Foto Marijke Koch website

Een bijzondere boerderij

Het dreunende bombardement op de nabij gelegen Willemskazerne schudde de Arnhemse bewoners op de 17de september 1944 wakker en in dit geval ook de onderaan de Apeldoornsestraat wonende familie Koch.
De toen zesjarige, in de Beethovenlaan, geboren Marijke herinnert het zich als de dag van gisteren. Zulke dingen vergeet je niet gauw en zelfs niet als kind van die leeftijd. Vanuit het dakraam heeft zij gezien hoe de vlammen uit de kazerne sloegen.
Ook heeft zij de landingen van de para’s in de verte kunnen zien.
“Met honderden tegelijk daalden ze neer”.
“Allemaal onder de Keldertrap”, was de eerste uitgeroepen reactie van vader Koch tot zijn uit zes personen bestaande gezin en andere familieleden.
Ons gezin woonde namelijk op dat moment in bij een oom en tante met hun pas geboren neefje.
Het was het einde van een ‘rustige’ tijd voor de kleine, zeer onafhankelijke, Marijke die toen soms alleen naar de kleuterschool liep ergens aan de Van Lawick van Pabststraