rook van de brand die de voltreffer op het huis had veroorzaakt.
Iemand had hem ooit gezegd, in verband met de luchtdruk van een bom; een arm onder je borst te houden als je op je buik ligt. Dat advies is hij nooit vergeten.

Piet Davidse jr. 1943/44

Piet Davidse jr. 1943/44

Met vijftig blinden bij de familie Aaldering binnenvallen was wat veel van het goede. Een klein groepje zat binnen. De rest zat buiten op de grond of stonden in afwachting wat komen ging. Terwijl de terugtocht werd aanvaard richting schuilkelder was er opnieuw luchtalarm en liet iedereen zich plat op de grond vallen tot het sein –veilig- werd gegeven. Zo werd de schuilkelder bereikt en probeerde iedereen het zich zo makkelijk mogelijk te maken wat een hele toer was gezien de beperkte ruimte. Vier nachten en bijna vijf dagen hebben de familie Davidse samen met de vijftig blinde bewoners en verzorgers doorgebracht in de benauwde ruimte. Piet beschrijft precies de situatie waarin zij zich vooral ’s nachts bevonden. Hij noemt het een gruwel. Het was benauwd, het stonk zogezegd een uur in de wind, liggen kon je niet hoewel Piet probeerde op de zanderige grond tussen de benen van de anderen en half onder banken wat nachtrust te pakken. Omdat zittend slapen voor veel blinde bewoners in de schuilkelder een groot probleem opleverde hadden de verzorgers van repen linnen een constructie gemaakt waarbij de zittenden min of meer ter ondersteuning vastgebonden werden opdat ze ’s nachts niet voorover zouden vallen in de slaap. Piet herinnert zich de repen linnen die aan de balken hingen. Het brandende ‘Het Schild’ Het waren onrustige en angstige nachten.

Het brandende "Het Schild"

Het brandende “Het Schild”

Het Schild was inmiddels geheel uitgebrand, maar het ouderlijk huis was ongedeerd gebleven. Wel hadden Duitsers er tijdens hun afwezigheid waarschijnlijk huis gehouden, er was veel beschadigd en er zat bloed op het aanrecht. Van echt doorslapen in die schuilkelder kwam ’s nachts niet veel. Dan moest iemand onder begeleiding naar het toilet in de uitgegraven en met rietmatten afgezette latrine, buiten de schuilkelder. Maar als er buiten geschoten werd moest bij toerbeurt een emmer worden gebruikt. Je kunt je voorstellen hoe het daarbinnen geroken heeft vertelt Piet. Of er kwam een Duitse soldaat met een zaklamp controleren of er geen Engelsen waren. Maar ook werd Piet eens gillend wakker van angst en werd hij door twee vrouwen vastgehouden en tot rust gebracht. En dat alles in het pikkedonker waar alleen nog gefluisterd werd om elkaar niet wakker te maken.

“Het gekke is alleen” vertelt Piet, “dat ik daarna nooit meer angst heb gevoeld”. “Ik kan daar geen verklaring voor vinden”. Dat verblijf in die schuilkelder is voor de blinden een drama geweest, stelt Piet. Van de heer Nijenhuis, weet hij nog, de blinde organist van Het Schild, kreeg Piet orgellessen. Hij herinnert zich de goede contacten die hij met hem had. Maar opeens was de goede man verdwenen en Piet heeft nooit meer iets van hem vernomen. Jawel, dat hij werd overgebracht naar ‘elders’, maar dat was het dan. Gek hoor.

Tijdens de eerste dag van het verblijf in de schuilkelder verliet Piet de schuilkelder en zag tot zijn stomme verbazing dat de velden rondom Het rondom Schild bezaaid waren met zweefvliegtuigen, rondrijdende Jeeps en Engelse parachutisten. Er was geen Duitser meer te bekennen.

Natuurlijk dacht iedereen dat de bevrijding nu daar was.
Ook herinnert Piet zich het moment dat een Engelse legerpredikant hem en zijn moeder bij een ‘Glider ‘heeft gefotografeerd. Die foto zal in Engeland best ergens een plekje hebben gevonden in een of ander fotoalbum. Maar ja, van wie?

Zuster Do Schweig

Zuster Do Schweig

Aan zuster Do heeft Piet goede herinneringen overgehouden. Zij was onvermoeibaar bezig met de zorg voor de blinden. Een geweldig mens. Piets vader was voornamelijk bezig met de voedselvoorziening en de bereiding ervan op een, buiten aangelegd, open houtvuurtje.

op een handkar werd een stoel gebonden waarin mevr. Thomson werd geplaatst

Aan Piets netvlies trekken heel veel beelden uit die dramatische dagen voorbij. Teveel om op te noemen. Je raakt dat nooit meer kwijt. Gelukkig – hoewel? – kwam daar een einde aan toen het bevel kwam dat ze weg moesten. Van wie of waar het bevel vandaan kwam is niet bekend, “we moesten weg van de Duitsers die inmiddels weer de baas waren geworden in Wolfheze maar waarheen” ? Besloten werd naar de Buunderkamp te lopen. Het lag op loopafstand en daar bevonden zich een aantal zomerhuisjes die geschikt waren voor een tijdelijk verblijf. Alle vijftig blinde bewoners van Het Schild met hun begeleiders, verzorgers en het gezin Davidse moesten hun spulletjes pakken en, gebruik makend van alles wat op wieltjes ging of een last kon dragen, te voet de tocht aanvangen. Er waren enkele blinden en zieken, waaronder zuster Mieke, die niet konden lopen en op een kar vervoerd moesten worden. Piet hielp met vervoer van Mevrouw Thomson en, dat is hem zijn leven lang bij gebleven; op een handkar werd een stoel gebonden waarin mevr. Thomson werd geplaatst, vastgebonden om te voorkomen dat zij er uit zou vallen,. Voorop liep een jongen met een touw de kar te trekken, terwijl Piet hem duwde. Ondanks de wat hobbelige onverharde Duitsekampweg ging dat in een redelijk zij het gezapig tempo. Mevrouw Thomson hield zich kranig vast aan de armleuning en schommelde gewillig mee met de bewegingen van de kar. Totdat. Jawel, totdat er een vliegtuig verscheen. Een Spitfire die de weg onder vuur dreigde te nemen. Paniek alom. De jongens die de kar trokken en duwden, doken geschrokken de naast de weg gelegen greppel in en lieten een schreeuwende en luid vloekende en vastgebonden mevrouw Thomson boven op de kar midden op het pad staan. Het was een hilarisch beeld ware het niet dat het dramatische gevolgen had kunnen hebben. Gelukkig heeft iedereen het overleefd en wat mevrouw Thomson na hervatting van de tocht tegen de jongens heeft gezegd vermeldt de historie niet meer, maar het zal niet vleiend zijn geweest. Nu, later, spreekt Piet van weinig fraai gedrag. De Cantharel, één van de zomerhuisjes, werd betrokken door de blinden en verzorgenden inclusief de familie Davidse. Een magere mekkerende geit verwelkomde de tijdelijke gasten, waarbij haar aanwezigheid ook een tijdelijke bleek te zijn. de volgende ochtend was zij verdwenen.

Piet riep: “ Wout het is de papagaai”

Het was een hele toer om de krappe huisjes bewoonbaar te maken voor meer mensen dan waarop het was berekend. Vrijwel iedereen sliep op de vloer. Zeker, bepaald niet comfortabel, maar je had een dak boven het hoofd en je zat droog en dat was al heel wat na de vijf dagen die ze in de benauwde schuilkelder hadden doorgebracht. Toch zaten ze ook hier niet veilig omdat op korte afstand de spoorlijn onder vuur werd genomen en ze opnieuw gevaar liepen. Intussen was Piet een keer naar een van de andere huisjes gegaan en daar aangekomen zag hij een papagaai in een kooi staan en ook een oude dorpsgenoot, Wout Veldhuizen, ontmoette hij daar. Toen op zeker moment de papagaai het fluitend geluid van een bom nabootste dook Wout onder het struikgewas. Piet riep: “ Wout het is de papagaai”. Luid lachen in die omstandigheden kan dan heel bevrijdend zijn. Voedselgebrek begon zich aan te dienen.

Zuster Do stuurde Piet naar de nabij gelegen Duitse post om brood te vragen. Maar dat was er niet meer was de mededeling waaraan je twijfels kon hebben. Met vader ging Piet eens aardappels rooien waarbij Piet door zijn vader werd teruggestuurd om een mand te halen voor de gerooide aardappels. Met de mand op de fiets werd Piet aangehouden door de Duitsers en overhoord naar de functie van de mand. Piet huilde toen ze aandrongen op een gewenst antwoord. Gelukkig werd hij geloofd toen ze hem herkenden van de brood vragende jongen van een paar dagen ervoor. Veel avonturen beleefd daar rond de Buunderkamp, maar toch kwam op 25 oktober het bevel te moeten vertrekken. Met bussen, vermoedelijk voorzien van een rood kruis, is het hele gezelschap in de nachtelijke uren, in ieder geval toen het donker was, overgebracht naar Bussum. Onderweg in Scherpenzeel kregen allen bij en van Restaurant “de Witte Holevoet” nog een kop warme soep uitgereikt. Veel evacuees hebben, bleek later, de zelfde ervaring opgedaan in Scherpenzeel.

Het gezin Davidse Piet uiterst links 1942

Het gezin Davidse
Piet uiterst links 1942

Het leegstaande ‘Blinden Instituut voor volwassenen’ werd hun nieuwe onderkomen. Kachels waren er wel, maar geen brandstof en dat was in die strenge oorlogswinter ‘44/’45 geen pretje. Piet werd door zuster Do erop uit gestuurd om lege stenen jeneverkruiken en kurken te gaan zoeken in alle café ’s en restaurants die de omgeving rijk was. Het waren ideale warmwater kruiken om de bedden van de blinden te verwarmen. Hoeveel hij er heeft opgehaald weet Piet niet meer. Schoolgaan werd een probleem. Zoals veel jongeren liep ook Piet een Honger werd een acuut probleem. Piet had altijd honger, weet hij nog. Het vinden van een aardappel was een rijkdom waarmee je omzichtig moest omgaan. Stiekem opeten voordat een ander hem afpakte, was het devies. Voor de blinden was alleen nog de beruchte gaarkeuken beschikbaar met de eeuwige koolsoep. Toch hebben allen het wonder boven wonder overleefd. De beroemde voedseldroppings in de buurt van Bussum hebben ongetwijfeld levens gered en de bevrijding tegen de vijfde mei van 1945 was een schitterende belevenis.

Er staat zoveel op het netvlies van Piet dat tweeduizend woorden te weinig zijn om ze beeldend te laten beschrijven. De familie Davidse is er goed doorheen gekomen. Piet heeft de scholen afgemaakt en heeft het leven weer opgepakt. Nu, op zijn vierentachtigste is het een tevreden mens en dat is hem aan te zien.

Gezin Hobe 10-7-1943

Politiebureau Oosterbeek 1944

Het gezin Hobé woonde in 1944 in het Oosterbeekse politiebureau aan de Utrechtseweg vader, moeder, dochter Ans 10 jaar en zoon Henk 8 jaar. De heer Hobé was conciërge van het politiebureau en op woensdagmiddag, donderdag, vrijdag en zaterdag ook badmeester in het gemeentelijk badhuis op de Schoolstraat. Voor de evacuatie was het best moeilijk, de Duitsers gingen Joden ophalen in 1942/43. Mijn vader vertelde later, dat als ze dat wisten, dan werden de Joden gewaarschuwd, wegwezen. Mijn moeder en hulp Gerrie assisteerden ook, ze maakten kantoren schoon. Moeder verzorgde ook het brood voor de arrestanten. Gerrie hielp ook in het badhuis. Op een dag kwam er een bordje op het badhuis: Verboden voor Joden. Er kwam altijd een Joodse fotografe met haar moeder, zij woonde op de Paul Krugerstraat. Mijn vader verstopten hen achter de wasmachine in de keuken van het badhuis, als dat nodig was. Die fotografe heeft ons gezin uitgenodigd in haar tuin, daar heeft ze foto’s van ons gemaakt, die heb ik nog. (deze foto van 10-07-1943 staat boven het verhaal).

ABM voormalig politiebureau (682x1024)  Voormalig politiebureau Oosterbeek
Slag om Arnhem
We moesten tijdens de slag om Arnhem de kelder in. Mijn vader had cokes in de kelder liggen, die was in de aanbouw achter het politie bureau. Op de brokken cokes werden matrassen gelegd. Er kwamen ook agenten bij ons die geen kelder hadden. Het was heel vol, we hebben er wel een week gezeten. Op een gegeven moment kwamen er Duitsers, die zeiden jullie moeten eruit. Er werd besloten dat we zouden blijven, we moesten toen heel stil zijn, mochten niet meer praten, daar werden we heel bang van. Als het rustig was, dan gingen ze boven koken. Bovenaan de trap was een kraan en daar waren toiletten.
Toen we in de kelder van het politiebureau zaten, is er een voltreffer op ons gebouw gevallen eentje links van het torentje en later nog één rechts. Mijn moeder werd op slag doof van de enorme knal, we moesten heel hard tegen haar schreeuwen.

We sliepen boven op de deel op strozakken

Evacuatie
Op een dag moesten we weg. De fietsen werden volgeladen met kleding en dekens, we moesten vreselijk ver lopen. Mijn vader had een groentetuintje en daar had hij konijnen, die heeft hij de vrijheid gegeven. Aardappels werden meegenomen. Op de Dreyenseweg daar lagen veel dode militairen. Mijn vader zei: “Nu moet je voor je uit kijken”. Er liepen veel mensen op die weg. Verder ging het over de Harderwijkerweg, we kwamen in Otterlo, daar werden we doorgestuurd naar Harskamp. We werden geregistreerd in een school en iemand bracht ons lopend naar een boerderijtje. Het was een vrijgezelle boer, zijn nichtje kookte voor hem en deed het huishouden. Die boer was niet blij met ons een gezin met twee kinderen. Alles ging zoveel mogelijk buiten ons om. Mijn vader heeft wel geprobeerd hem te helpen, maar hij kon het daar niet goed vinden. Mijn moeder heeft het onbewust goed verpest. Mijn moeder kookte graag en vroeg het nichtje: “ ik wil ook wel een keer koken”. Zij deden karnemelk in de andijvie stamp, dat vond ik vies. Toen mijn moeder gekookt had, gaf die boer haar een compliment. Het nichtje werd zo boos ze zei: “Zij eruit of ik eruit”.
We sliepen boven op de deel op strozakken. Ik kreeg geelzucht toen kreeg ik een bed van het Rode Kruis, daar heb ik zes weken in moeten liggen.
In de lente werd het bakhuisje schoon gemaakt en woonden we daar. We konden niet naar school die was gevorderd door de Duitsers, we mochten daar niet komen.
We deden ook boodschappen brood kopen met bonkaarten en zo, dan zag je gelijk andere evacues, soms uit Oosterbeek. Zondags gingen we naar kerk, mijn ouders gingen in Oosterbeek zelden naar de kerk, maar nu had je daar ook aanspraak.
Mijn moeder maakte voor mij een katoenen zakje, daarmee ging ik met vriendinnetjes langs de boerderijen voor een paar centen of voor niks kregen we een handvol rogge of tarwe. Onderweg kwamen er weleens vliegtuigen over, die bestookten de Duitsers in kamp “De Harskamp”. Ik was dan erg bang zonder ouders, we moesten dan plat bij de sloot gaan liggen.
Mijn moeder kookte de rogge dan met water, roggebrood, gelukkig geen pap daar rilde ik van.
Mijn vader is een paar keer naar Oosterbeek terug geweest en heeft de koffiemolen meegenomen om de rogge te malen. Ik vroeg mijn vader eens breng je mijn pop mee. Hij zei: ”Kind dat kan niet, want ik heb weckflessen bij me”. Ik stond te kijken of mijn vader al terug kwam, ik realiseerde me nooit dat het fout kon gaan, hij had de pop op zijn stuur vastgebonden. Ze gingen ook wel met meerdere mensen, want je mocht daar niet komen, het was “Sperrgebiet”, zo konden er op de uitkijk staan. Mijn moeder is ook wel eens mee geweest ons hadden ze alleen gelaten. Met de fietsenmaker uit Harskamp heeft mijn vader een fiets in elkaar gezet voor mij, met houten banden.
Er was een modelboerderij in Harskamp, daar waren veel Oosterbekers, daar ging ik spelen met vriendinnetjes. We gingen ook wel stiekem de koeien melken, kwajongensstreek, we hadden niet echt honger, maar eten was mondjesmaat. Mijn oma en twee zussen van mijn moeder zaten in Otterlo. Mijn oma had tien kinderen, ik heb nog een brief die ze hier schreef op 21 januari 1945 aan haar zoon Ed in Groningen. (Red. Zie hier onder een gedeelte uit die brief)
We liepen naar Otterlo en dan mochten we blijven logeren. Daar kwamen die trekkers uit Rotterdam en omstreken op hongertocht, die mochten daar overnachten. Dan lagen we op het stro in de schuur, die Rotterdammers vertelden moppen, dan hadden we veel plezier. Oma werd ziek is naar het noodhospitaal in het Kröller Müller museum gebracht, daar is ze overleden, ze was 63 jaar.
We hadden een klein kacheltje, die werd gestookt met eikenhakhout bij de boerderij vandaan. Mijn vader verstopte zich daar, hij moest werken voor de TODT, loopgraven maken in Veenendaal. Hij wilde daar niet aan mee werken.

ik kreeg van al die jongens een paar sigaretten mee

Bevrijding
We zaten op de deel van de boerderij de meest veilige plaats, er was geen kelder. Er kwam een Duitse soldaat de deel oplopen, hij wilde verstopt worden. Mijn vader zei: “dat kunnen we niet doen, er zijn hier kinderen en er is een boer het is veel te gevaarlijk als er gevochten gaat worden”.
Op een dag kwamen de Canadezen voorbij de boerderij, dat was vreselijk fijn. Mijn moeder ging meteen naar mijn tantes. Mijn vader heeft mij zo gek gekregen dat ik naar de Canadezen ging. Hij zei: Annie wil jij eens naar dat kamp gaan, dan moet je vragen, of je sigaretten mee mag nemen. Ik erheen, ze hadden de grootste lol, ze zeiden ja, maar dan moet jij wel roken, anders geen sigaretten. Ik vond roken helemaal niet leuk, maar daarna kreeg ik van al die jongens een paar sigaretten mee. Mijn vader was er zo blij mee.
De vlaggen gingen wel uit, maar er was geen optocht of zo. In Oosterbeek hebben we op 31 augustus, de verjaardag van Koningin Wilhelmina feest gevierd, er was van alles georganiseerd. Ik kreeg een lange jurk met pofmouwen aan die mijn moeder had gemaakt van verbandgaas. Toen mocht ik op zo’n platte wagen met paarden ervoor het dorp door, prachtig vond ik het.

Terug in Oosterbeek
Wij mochten als één van de eerste terug, want het politieapparaat moest worden opgestart. We waren zo blij, dat we Harskamp achter ons konden laten, het was haast euforisch en de oorlog was afgelopen natuurlijk. Ik weet nog dat er een meisje, het was een moffenmeid werd meegenomen, ze was kaal geschoren en had wat plukken haar, ik vond het vreselijk, vreselijk. Ik wist helemaal niet wat die meiden met die moffen deden.
Van het leger kregen de agenten tenten, die werden op de gaten in het dak gelegd. Wij woonden in het huis achter het politie bureau op de Jan van Emdenweg, in een gedeelte van die grote villa, die is er nog (2017). Links van de voordeur was een kamer en suite, daar is een klas van de MULO op het Zaaijerplein ondergebracht.

Ans en broer Henk 003

Ans en haar broer Henk

 

 

 

Ans en broer en nichtjes002

Ans, Henk en nichtjes

Ik zat op de gereformeerde school bij meester Kaspers op de Schoolstraat. De school van Kaspers was helemaal plat. Mijn vader was doodsbenauwd, want overal lag oorlogstuig. We waren eens wezen zwemmen, toen is er een kind de lucht ingevlogen. Een andere keer een kind een been eraf.

In 1945 werd ik elf jaar, ik kwam in een klas voor kinderen die naar het Lyceum mochten. Examen gedaan toen naar het Christelijk Lyceum in Arnhem met een legerbus, er was nog geen ander vervoer. In de tweede klas bleef ik zitten, van mijn vader moest ik naar de Reijenga MULO. Die was toen op de hoek van de Stationstraat in Quatre Bras.
Ik heb gezien dat de film “Theirs is the glory” is opgenomen op de Weverstraat in 1945.
Een veteraan die bij ons logeerde vertelde dat de Engelse parachutisten een jack met een flap droegen, die ze voor het springen tussen hun benen moesten vastmaken, zodat het jack blijft zitten. Met de terugtocht over de Rijn hielden ze die flap vast van degene die voor hen liep, terwijl er links en rechts van hen werd geschoten door de Engelsen/Polen, als afleidingsmanoeuvre.

Herdenking
De schoolkinderen kregen twee graven te verzorgen na de oorlog, één unknow en één met een naam erop. Er kwam iemand bij ons die zei: Ik heb mensen te logeren, die mevrouw is de moeder van de jongen, waarvan jij het graf verzorgt. Ze willen graag kennis met je maken. Ik kende nog weinig Engels, ik zat pas op het Lyceum. Ik vond het oude mensen, ook hun schoondochter en kleinzoon waren erbij. Het jongetje kon net lopen, die vrouw was zwanger toen haar man stierf. We gingen samen naar het kerkhof, dat waren toen nog van die zandheuveltjes met een wit kruis erop. Ik was eigenlijk angstig, verbaasd, als je 13 bent kun je je nog niet indenken hoe dat is, ik voelde wel dat het heel emotioneel voor hen was.
We hebben later regelmatig Engelse veteranen als gasten gehad, eentje zei eens: “ Ik liep langs de hoofdweg en jullie zaten in de kelder”, dat vond hij heel apart.

Colin Fowler Molly 2004005 Colin Fowler dec 1944004 (591x800)
Colin Fowler en zijn vrouw Molly zijn vaak bij ons te gast geweest (foto 2004). Hij was een jaar of 20 in 1944, hij maakte de terugtocht vanaf het oude kerkje bij de Rijn. Wij zijn ook bij hen geweest in Engeland. We hebben met hen een tocht door Schotland gemaakt. Ze zijn nu overleden. Ik heb nog contact met een dochter.
Ik heb 68 keer de Airborne wandeltocht gelopen en wil dit jaar weer graag lopen. Dat vind ik belangrijk, ik wil blijven herdenken.

Passages uit de brief van mijn oma aan haar zoon in Groningen.

Otterlo, 21 Januari 1945

Beste Ed,

Van de week je brief ontvangen met bonnen, de eerste brief niet ontvangen.
Wij hebben lucifers gekocht voor 9 gulden per pak, 3 pakken. En 10 gulden toe voor 1 mud aardappels, maar we hadden wat. Steeds lopen wij de dorsmachines na voor rogge en krijgen daar nog weleens wat, hier en daar 5 pond en zoo helpen we ons. Kou hoeven we niet te lijden, steeds wordt er hout voor ons aangevraagd.
Hier vliegen steeds V I ’s en laten wel eens een bom vallen. Van de week kwamen hier weer Duitschers ’s nachts aankloppen en gaan dan ook weer weg en vragen om paard en wagen, wat ook verdwenen is. Overal is honger en ellende.
Wanneer zullen wij elkander weer zien, dat vraag ik mij elken dag af en word dan verdrietig. Het duurt ook zoo lang, verder vele groeten van allen en een kusje van Rietje, het kind is ook heel uit haar doen.

Met vele groeten van je moeder
en verdere familie.
Van de week nog paardenvlees gekocht voor 4 gulden per pond, het beest van Fluit was gevallen en meteen uitgepond. Het smaakte fijn hoor.

Dag en tot ziens
hoop ik.

Foto Marijke Koch website

Een bijzondere boerderij

Het dreunende bombardement op de nabij gelegen Willemskazerne schudde de Arnhemse bewoners op de 17de september 1944 wakker en in dit geval ook de onderaan de Apeldoornsestraat wonende familie Koch.
De toen zesjarige, in de Beethovenlaan, geboren Marijke herinnert het zich als de dag van gisteren. Zulke dingen vergeet je niet gauw en zelfs niet als kind van die leeftijd. Vanuit het dakraam heeft zij gezien hoe de vlammen uit de kazerne sloegen.
Ook heeft zij de landingen van de para’s in de verte kunnen zien.
“Met honderden tegelijk daalden ze neer”.
“Allemaal onder de Keldertrap”, was de eerste uitgeroepen reactie van vader Koch tot zijn uit zes personen bestaande gezin en andere familieleden.
Ons gezin woonde namelijk op dat moment in bij een oom en tante met hun pas geboren neefje.
Het was het einde van een ‘rustige’ tijd voor de kleine, zeer onafhankelijke, Marijke die toen soms alleen naar de kleuterschool liep ergens aan de Van Lawick van Pabststraat. Waar precies weet zij niet meer.

De hevige branden en het oorlogsrumoer moeten bij het gezin Koch goed hoorbaar zijn geweest.
De bijna naast het bekende Hotel Bosch gelegen woning gaf een haast onbeperkt uitzicht op wat zich afspeelde achter de woningen aan de Velperbinnensingel waarachter zich de Willemskazerne bevond.
Veel van de ouderlijke zorgen gaan op dat moment natuurlijk aan de zesjarige Marijke voorbij.
“Van gevaar ben je je dan nog niet zo bewust; eigenlijk was het best een beetje spannend, maar toch ook wel angstig met al die bange en gespannen volwassen mensen om je heen”, weet zij nog.
Er gebeurde ineens heel veel in haar omgeving.

Er gebeurde ineens heel veel in haar omgeving

Ook herinnert zij nog dat ze zag dat een groep mensen (soldaten, burgers of joden) onder Duitse militaire begeleiding via de Apeldoornseweg werden afgevoerd.
Achteraf moet je natuurlijk dankbaar zijn dat Marijke ’s vader op dat moment niet op zijn werk was in Heveadorp. Hij zou dan midden in het strijdgewoel hebben gezeten en zijn thuiskomst zou beslist onzeker zijn geweest.
Hoewel het oorlogsrumoer duidelijk hoorbaar was, bevond de ouderlijke woning zich niet echt in gevechtsgebied. Dat lag meer richting Rijnbrug.
Van gevechtshandelingen kan Marijke zich dan ook niets herinneren en dat haar ouders de kinderen daarvoor afschermden was ook duidelijk.
Wat zich tussen de landingen en het bevel tot vertrek uit huize Koch heeft afgespeeld is niet duidelijk meer.
Marijke weet zich wel te herinneren dat er op zeker moment een meneer kwam vertellen dat zij moesten evacueren. Verwarring alom.
Het huis verlaten? Waarheen? Hoe lang?

Het huis verlaten? Waarheen? Hoe lang?

Eén, twee weken misschien? Zo lang zal de bevrijding nu toch niet meer op zich laten wachten?
Zeker is, dat alle fietsen die er waren op zeker moment werden bepakt en bezakt en de deur van de woning werd afgesloten.
Omdat Marijke nog te klein en te onervaren was om de voorgenomen tocht alleen te fietsen moest zij haar mooie fietsje en niet te vergeten haar prachtige pop achterlaten en plaats nemen achter op de fiets van vader.
Van het fietsje en de pop is na de bevrijding niets meer teruggevonden.
In het verleden had de familie Koch een paar zomers de vakantie doorgebracht op een boerderij in de gemeente Rheden en een goede relatie opgebouwd met de boer en zijn vrouw.
En die boerderij werd nu, haast logischerwijs, het einddoel van de tocht.
Rechtstreeks fietsend, de juiste route is Marijke niet helemaal meer duidelijk, werd in vrij korte tijd boerderij Herikhuizen onder de rook van de bekende Posbank bereikt.

Overgenomen uit WIKIPEDIA
Herikhuizen is een voormalige boerderij in de bossen van het Nationaal Park Veluwezoom in de gemeente Rheden in de Nederlandse provincie Gelderland.
Na beëindiging van het landbouwkundig gebruik werd de boerderij begin jaren negentig verlaten, en in 1999 door de eigenaar Natuurmonumenten omgevormd tot een ruïne ten behoeve van flora en fauna. Tegelijkertijd werd een wildobservatiepost gebouwd met zicht op de voormalige boerderij.
De boerderij Herikhuizen en haar bewoners spelen een hoofdrol in het bekende jeugdboek ‘De kinderen van het Achtste Woud’ van Els Pelgrom. (Eveneens in het boek van Herman H.Koch, Marijkes vader: “Marius Blok bij de Tommies”
Einde citaat.

Boer Chris Braakman en zijn vrouw Janna, heetten de familie van harte welkom. “Gastvrije mensen”, weet Marijke nog goed.
Boerderij Herikhuizen was een zeer oude boerderij.
Het stamde nog uit 1365 en was ruim bemeten; kamers genoeg.

Boerderij Herikhuizen 1960

Boerderij Herikhuizen 1960

Allen kregen onderdak waarbij wel genoegen moest worden genomen met meerdere personen op een kamer. Het hele gezin Koch sliep samen op een grote kamer, weet Marijke nog; vader, moeder en de vier kinderen.
Zelfs de bed indeling weet Marijke nog en beschrijft het nauwkeurig. Hoe klein ook en sommige beelden, zoals bekend, kunnen voor eeuwig op je netvlies blijven staan.
Vader Koch had een goede keus gemaakt.
De plek was ver weg van oorlogsgeweld ofschoon Marijke zich een luchtgevecht nog goed kan herinneren toen ze terug kwam van een bezoek aan het ziekenhuis in Velp achter op de fiets van moeder samen met broertje Eric.

Moeder gooide ons in een greppel en ging boven op ons liggen

“Moeder gooide ons in een greppel en ging boven op ons liggen”. ‘Reken maar dat ik bang was’ weet Marijke nog.
“Een van de twee vliegtuigen kwam toen brandend neer”.
Of het een Duits of Engels vliegtuig was, heeft zij nooit geweten.

Als kind(eren) op een boerderij je tijd doorbrengen is geen straf; prachtig zelfs. Er moest nog op een ouderwetse manier op het land gewerkt worden.
Rondom de gebouwen en de bossen was altijd wat te vinden en te beleven. Kortom: mooie en warme herinneringen.
Ook aan voedsel was geen gebrek. Boer Braakman kon prachtig uit de Bijbel voorlezen, weet Marijke nog en zijn vrouw was een gastvrije en ruimhartige kookster; er was altijd genoeg en ook voor de onverwachte hongerige bezoeker. Die waren talrijk in die dagen.

Plattegrond boerderij Herikhuizen

Plattegrond boerderij Herikhuizen

Uit de Kinderen van het Achtste Woud

Uit de Kinderen van het Achtste Woud

Marijke omschrijft de boerderij als een negentiende-eeuws boerenbedrijf; alles werd nog met de hand gedaan. Er waren ganzen, kippen, varkens paarden, koeien en er waren fruitbomen en korenvelden. Er werden suikerbieten verbouwd en er was een bleekveldje om het wasgoed te drogen.
Zij herinnert zich nog een grote dorsmachine, die een paar dagen kwam dorsen (dankzij de Boerencoöperatie, zie: De Kinderen van het Achtste woud van Els Pelgrom).
Veel mensen werden met zakjes rogge door vrouw Janna naar huis gestuurd.
In een bosrijke omgeving wonen, betekent ook hout genoeg voor de grote kachel en dat bracht in die strenge winter veel knusse warmte in de boerderij.
De tijd die zij daar heeft doorgebracht, ziet zij als de gelukkigste tijd van haar jeugd ondanks de heersende oorlog die voor het kind Marijke toen niet echt voelbaar was. De ouders hadden de zorg.
In de buurt van de boerderij is een keer een V1 neergestort. Van de boerderij waren alle ruiten gesprongen en haar broertje lag toen midden in het glas, herinnert Marijke zich nog.
Zij was onder de indruk en bang.
De angst voor die V1’s, die ’s nachts overvlogen was op de boerderij wel erg groot weet zij nog. Tot lang na de oorlog is zij nog bang geweest voor vliegtuigen en onweer.
Een boerderij in die strenge Hongerwinter van 1944/1945 had beslist veel aantrekkingskracht op voedselzoekende mensen, onderduikers en niet te vergeten deserteurs.
Al deze zaken hebben zich zeker afgespeeld onder de ogen van nietsvermoedende kinderen en vermoedelijk ook Duitsers.
Twee oude dames uit Velp met een huiskonijn waren ook te gast. Zoiets vergeet je natuurlijk niet meer.
Vooral dat konijn zal veel aandacht hebben gehad van de kinderen.
Meerdere personen bevolkten Herikhuizen: Mensen waarvan de herkomst en of reden van hun bezoek nooit duidelijk waren voor haar. Maar ja; moest dat dan?
Als kind speel je en gaan belangrijke zaken aan je voorbij. Zeker in de nachtelijke uren zullen activiteiten hebben plaatsgevonden die voor de Duitsers verborgen moesten blijven.
Meehelpen in de huishouding werd voor de kleine Marijke hooguit beperkt tot het drinken van warme melk een geëmailleerd bekertje, weet ze nog.
Haar oudere zus deed veel meer in het huishouden. Zij was het zorgzame type en ging graag met vader over de heidevelden om in Rheden te proberen brood te kopen.
Marijke, voor haar leeftijd behoorlijk onafhankelijk van aard, ging de hele dag op stap met haar jongere broertje Eric en Gerrit, het jongste zoontje van de boer.
Vrouw Braakman noemde haar het moedertje.
Marijke meent zich nog te herinneren dat er een familie Strobosch uit Groningen(?) in huis is geweest. Maar waarom die helemaal uit Groningen naar Rheden was gekomen, heeft zij nooit begrepen.

Boerderij Erikhuizen in 2016

Boerderij Erikhuizen in 2016

Zij weet ook nog van het paard dat, al rondjes lopend, water uit een diepe put omhoog takelde. Het was een waterput met daaromheen een bestrate vloer waarop het dier zijn rondjes maakte.
Er was op zeker moment een aantal Duitse militairen, onder leiding van officieren, ingekwartierd. Waar ze sliepen weet Marijke niet meer. Misschien wel in de schuilkelder die ergens rond de boerderij was uitgegraven.
Eens moesten ingekwartierde Duitse soldaten, jongens nog, onder leiding van enkele officieren voor straf op hun hurken rondjes huppen om de waterput. Dit was een naar en beangstigend gezicht wat veel indruk maakte op de kleine Marijke.
Hoeveel rondjes weet zij niet meer, maar een aantal viel om van vermoeidheid.

Woonhuis 'Het Koggehuys' nr. 10

Woonhuis ‘Het Koggehuys’ nr. 10

De bevrijding was een feest.
“Buiten op de weide werden, door de kleine kinderen, stoeltjes neergezet voor de bevrijders”, weet Marijke nog.
Vader werd tolk voor de Engelsen en zij weet ook nog dat hij in een Engels uniform liep.
Het huis in Arnhem was vrijwel leeggeroofd door de moffen, maar dat waren de meeste huizen in Arnhem. Er werd onderdak gevonden in de Pontanuslaan.

Het huis in Arnhem was vrijwel leeggeroofd door de moffen

Bij de Arnhemse Schoolvereniging maakte Marijke de lagere school af en daarna bezocht zij de herbouwde MMS op de Apeldoornseweg.
Op haar achttiende is zij naar Amsterdam verhuisd en werd Arnhem een verre herinnering.

Een oorlogs-/evacuatieverhaal, gezien door de ogen van een zevenjarig kind, dat zich afspeelde in een van de meest dramatische episodes van de Tweede Wereldoorlog.
Om dan te kunnen zeggen dat het de gelukkigste periode van je kindertijd is geweest, mag je best bijzonder noemen.

Hilda, Rieki en Bart met onze kar

Mijn vader zat in het verzet

Mijn vader zat in het verzet, wij woonden in Wageningen. In september/oktober 1944 verbleven wij: mijn vader Johan v.d. Peppel; moeder Riek v.d. Peppel-Zaaijer; zusje Hilda 12 jaar; zusje Rieki 4 jaar en ik Bart 10 jaar in Bennekom. We gingen dan naar ’t Bos. In dat huis op de Fransekampweg 1 woonden toen; de familie van de Weerd: Gerrit sr.; zijn vrouw Jantje, Gerrit jr.; schoondochter Toos, die op 28 september beviel van zoon Gertje, dochter Jans (Zus) en zoon Niek. Dhr. en Mw. Ledoux. Dhr. en Mw. Limbach. De onderduiker: Geurt Ansink verloofde van Jans. En nog twee verzetsmensen: Jacob Post en Jan Schiedam uit Amsterdam, die daar waren in afwachting van de invasie/luchtlanding. In totaal dus 19 mensen.

Franse Kampweg 1 Bennekom

Franse Kampweg 1 Bennekom

15 september 1944:
’s Morgens maak ik een vlieger, ‘s middags ben ik aan het vliegeren, als er opeens twee Tyfoons naar beneden duiken, ik hol naar de schuilkelder van buurman Peters. Pa is in gesprek met buurman Pauw, plotseling wordt er aangebeld bij Pauw. Pa vlucht en verbergt zich in de boerenkool. Pitha de hond haalt hem op als het weer veilig is. Politie aan de deur, ma zegt dat haar man naar de Noord Oost polder is naar zijn zieke broer.
16 september:
Pa duikt onder in “ ‘t Bos” Fransekampweg 1. De politie komt weer aan de deur om pa op te halen.
17 september:
‘t Is zondag: ma gaat met zus Vossers kleren brengen naar “ ‘t Bos” . Wij kinderen blijven thuis, als er iets bijzonders is moeten we naar de buren Peters gaan.
In de lucht cirkelen groepjes vliegtuigen, wij naar de buren. Plotseling vallen er bommen ten oosten van Wageningen. De oude Peters duwt Hilda en Rieki tegen de muur. Ik hol het land op en val in een bed wortelen, als het gerommel minder wordt ga ik terug. Er stijgt een dikke rookwolk op in het oosten. Ondertussen zijn Ma en Zus op de terugweg naar huis, ze worden van de fiets geblazen op de Hollandseweg, als er bommen op de wijk Sahara en de Diedenweg vallen. Op de hoek van de Brinkerweg staat Jan Versteeg: “Riek, Riek wat is er gebeurd”. Ma vertelt van de bommen op de Diedenweg. Jan springt op de fiets, zijn kinderen zijn bij de fam. van de Lee. We zijn heel verdrietig, want zijn kinderen zijn omgekomen op de Diedenweg. Marieke was mijn vriendinnetje en Jan Versteeg zat in dezelfde verzetsgroep als mijn vader.
Pa had uit het dakraam van “ ‘t Bos”  de bommen zien vallen en kwam direct naar huis. Toen we zaten te eten begon de luchtlanding. Ma ging naar opoe Zaaijer, onderweg sprak petroleumboer Lauwerens haar aan en waarschuwde haar, omdat de vrijgelaten mannen van de razzia weer werden opgepakt, om loopgraven te graven.
Pa ging meteen terug naar “ ‘t Bos” .
Direct na de luchtlanding gingen Gerrit van de Weerd, Jacob Post en Jan Schiedam naar het hoofdkwartier van de Engelsen. ’s Avonds kwamen Gerrit en Jacob terug met een oranje armband om, met zwarte letters stond er ORANJE op en ze hadden elk een Engels geweer. Op “ ‘t Bos”  werd een wachtdienst ingesteld.

18 september:
– Gerrit en Jacob fietsten naar Wageningen, mijn vader en van de Weerd sr. hoorden een vuurgevecht.
– Mijn moeder ging met ons op de fiets naar “ ‘t Bos” . Onderweg zwaar vuurgevecht op de hoek van de oude Bennekomseweg/Diedenweg. Gevecht van Gerrit en Jacob met de Duitse patrouille.
– Geurt Ansink (in blauwe overal met oranjeband) ging vanuit “ ‘t Bos”  naar de Engelsen.
– Toos; Niek; Henk van Zanten, Wietse en mijn vader gingen op weg om de Engelsen te ontmoeten. Ze kregen van de Engelse soldaten tabak en een nieuw Nederlands bankbiljet, wat ze ruilden voor Nederlands geld. Ik heb het bankbiljet met een handtekening van een Engelse soldaat nog.

Geld biljet wat Engelse parachutisten bij zich hadden

Geld biljet wat Engelse parachutisten bij zich hadden

Geruild voor Nederlands biljet

Geruild voor Nederlands biljet.

 
– Pa (Johan v.d. Peppel) en Henk van Zanten (verloofde van Zus Vossers nichtje van de fam. v.d. Weerd) gingen terug naar Wageningen.
- De bekende verzetsman Kees Mulder kwam waarschuwen.
- Niek kwam aan Zus vragen of ze bij de fam. Roskam wilde zeggen, dat Gerrit en Jacob vermoedelijk gevangen genomen zijn.
- We sliepen in de huiskamer, het oorlogsgeweld werd steeds erger, vooral toen de verovering van de brug mislukte en de Amerikanen in de Betuwe zaten. Wageningen kwam onder vuur te liggen.

29 september vrijdag:
We vertrokken weer naar “ ‘t Bos” . Pa heeft de kar ingepakt met o.a. groene zeep, winterkleren en voedsel. We sliepen 1 nacht in een slaapkamer boven, maar het granaatvuur werd te hevig. Alle bewoners gingen in de kelder slapen.
1 oktober:
Wageningen moet evacueren. Pa en Fief Ledoux gingen naar Wageningen matrassen ophalen, de handtas van ma met honderd gulden erin was al gestolen.
v.d. Weerd sr en ik gingen mais binnenhalen, ik moest zes keer plat op de grond gaan liggen, omdat de granaten om mij heen insloegen.

Plotseling kwamen er Duitsers met grote schilden op de borst.

We kregen inkwartiering van Duitsers. Er werd een geschut in de buurt van het huis (“’t Bosch”) geplaatst. De spanning liep behoorlijk op. De Duitsers kwamen in de keuken en namen onze Rieki, met haar mooie blonde pijpenkrullen op schoot. Een hard gelag voor de familie, waarvan een zoon en een a.s. schoonzoon vermist werden.

aan het stuur van de fiets hingen twee konijnen

21 oktober:
Bennekom moest evacueren, wij bleven zitten in “ ‘t Bos”. De Duitsers vonden het goed omdat er water gepompt moest worden, ze zorgden zelfs voor dieselolie.
De fam. Lombach vertrekt. De familie Mathot (bewoners van Sakkara) vertelde ons dat alles ten zuiden van het Hazenpad (nu A12) weg moet; evacueren.
Plotseling kwamen er Duitsers met grote schilden op de borst. We moesten ons opstellen in een rij achter het huis. De geschutscommandant heeft voor ons gepleit, we zaten in het spergebied en dat was strafbaar. Binnen een uur moesten we eruit zijn. Pa ging noodgedwongen een aantal konijnen dood knuppelen. Hij pakte onze kar in. We gingen in een droeve stoet op weg naar Ede. Ik zie het nog voor me, op de hoek van de Franse Kampweg lag een dood paard met de benen omhoog. Eén nacht sliepen we bij oom Rien, maar dat huis zat helemaal vol. De volgende dag verder, op weg naar Blokzijl. We lopen van Ede naar Lunteren Hilda en ik voor de kar aan het zeel. Rieki had een plaatsje op de kar, mijn vader aan de duwboom, mijn moeder liep er naast met haar fiets, aan het stuur hingen twee konijnen. Later trokken we verder via Barneveld, Voorthuizen, Putten, Ermelo. Vanuit Ermelo gingen we met een vrachtauto naar Staphorst. Daarna weer lopen naar Meppel.
We bleven een paar dagen bij de ouders van oom Frans Fabricius. Weer op weg door de stad naar het beurtschip van Doeveren uit Blokzijl. Hilda droeg haar babypop op de arm. Iedereen had medelijden met ons, zelfs de Duitse soldaten. Zij beurden uit medelijden onze kar op het schip. Ik zat op de boeg van het schip. Vlak voor de Sas van Blokzijl zag ik ome Jan op de loswal staan. Ik riep: “daar staat ome Jan” ome Jan is de broer van mijn vader, mijn lievelingsoom. In de sluis werd onze kar afgeladen, een aantal mannen hielpen ome Jan en mijn vader bij het afladen. Eén van de mannen vroeg mijn vader: “waar zijn jullie meubels?” Mijn vader zei: “Dit is alles wat we nog bezitten”. De mannen konden het niet geloven. We gingen naar de familie Ansink. Herman Ansink was erg ziek en het huis was te klein om ons op te nemen. Er werd overlegd met de buren; de familie Tames, we werden liefdevol bij hun in huis opgenomen. We zijn daar tot juli 1945 blijven wonen.

Naschrift:
Pas jaren later werd de ware toedracht van de vermiste mannen in september 1944 bekend:
Op 17 september 1944 om 13.00 uur begonnen de geallieerde luchtlandingen.
In de loop van de middag arriveerden Jan Schiedam en Jacob Post vanuit hun schuilplaats op de begraafplaats, aan de Fransche Kampweg bij de woning van Gerrit van de Weerd sr.
Samen met Geurt Ansink en Gerrit van de Weerd vertrokken de mannen om zich aan te sluiten bij de luchtlandingstroepen.
Geurt en Jan keerden die avond niet terug. Gerrit en Jacob waren ’s avonds weer terug aan de Fransche Kampweg.
Geurt Ansink en Jan Schiedam vielen op 19 september ’s middags om 15.00 uur in de buurt van Het Blindenhuis aan de Wolfhezerweg in handen van Duitse troepen en werden ter plekke gefusilleerd. Pas in augustus 1945 kreeg de familie de zekerheid dat Geurt en Jan gefusilleerd waren. Geurt Ansink en Jan Schiedam zijn begraven op de Bijzondere Begraafplaats van de psychiatrische inrichting Wolfheze.
Jacob en Gerrit waren later die avond weer terug, getooid met een stengun en een armband van de BS, ontvangen van de Engelsen om bij eventuele gevangenneming aangemerkt te worden als krijgsgevangene.
In de vroege ochtend van 18 september 1944 vertrokken Gerrit en Jacob bewapend vanaf de Fransche Kampweg in Bennekom. Ze fietsten door het bos richting Wageningen en werden al in het bos ingesloten door een Duitse patrouille. Na een hevig vuurgevecht werden ze gearresteerd door de Duitsers en werden ze opgesloten in de plantenkas van Ansink aan de Keijenbergseweg.
Later die dag werden Jacob Post en Gerrit van de Weerd op een open vrachtwagen via de Hoogstraat de Wageningse Berg opgereden en achter de watertoren gefusilleerd.
Tien jaar later werden de lichamen van Jacob Post en Gerrit van de Weerd gevonden.
Hun begrafenis vond plaats op 26 juni 1954 op de algemene begraafplaats Wageningen.

Bart van de Peppel 2015

  Bart van de Peppel 2015

1936 Van de Weerd, Riek, Mw. v.d.Peppel, Bart

1936 Van de Weerd, Riek, Mw. v.d.Peppel, Bart

 

Klok v tante Mien (2) (855x1280)

Vanuit onze serre zagen we de bombardementen op de watertoren en de spoorbrug

De eikenhouten klok slaat 12 slagen met een mooie heldere klank, de klepel is van glanzend geel koper, de cijfers zijn wat vervaagd, die klok heeft heel wat meegemaakt. De klok is meegenomen met de evacuatie uit Oosterbeek. Mijn moeder is in begin 1940 getroffen door een hersenbloeding, ze werd daardoor verlamd, ze zat in een rolstoel, we namen de klok mee op de voetenplank. In 1944 woonden we op de Emmastraat in Oosterbeek, op de bovenverdieping, de onder verdieping hadden we verhuurd. Mijn moeder had in Arnhem een kruidenierswinkel gehad. Mijn vader en mijn broer werkten bij de ENKA aan de Velperweg in Arnhem. Zij waren al naar Drenthe gevlucht.

Ik verzorgde mijn moeder en deed de huishouding, er kwam wel een zuster, om haar te wassen en aan te kleden. Daarnaast werkte ik bij Wim Smit van de Limonadefabriek aan de Molenweg, ook in de huishouding.
Wij hadden boven een grote glazen serre en keken uit over de Betuwe, ook konden we de watertoren op de Molenweg zien. Daar onder had je die limonadefabriek van Smit. Die watertoren is weggebombardeerd. Mijn familie woonde toen nog op het Stenenkruis.
De spoorbrug over de Rijn richting Duitsland werd geregeld gebombardeerd, dat konden we dan zien. ’s Avonds was de serre helemaal bedekt met zwart papier, zodat ze niet konden zien dat we boven zaten. De elektriciteit deed het nog wel, we deden ’s avonds spelletjes.
Mijn moeder droeg ik de trap op, ik was een meisje van zestien/zeventien jaar en dat was zwaar, want ze gaf niks mee. Dan hadden we een houten blad, daarmee kon ik haar in bed helpen. In de evacuatietijd deed ik dat ook, want ze rekenden niet op een rolstoel natuurlijk. Ik pakte haar bij de nek en de bovenbenen en droeg haar de trap af, ik was de enige die dat kon.

We hadden boven een kachel, die stookten we met hout. Ik zal je vertellen, ik heb heel wat bomen omgezaagd, dat moest je stiekem doen, anders kreeg je een kogel door je lijf. We hadden een wagen, daar deden we die stukken hout op en met een hakbijl moest je dat stuk maken. We stookten alleen hout, want kolen waren er niet.
We hadden eten genoeg, mijn moeder had net de winkel aan de kant gedaan, door die beroerte.
We hadden in Arnhem eerst een winkel aan de Rijnkade, later aan de Vossenstraat. Voordat ik naar school ging, moest ik naar de grossiers toe om koffie, thee en snoeperij te bestellen. We hadden een grote winkel, een goudmijntje, er waren vier scholen omheen. Ik zat toen op de Weverstraat op de katholieke St. Aloysiusschool.

Eind september met de evacuatie zijn wij lopend via Bennekom naar Driebergen gegaan. Mijn moeder zat in de rolstoel, die ik duwde en naast ons liep mijn vijf jaar jongere zusje Rietje. We hadden niks te eten, niks te drinken. Wij zaten in Driebergen bij een mevrouw die alleen woonde. Ook in Driebergen hebben we hout gezaagd, er was niks. We zaten dicht bij de kachel. Kleding kregen we van het Roode Kruis, dat hadden we niet meegenomen. Die mevrouw waar we waren, had gelukkig een groentetuin, daar konden we nog wat uithalen. We hadden ook dingen vanuit de winkel meegenomen: suiker, meel en zo. We zijn vanuit Driebergen ook eens terug gelopen naar Oosterbeek om dingen op te halen zeep b.v. Onderweg hebben we een nacht bij een boer geslapen, geen mof gezien, wel gingen er V1’s of V2’s over. Nou kijk, mijn moeder had nog rogge en tarwe, dat stond allemaal in ons huis, maar dat moest je stiekem meenemen, de moffen moesten dat niet zien, dan kreeg je een kogel door je lijf heen. Er was ook beddengoed. Mijn moeder kocht dat bij Steijger Romé in Arnhem, dat was een goederenzaak, daarvan had ze veel lakens en slopen in huis. Ik ging daarmee naar de boeren, ruilen voor eten; spek of boter of kaas.

Toen de oorlog uitbrak is mijn vader met mijn oudere broer Leen naar Drenthe verhuisd. Leen had verkering met een schooljuffrouw en bij haar vader, die boer was, waren zij in huis. Via het Roode Kruis kregen we te horen, dat hij daar zat. Wij werden na een verblijf in Driebergen, door het Roode Kruis naar mijn vader en broer in Drenthe gebracht. We woonden daar in een vakantiebungalow van een Amsterdamse onderwijzer.

’t Was een hele koude winter en veel sneeuw. De Eeserbrug was soms dicht, wij konden er nog net over. We werden beschoten door vliegtuigen. We woonden in Eesergroen, een gehucht.
We woonden midden tussen de boeren; melk, eieren en boter, alles zat. Ik ging ook wel bij de boeren werken, afwassen of ramen zemen, in ruil voor eten, hetzij melk of tarwe. Honger hebben we nooit geleden, echt niet. En kou? De kachel konden we goed stoken met hout. In een groot stuk bos wel 5 km lang, achter ons huis, daar zaten moffen, zij deden niks. De NSB’ers dat waren vuillakken, die zouden je zo verraden.
En wanneer zijn jullie teruggegaan?
Heel laat in augustus of zo. We zijn toen opgehaald door het Roode Kruis met een soort veewagen, veel ander vervoer was er niet. Wij kregen een huis waar NSB’ers in zaten, die moesten eruit. We kwamen terecht op het Geelkerkerkamp, daar hadden ze noodwoningen neergezet. Het waren houten noodgebouwen met vloeren van beton.
Wij hebben daar met plezier gewoond. Ons eigen huis wat mijn moeder gekocht had, was helemaal platgegooid, er stond geen steen meer overeind. Toen alles achter de rug was, konden we wel opbouwen, maar toen was dat zo’n kostbare zaak. Wij konden niet terug naar ons eigen huis, dat was voor ons veel te duur. Een zeeman, die heeft het gehuurd.

Mijn vader werkte toen op de Klingelbeek, daar woonde vroeger mijn opoe, die hadden een hele lap grond achter het huis met groente en fruit met hele grote blauwe pruimen.

Naschrift
Hoe de oorlog voor ons begon.
Begin 1940 heeft mijn moeder die hersenbloeding gehad. We hoorden in mei van de Duitse invasie toen ben ik met de buurman, ik op de step, naar de Rijnkade gegaan, want toen is de brug in de hoogte gevlogen, die hebben ze opgeblazen. Ik ging op de step terug naar de Emmastraat in Arnhem, ik zag al die lijken, die waren in het water gerold.
Daarna heb ik die grote etalageruit helemaal beplakt met papier, zodat hij niet in gruzelementen zou vallen. Hij is wel heel gebleven. Toen ik die ruit beplakte zag ik vrachtwagens voorbij komen met bovenop die lijken op weg naar de Steenstraat.
De voorraad raakte wel wat op, want er was geen toevoer meer en alles was op de bon. Toen had je ponden, nu heb je kilo’s.

Mien Huibers-Derkesen

Mien Huibers – Derksen 2016

Petroleum en braadolie was los, de mensen namen een kannetje mee of wij deden het in onze flessen, van een halve of hele liter. Je had grote, groene petroleumstellen, daar stond het eten op te sudderen.

Piet de Booys website

Toen geluk heel ongewoon werd

Gezamenlijk herinneringen ophalen aan toen is een bezigheid die tot genoeglijke uurtjes kan leiden. Zet twee oude Arnhemmers bij elkaar en laat de verhalen dan maar komen. ‘Toen’ wordt dan weer een levende periode waaraan je je kunt laven, maar ‘toen’ is ook een periode met emotionele en dramatische herinneringen; de reden van mijn bezoek aan Piet J. de Booys.

Het enorme gedreun van de eerste ontploffende bommen op de Willemskazerne, op een steenworp afstand van Piets woonhuis aan de Jansplaats, luidde wat hem betreft de slag om Arnhem in.

Eerste vluchtelingen in de Jansstraat

Eerste vluchtelingen in de Jansstraat

Naar aanleiding van de vluchtelingen en de grootschaligheid van de landingen kreeg Piet van zijn vader een camera in de handen gedrukt met de opdracht: “Fotografeer alles wat je ziet”.

Fotografeer alles wat je ziet

De toen zestien jarige Piet fotografeerde vanaf de woonverdieping, boven de fotowinkel van zijn ouders, onder andere de in de richting van het Willemsplein passerende vluchtelingen in de Jansstraat.
Opvallend aan die foto is dat het uitsluitend vrouwen zijn die met kinderen en hun hebben en houwen de vlucht nemen. Een detail dat bij de jonge Piet jr. op dat moment nog geen vragen deed oproepen.
Waar zijn de mannen? Vrijwel zeker zullen ze ondergedoken zijn geweest, of door de Duitsers gevangen genomen en gedwongen tot arbeid. Wie kan daar nu nog antwoord op geven?
In ieder geval waren dat vragen waar de jonge Piet zich op dat moment niet mee bezig hield. Hij fotografeerde vanuit de bovenwoning de eerste dramatische beelden van de stad ‘Arnhem in verwarring’.
Het zijn de eerste foto’s van Piet jr. in het bekende fotoboek van P.R.A van Iddekinge met de titel ‘Door de lens van de Booys’ die daar al duidelijk blijk van geven.
Echte oorlogshandelingen speelden zich niet af in de directe omgeving van de Jansplaats/Jansstraat.
Hoorbaar was het natuurlijk wel. De strijd speelde zich hoofdzakelijk af onderaan de Weverstraat en de Oeverstraat, gezien vanuit zijn ouderlijk huis.
De stromen vluchtelingen uit het centrum en de omgeving dichter naar de Arnhemse Rijnbrug namen wel toe. Veel beelden daarvan hebben vader en zoon de Booys kunnen vastleggen ook al was dat door de Duitse bezetter streng verboden. Maar ja, je hebt een fotohandel dus ………………
Toch kwam ook hier het bericht dat de binnenstad moest worden geëvacueerd. Piet denkt dat dat rond de twintigste september was.

Evacueren
In de Zandboersteeg, in de hoek van de Jansplaats, werd een paard (Cora!) en een wagen georganiseerd waarop zoveel mogelijk hebben en houwen werd geladen.
Vader nam met zijn camera natuurlijk ook zoveel mogelijk onbelichte films mee uit de winkelinventaris.
Veel moest worden achtergelaten en kwam helaas in rovershanden terecht.
Van een goede kennis kreeg Piets vader een autoradio mee met accu die hij onder de spullen op de wagen verstopte.
De stoet, met inbegrip van Piets zus Nel en de inwonende grootouders, zette zich in beweging richting Cattepoelseweg waar onderdak werd gevonden.

Gezamenlijke keuken in het openluchtmuseum

Gezamenlijke keuken in het openluchtmuseum

De opa en oma van Piet werden in het Openluchtmuseum ondergebracht waar in totaal zo’n zeshonderd Arnhemmers hun toevlucht hadden gezocht.
Veel werden er in de Zaanse huisjes ondergebracht, maar de directie was zeer bezorgd omdat het koken op allerlei geïmproviseerde potjes brandgevaar opleverde.
In die periode lukte het vader de Booys om via een bevriende relatie papieren en een armband los te peuteren om als ‘waterleiding monteur’ met een gereedschapstas (waarin zich zijn camera bevond) de verlaten stad te bezoeken en zijn nu beroemde foto’s te maken van de plunderende horde Duitsers.
Het verblijf op de Cattepoelseweg duurde niet zo erg lang. Het gezin verhuisde naar het Openluchtmuseum, waar opa en oma al verbleven.
Omdat het ook daar niet meeviel om samen met zo’n zeshonderd andere Arnhemmers de dag door te brengen, werd uitgezien naar een andere woning en die werd gevonden in de Mauvestraat nummer 50.
Het huis stond leeg. De eigenaar was geëvacueerd en Piet herinnert zich dat het een klant is geweest van zijn vader.
Natuurlijk was dat een idealere uitvalsbasis voor Piets vader om de stad te verkennen als ‘waterleiding monteur’.
Piet vertelt ook van de buurman, meneer Kabel, die hem eens vroeg wat aardappelen te rooien op de Kattenberg aan het eind van de Bakenbergseweg. Het was onduidelijk of er nog wat in de grond zat.
Tot grote vreugde van de oude heer, hij moet toen minstens tachtig zijn geweest, keerde hij met een volle kruiwagen terug. De hele familie zal wel in de feestvreugde hebben gedeeld.
Aardappelen, dat was wat in die dagen!

Aardappelen, dat was wat in die dagen

Er kwam een moment dat Piets vader het nodig en veiliger ook om Arnhem te verlaten. De voorraad films was op en er viel op dat moment dus niets meer te fotograferen.
De schamele spulletjes moesten weer worden opgepakt en over de Schelmseweg werd richting Velp gelopen. Velp was niet geëvacueerd, dus daar kon wellicht onderdak worden gevonden bij particulieren.
Zij kwamen terecht in de Heemskerklaan.
Piet herinnert zich een prachtig pand met een rieten dak. Het behoorde een of andere rijke familie toe. Hij weet nog dat de vrouw des huizes een zware rookster was, de echtgenoot rookte niet. Eigenlijk wel gek dat je je zulke onbelangrijke dingen nog herinnert.
Piet vertelt dat de aankomst bij deze woning nogal problematisch verliep.
De vrouw opende de voordeur en zag daar een verfomfaaid stelletje (in haar ogen tenminste) vagebonden voor de deur staan.
“De man en zijn vrouw beoordeelden ons en zo te zien het zag er niet goed uit tot dat hun zoon Patrick mijn vader herkende en uitriep: “Oh, maar dat is meneer de Booys van die fotozaak uit de stad”.
Nou, toen ging meteen de deur open.
Een van die kleine momenten die je nooit vergeet.
Vader had, herinnert Piet zich, een verlichting gemaakt door met een schoepenradje op de waterleiding een dynamo aan het draaien te krijgen waarmee dus elektriciteit kon worden opgewekt en een piepklein lampje ’s avonds toch nog voor wat verlichting kon zorgen.
Om aan hout te komen voor de kachel liep Piet het nabijgelegen bos in om boompjes te zagen. Die houtvoorraad werd al gauw door menig Velpenaar ontdekt. Het bovenste deel van de Rozendaalseweg, vanaf de Schelmseweg tot aan de in aanbouw zijnde brug van de latere A12, is toen behoorlijk uitgedund.
Bij een van de tochten, die Piet met zijn vader door Velp en de omgeving maakte, kwamen zij terecht bij een bevriende fotohandelaar in de Hoofdstraat van Velp. Deze bleek vader nog
aan wat films te kunnen helpen, zodat nog veel zaken konden worden vastgelegd op de gevoelige plaat, zoals ze dat toen nog zeiden.
Piet herinnert zich dat boven Velp een V1 rondcirkelde en daar uiteindelijk ook neerstortte. Waar precies weet hij niet meer.
Hij spreekt ook van ‘Nevelgranaten’, die ook veelvuldig op Velp terecht kwamen. Boven op de zolder van de Velpse fotograaf kwam ook zo’n ding terecht en de jongens zijn, stoer natuurlijk, naar boven geklauterd om te kijken. De granaat werd gauw uit het zolderraam gegooid, waarmee de jongens natuurlijk een behoorlijk risico liepen, maar daar ben je jong voor.

Piet jr. op een Canadese weapon

Piet jr. op een Canadese weapon

Wie die dingen afgeschoten heeft weet hij niet. Het kunnen de Canadezen geweest zijn, want vlak voor de bevrijding van o.a. Velp werd het dorp door de zware artillerie eerst fors onder handen genomen.
Het leverde behoorlijk wat schade op.
Op 4 april, denkt Piet, was de bevrijding een feit. Tanks en Canadees oorlogsmaterieel kwamen Velp binnenrollen en je keek als jongen je ogen uit naar al die tanks, pantserwagens en bren carriers.
Erop klauteren en als het even kan een stukje mee rijden was een uitdaging.
In ieder geval leverde het een mooie herinneringsfoto op die vader de Booys van zijn zoon mocht maken.
De Booys fotohandelWeer thuis komen in Arnhem, leverde een trieste aanblik op: De winkel was beschadigd en zwaar geplunderd.
Maar ja, welke winkel heeft datzelfde lot niet ondergaan? In ieder geval konden vader en zoon weer aan de slag.
Piet heeft de scholen afgemaakt en later in de winkel nog vele jaren de naam van de zaak in Arnhem hoog gehouden.
De oorlog en de winkel zijn nu een verre herinnering geworden.

Thea Bouhuijs website

Onvermoeibaar

Hoewel de binnenstad van Arnhem een eindje van de Molenbeekstraat nummer 4 verwijderd was en de strijd op die zondag de zeventiende september zich daar voornamelijk afspeelde, kreeg ook de speelomgeving van de toen dertienjarige Thea het nodige te verduren. Bommen op Klarendal, de Hoflaan en omgeving Prumelaan, lieten aan akoestische deelname aan de strijd niets te raden over. Met vader, moeder, haar jongste broertje Wimmie, plus nog eens twee nichtjes, zat zij onder de trap het eind van de bombardementen af te wachten. Pas daarna kon de schuilkelder in de tuin worden opgezocht.
Nadat het wat rustiger was geworden, werd de straat buiten verkend en zag Thea de ravage die de luchtdruk van de bommen had teweeg gebracht. De straat was bezaaid met glas, puin en splinters.

De straat was bezaaid met glas, puin en splinters

Alles moest worden weggeveegd door de buren die meteen waren begonnen de ramen met hout en karton dicht te spijkeren.
“Toen er weer luchtalarm was, zijn we de schuilkelder, maar nu in de tuin, in gegaan tot het in de lucht weer rustig was geworden”, vertelt Thea.
Vader Bouhuijs was weggeroepen door het Rode Kruis en bleef lange tijd weg. Zijn verhalen na terugkomst waren niet bemoedigend. Het zag er niet goed uit in de stad. Hij had veel gewonden moeten verzorgen en/of moeten transporteren naar het ziekenhuis.
Inmiddels waren ook enkele mensen bij ons binnen gekomen, die gevlucht waren uit de omgeving van de Hoflaan. Hun huis was zwaar getroffen en de vrouw had een scherfje in haar borst gekregen. Zij was hevig ontdaan en had medische hulp nodig.
Als dertienjarige, zoals alle dertienjarigen, was Thea natuurlijk een nieuwsgierig kind en de eerste de beste kans die zij kreeg, ging zij op onderzoek uit in de omgeving. De Hoflaan was zwaar getroffen. De huizen en winkels van vriendjes uit de buurt waren platgebombardeerd. Thea kan de namen nog noemen van de winkels die zich daar bevonden.

Andere kinderen hadden meer geluk. De dertienjarige Thea Bouhuijs woonde net ten zuiden van de Menno van Coehoornkazerne in de Molenbeekstraat, waar haar ouders Willem en Dora een stomerij en stoffenververij hadden. Thea’s eerste reactie op de aanstaande luchtaanval was geen angst maar puberale opwinding en verwondering toen de zogenoemde ‘window’ begon te vallen, dunne reepjes zilverpapier die door de geallieerden werden uitgeworpen om de Duitse radar te blokkeren. Thea stond op de hoek van de Velperweg en de Hoflaan en rende op en neer om de vreemde, glimmende papiertjes te verzamelen. “Het was een ochtend met een prachtige, helderblauwe lucht en wij, kinderen, zagen plotseling allemaal zilveren dingen uit de lucht vallen. We hadden het nooit eerder gezien, en vanwege de oorlog hadden we ook nog nooit zilverpapier gezien. We probeerden het allemaal op te rapen, zonder te weten wat het was. Het mooie zilverpapier kwam zomaar uit de lucht vallen. Er waren brede, lange en smalle stroken bij, allemaal verschillende lengtes waarvan je iets kon maken. Dat is een heel bijzondere herinnering voor mij. We stonden op de Velperweg, waar de bommen zouden gaan vallen. Plotseling klonk het luchtalarm en we renden zo snel mogelijk naar huis. We waren nog maar net binnen toen de eerste bommen vielen. Mijn moeder ging met de kinderen in de schuilkelder achter in onze tuin zitten. Mijn vader vertrok om de slachtoffers te verzorgen”.

Fragment uit: De verschrikking van de nacht van: Tony Sheldon

De Molenbeekstraat bevond zich op enige afstand van de binnenstad, maar dat het er daar heet aan toeging was goed te horen. De oorlog was wel heel erg dichtbij gekomen.

De oorlog was wel heel erg dichtbij gekomen

Er werd niet meer gebombardeerd, maar de Engelse vliegtuigen boven de stad gaven wel aan dat de strijd nog lang niet was gestreden. Genoeg redenen om voorzichtig te zijn op de grote wegen waar zich ook Duitse soldaten bevonden en dus doelwit voor de Engelse jagers waren.
Thea heeft op dertienjarige leeftijd met een potlood een dagboekje bijgehouden dat nu voorzichtig, in een plastic hoesje beschermd, een plek heeft gevonden tussen alle Airborne herinneringen in. En dat zijn er vele.

Vluchten
Zo staat er onder andere in dat er op zondag de vierentwintigste september geruchten waren dat ze moesten evacueren. ’s Middags werd inderdaad een gehuurde handwagen opgeladen en met opoe en opa er bovenop werd de tocht naar Velp ondernomen waar een oom van Thea een pension had gevonden dat, in ieder geval voorlopig, onderdak kon bieden.
Gebrek aan voedsel was natuurlijk een probleem waar de vele vluchtelingen, die naar Velp waren gegaan, mee te maken kregen. Thea vertelt van de slimme manier om toch wat extra’s te krijgen voor de grote familie die samenwoonde in het pension: In de rij staan voor brood en je daarna vermommen en opnieuw in de rij gaan staan. Je houdt dat natuurlijk niet lang vol, maar een aantal keren is het toch gelukt.
Thea vertelt van een Engels vliegtuig, zij noemt het ‘een Tommy’, dat in de Kerkallee op een huis is gestort en dat daardoor volledig was uitgebrand.
Het verblijf in Velp is, in Thea ’s geheugen, er één geweest van dagen die voorbijgaan.
Kinderen spelen, onder welke omstandigheid ook, altijd wel hun spelletjes. De zorgen zijn zoals het hoort bij de ouders en die waren er dan natuurlijk ook.
Er kwam een moment dat ook uit Velp geëvacueerd moest worden. De gemeente kon de grote hoeveelheid vluchtelingen niet meer aan en dat was vermoedelijk ook de reden.

Molenbeekstraat 4 te Arnhem

Molenbeekstraat 4 te Arnhem

Op een regenachtige dag, dinsdagmorgen 3 oktober 1944: Aankleden!
Warme kleding werd aan gedaan en de handwagen werd opgeladen. Thea praat over twee wagens, een handwagen en een bakfiets die door Thea’s moeder en zijzelf werd gereden. Het was moeizaam duwen met die zware wagens tegen de berg op schrijft zij en dan ook nog met de grootouders er bovenop, die onder het zeil zaten in verband met de regen.
Een troosteloze stoet mag je wel zeggen. Een van de heel veel op dat moment.
Via de Emmastraat en de Rozendaalselaan naar de Schelmseweg, dan linksaf naar de Amsterdamseweg waar zij zag dat het restaurant de Leeren Doedel geheel was uitgebrand.
Bij ‘Planken Wambuis’ werden de op de weg lopende evacuees door het Rode Kruis voorzien van koffie (of wat daar voor door moest gaan). Daarna ging het over de met oorlogsmaterieel bezaaide Ginkelse Hei.

Nassaulaan 22 te Ede; evacuatieadres familie Bouhuijs

Nassaulaan 22 te Ede; evacuatieadres familie Bouhuijs

Waarheen?  Naar Ede. Een garnizoensstad met veel kazernes, die de aandacht van de Engelse vliegtuigen natuurlijk nadrukkelijk vroegen. Veel bombardementen dus.
Er woonde familie in Ede en een doodvermoeide familie Bouhuijs kwam na veel zoeken aan in de Nassaulaan nummer 22. Het huis had, zagen ze bij hun aankomst, veel schade opgelopen door een paar bommen die in de buurt waren gevallen. Maar het was nog bewoonbaar.

Geëvacueerd
Oom Bertus en tante Jo haalden het armzalig verregende groepje mensen gastvrij binnen en maakten de kachel aan om ze wat op te warmen na die vermoeiende tocht.
Het lukte niet om allen onderdak te geven, maar bij kennissen kon nog ruimte worden gevonden.
Achttien man onder één dak!

Achttien man onder één dak

Een lintje voor Oom Bertus en tante Jo!
Hoewel karig was er toch elke dag wel iets te eten voor achttien man. Thea schrijft ergens dat zij zich tegoed heeft gedaan aan erwten, aardappelen en vlees.
Waar dat vandaan kwam weet ze niet.
Dat vraag je je als kind niet af, maar de ouderen zullen zeker ‘op pad ‘ zijn geweest om voor zo ’n groot gezin het noodzakelijke aan levensmiddelen binnen te halen.
Met brandhout was het een ander verhaal.
Veel bomen hebben in die tijd, clandestien, het loodje gelegd. Thea en haar vader hebben samen behoorlijk wat hout moeten zagen om het huis warm te houden en om vuur te hebben voor het fornuis, want er moest tenslotte ook gekookt kunnen worden.
Een carbidlamp zorgde ’s avonds voor de nodige verlichting.

Een carbidlamp zorgde ‘s avonds voor de nodige verlichting

Distributie stamkaart van Thea Bouhuijs

Distributie stamkaart van Thea Bouhuijs

Thea was een nieuwsgierig kind dat graag het naadje van de kous wil weten.
Veel herinneringen borrelen naar boven tijdens ons gesprek waarbij haar familie uitgebreid wordt toegelicht.
Ooms, tantes, neefje, nichtjes, heel veel passeert de revue.
Hun belevenissen gedurende de oorlogsjaren, waarvan Thea ook deel uit maakte, worden uitvoerig in haar dagboekje beschreven.
Een dagboekje dat te zijner tijd zeker zijn weg naar het Airborne Museum zal weten te vinden.
Een opmerkelijk feit is, dat reeds voor de oorlog distributie stamkaarten werden uitgegeven aan de bevolking.
Thea toonde de, op haar naam (zij was acht jaar op dat moment) staande, kaart die in de septemberdagen van 1939 is uitgegeven.
Als informatiebron heeft het Airborne Museum in Oosterbeek het volgende gegeven boven water gekregen.

Citaat:
Volgens schrijver Lou de Jong werden in de lente van 1939 de voorbereidingen getroffen voor het invoeren van een systeem van distributie. Het begon met op grote schaal uitgeven van de distributie stamkaart.

N.B.
In 1937 werd al een Rijksbureau, ter voorbereiding van de voedselvoorziening in oorlogstijd, opgericht.
Maar ook de crisisjaren van toen zullen van invloed zijn geweest op de noodzaak tot rantsoenering van levensmiddelen.
Er is veel om over na te praten. Vroeger, de zonnige vooroorlogse jaren en een zorgzame vader die zijn bedrijf Stomerij en Ververij ‘Rammelweide’ met succes op de Steenstraat exploiteerde.
De Padvinderij, waar Thea een verwoed liefhebster van was en waar zij het tot Akela schopte, heeft altijd haar liefde gehad.
Zeker de naoorlogse jaren waren vol van opbouwdrift.

Thea Bouhuijs in 1935. Vader kijkt toe.

Thea Bouhuijs in 1935. Vader kijkt toe.

Trauma’s heeft Thea er niet aan overgehouden. Een beschermde jeugd zal daar zeker aan hebben bijgedragen. Vader, moeder en broer Wimmie hebben het overleefd en een nieuwe toekomst gloorde.
Thea ging naar de MMS op de Apeldoornseweg en kwam in het onderwijs terecht.
Ongeschonden de oorlog doorgekomen?
Wij wel zegt Thea, maar een broer van mijn moeder is overleden toen hij zijn evacuatie adres in Beekbergen had gevonden. Hij woonde in Arnhem Zuid toen ‘het gedonder’ begon. Hij vluchtte eerst naar Huissen en is daarna met een kruiwagen volgeladen, over de inmiddels vrijgegeven Rijnbrug, met zijn vrouw naar Beekbergen gelopen. Een zware tocht.
Bij aankomst is hij aan een hartaanval overleden. Negenenveertig is hij geworden.
Je mag dat best dramatisch noemen om indirect slachtoffer te worden van de oorlog.
Thea, vierentachtig nu, kijkt terug op een woelige tijd waarvan zij voor het Airborne Museum te Oosterbeek veelvuldig verslag doet aan jeugdigen om de herinnering levend te houden. Het is bijna een dagtaak geworden.
Thuis stil zitten?
Dat is niks voor Thea Bouhuijs!

 

 

                            

 

 

Stien van Benthem met broertje Jan Bevrijdingsfeest

Ik had zo’n honger, zo’n honger samen met een vriendje hebben we brood gejat.

In 1944 was ik twaalf jaar, we hebben een vreselijke tijd gehad gedurende de evacuatie. We moesten steeds verder trekken, terwijl mijn moeder ernstig ziek was. We gingen met ons vijven; mijn vader, moeder, mijn broertje van zeven en mijn babybroertje Jan, 9 maanden oud en ik. Zelfs nu ik 83 ben, droom ik er nog wel eens van.

Heel Arnhem was een hel ‘s morgens 17 september 1944. Op de Klarendalseweg hebben ze de kazerne flink te pakken gehad, ook die kazerne bij restaurant Royal. Toen kwam het zo dichtbij, de tanks die door de straten reden, we zijn dus de kelder ingegaan. De buren hadden een kolenzaak, zij hadden een hele grote kelder, daar hebben we met een heel stel mensen gezeten. Ze hadden een heleboel weck. Zij hadden kolen, brandstof dat kon je ruilen. Kruidenier Kievit bij ons in de Akkerstraat, die heeft alles wat in zijn winkel stond uitgedeeld. Mijn opoe had bruine bonen in het water gezet, toen ze terug kwam van de evacuatie stond er heel hoog schimmel op.

Die stukjes papier met dat randje vuur, die dwarrelde naar beneden, dat was wel angstig.

Na een paar nachten bij buurman Anneveld in de kelder, gingen mijn vader en de buurman buiten kijken, boven aan de weg, vlakbij stond een tank. We konden de kelder niet uit. De volgende dag was die tank weg, we liepen vlug naar opa en oma op de Koolstraat, het was een chaos op straat, alle mensen liepen door elkaar, iedereen zocht zijn familie. Want overal waren grote plakkaten opgeplakt, dat we weg moesten. We zijn dus vertrokken, ik was helemaal niet bang, gek hè.
Ik voelde me verantwoordelijk, moeder ziek en een baby.
Ja, wat ik wel vreselijk vond, Arnhem brandde hè en zulke kleine stukjes papier, daar zat overal een randje vuur aan (ze wijst postzegelgrootte aan), die dwarrelde naar beneden, dat randje vuur, dat was wel angstig.
We zijn geëvacueerd richting Apeldoorn. We moesten lopen met een witte lap op een stok, maar die grote vliegtuigen, die kwamen heel laag over. Bij de Woeste Hoeve werden we opgewacht met paard en wagens, we zijn afgeslagen richting Loenen. We moesten heel voorzichtig rijden, want aan weerszijden van de weg lagen projectielen. Die moffen liepen voor de paard en wagen, want er mochten geen mensen meer lopen. In Loenen kwamen we aan bij een kartonfabriek; mijn opoe en opa met mijn tante; zij was 20; mijn vader, mijn broertje Kees en ik.
Mijn zieke moeder met mijn babybroertje Jan waren met een Roode Kruiswagen mee, maar wij wisten niet waarheen. Mijn vader was sergeant majoor in dienst, hij had altijd een goed overzicht, maar nu wisten we alleen, richting Apeldoorn. We kwamen in die kartonfabriek en ik had dorst, ik had nog nooit zo’n dorst gehad. Onderweg had ik in een fonteintje gezien, ik ben terug gelopen, die tuin in om te drinken.
Nu ik op TV (2015), die hele route van die vluchtelingen zie, dat pakt me ook hoor.
In die fabriek lagen allemaal strobalen. We kregen een hoekje daar, ik weet niet meer of we eten kregen. Ik weet wel dat mijn vader ’s morgens om 5 uur zei: “Stien we gaan je moeder en Jan zoeken”. We zijn die grote boerenlandweg opgegaan en de ene na de andere boerderij bezocht. Eindelijk vonden we mijn moeder. Mijn moeder dood en dood ziek, ze had astma en Jan krijste en krijste. Mijn vader heeft mijn moeder helemaal naar die kartonfabriek gedragen, ik twaalf jaar, droeg mijn broertje. Daar hebben we niet zo lang gezeten. We kregen onderdak bij boer Modderkolk in Loenen. Daar zijn wij een week geweest, mijn opa, oma en mijn tante zijn daar gebleven. Wij zijn vertrokken naar Voorst.
We hadden een hond, mijn vader wist al, met een hond kon je nergens terecht, het was een heel lief beest, ik was er gek op, maar de boer vond de hond ook leuk. Mijn vader zei: ”Je kunt hem kopen”, die boer antwoordde: ”dan geef ik er wel een roggebrood en roomboter voor”. Een eindje verder hebben we het roggebrood aangesneden; roomboter erop, ik eet het nog weleens, zo lekker.

De boerin pakte een kool, die sneed ze tegen haar borst aan

Wij vertrokken omdat er geen medicijnen meer waren voor mijn moeder, aan deze kant van de IJssel. We moesten dus de IJssel over. Mijn vader kreeg een Ausweis van de Duitsers. Met dat Ausweis konden wij de brug bij Zwolle over. Ons gezin ging lopen met mijn zieke moeder en de baby. Ik had een groot touw om mijn buik en mijn moeder dood ziek, hield zich vast aan de wagen, waarin Jan lag te krijsen. Kees liep ernaast. Zo liepen we daar als een stelletje armoedzaaiers. We hadden niet veel bij ons, want we waren maar voor een paar dagen vertrokken uit Arnhem, wij zijn tien maanden weggeweest.
We moesten richting het noorden, die hele tocht was een verschrikking, mijn moeder kon niet meer en ik had geen schoenen meer. Mijn vader hield een oude boer aan met een klein wagentje, waar je aan weerskanten kon zitten. Wij mochten mee. We rijden Hulshorst in en er komt een SS’er met het pistool gericht op mijn vader: “ Ausweis”. Mijn vader moest zich melden in het dorp, de militair in mijn vader kwam boven. Hij zegt tegen de boer: “ Is hier een kerk in de buurt?” “Ja” zei de boer. “Wil je ons daar heen brengen”. “Tuurlijk” zei de boer. We hebben de hele dag boven in de kerk gezeten, alle mensen die opgepakt waren, zijn gefusilleerd.
Het werd weer stil, we gingen ons melden bij de gemeente. We moesten weer 4 km verder lopen, we kwamen bij schatten van mensen, boeren. We kwamen aan, het was laat, we hadden zo’n honger. De boerin pakte een kool, die sneed ze tegen haar borst aan, aardappels en spek erbij, wij kregen eten. We hebben in de hilt, boven de koeien geslapen. Daar hadden we het hartstikke goed, ik hielp mee op het land, maar die jagers hè. Er liep een spoorlijn langs en die Amerikanen of Engelsen schoten op die spoorlijn.

Ik bleef liggen en zei: “Nee, ik ben dood, ik ben dood”!

Bij die boer in Hulshorst mocht ik paard en wagen meenemen, ik gooide de hele wagen vol bieten en dan terug rijden, dat vond die boer zo mooi. De kinderen in de buurt gingen eens met me mee, ik had toen de kruiwagen mee. We gingen in het bos spelen, ik had zo’n scherp oor voor die vliegtuigen, ik heb het hele zooitje in een greppel gegooid, ik ging er zelf bovenop liggen. Er werd weer op de spoorbaan geschoten, die vaders en moeders in angst, hun kinderen waren bij mij. De vliegtuigen waren weg, ik kom met kruiwagen en kinderen het bos uit, de moeders kwamen ons tegemoet.
Wij moesten er allemaal weg, de boeren ook.
We kregen een adres aan de Harderwijkerweg, die lui waren zo christelijk, daar werd je niet goed van. Mijn broer en ik moesten appels, die op de zolder lagen sorteren, we mochten er niks van opeten, dat deden we natuurlijk wel. Mijn moeder vroeg het sop nadat zij gewassen hadden, ze mocht het niet hebben.
Ik lag een keer in het veld , we zaten aan de Harderwijkerweg, de jagers kwamen eraan, zij dachten dat er tanks waren, ze gaan schieten, het waren melkwagens, de melk stroomde eruit. De boeren en alles wat daar leefde ging met pannen of een teil erna toe.
Maar ik lag op het veld, de granaten, ik zal het eerlijk vertellen, ik voelde ze de grond in gaan. Ze kwamen me ophalen, ze dachten dat ik dood was. Ik bleef liggen en zei: “Nee, ik ben dood, ik ben dood”! Hoe ik daar doorheen gekomen ben, ik weet het niet.

Het begon winter te worden, het vroor zo hard, als je ’s ochtends wakker werd, zat de deur vastgevroren, moest met een beitel opengehakt worden. De boer had ook een smidse met een winkel, wij sliepen in de etalage, je lag er open en bloot en zo koud. Daar konden we ook niet blijven, weer lopen. Ik vergeet het nooit meer, we lopen op een landweg, het begon te sneeuwen. Mijn moeder zag het niet meer zitten, ze wou Jan uit de wagen halen en weggooien, ”Ik kan niet meer” en dat kind maar huilen. We kwamen langs een boerderij, mijn vader vroeg of we op de deel het kind mochten verschonen. “Nee”.
Ik had geen winterjas, ik liep op klompen, als de zool versleten was, haalden we de bast van een berkenboom en deden dat in mijn klompen.
We waren een keer onderweg, we gingen ergens slapen. Mijn moeder was zo ziek dat die boerin zei: “Ik zal toch zien dat ik een dokter haal”. De dokter kwam, hij zei heeft u een kaarsje, ik kan haar zo niet inspuiten, je mocht geen licht maken.

Mijn vader was zo misselijk, die begint zo over te geven bij die Moffen

Zo trokken we verder tot Hasselt, vlak bij Zwolle, aan het water. Daar hebben we te vet gegeten. We gaan op een boot, een ijsbreker, richting Zwartsluis. Alle tenen van mijn moeder waren ontstoken. We komen aan in Zwartsluis, daar staan een paar moffen: “Ausweis”.
Mijn vader was zo misselijk, die begint zo over te geven bij die Moffen.We hadden familie in Zwartsluis, daar zijn we een week of drie geweest, allemaal verdeeld. Mijn moeder had geen medicijnen meer. Dan kwam er een keer een arts, maar die kon haast niet helpen, er was niks.

Weer verder, eindelijk komen we in Zwolle. We lopen de brug op. Mijn vader roept: “Liggen”. Weer jagers die schieten, we zijn wat beschoten onderweg hoor. Mijn vader had een rijke oom in Zwolle, De Graaf, we komen daar binnen: “OOOh Jannus” zeiden ze. We zagen er uit als een stelletje vieze landlopers. Een paar dagen zijn we daar geweest.
We gingen verder naar Assen in een hele grote school, of zo. Daar waren Limburgers, die waren over Duitsland daar gekomen, zij zaten onder de luizen, nu, binnen de kortste keren wij ook.
Wij hadden zo’n honger. Er zaten toevallig ook mensen uit Arnhem, die woonden dicht bij ons, hun zoon was net zo oud als ik. Hij zei: “Stien zullen we eens kijken of we iets te eten kunnen krijgen”. Er stond een rij bij de bakker, we hadden geen cent op zak, we waren bijna aan de beurt, we hebben allebei een half brood gepakt en zijn heel hard weggerend. Ik had zo’n honger.
Verder naar Tynaarlo, daar werden we weer verdeeld; Vader en moeder en Jan bij een boer, Kees en ik bij een andere boer. ’s Ochtends bij het ontbijt, we gaan op de houten bank met kussentjes zitten, de boerin zei direct: “Jullie hoeven niet op de kussentjes te zitten”. Daar moesten we de bevrijding afwachten.
Direct na de bevrijding werden de NSB’ers opgepakt, wij mochten samen met die Arnhemse familie in zo’n vrijgekomen huis van NSB’ers. Daarna mochten wij in een vakantie huisje van Quarles van Ufford, het was daar heel mooi; allemaal zand en heuvels, net het strand.
Eindelijk mochten we naar huis terug. In Arnhem lagen de straten zo hoog met vuil. We moesten eerst ontsmet worden in een school. Ons huis was door buurman Anneveld dichtgetimmerd met een hele grote spijker. Het dressoir stond boven aan de trap en er lag een dooie, uitgemergelde kat, er was een heleboel uit ons huis gehaald en alle foto’s waren weg, wat hebben ze daar nou aan.
Je moest weer naar school, we zochten de kinderen, die er niet meer waren, ze hadden het niet overleefd.

Toen we in Hulshorst waren heb ik gezien dat er drie mensen zijn doodgeschoten. De moffen hielden een boerenkar aan, de boer schoten ze dood en met de kar reden ze door. Ze kwamen een dokter tegen op weg naar een bevalling, ze schieten de dokter dood, zijn tas gooiden ze in de sloot. Met die kar komen ze bij de boerin, waar wij waren, die boer schieten ze ook dood, ik had Jan op de arm.
Een jaar of wat geleden zijn we terug gegaan naar Hulshorst, ik wilde weten heb ik dat nou gezien, ik had het verdrongen. We komen een oude boer tegen op een ouderwetse fiets, ik zeg: “Mag ik u wat vragen, wij zijn hier geëvacueerd geweest bij ome Kees” Hij zegt: “En tante Aartje”. “Ja”zeg ik.
“Waar die minsen zijn doodgeschoten” zegt hij. Ik had het weggestopt, toen wist ik het zeker.
Ik zal het nooit kwijtraken, ik heb zoveel bombardementen en beschietingen meegemaakt, dat ik er altijd weer ben uitgekomen, ik vergeet het nooit.

Mw. Stien Keus - van Benthem 2015

Mw. Stien Keus – van Benthem 2015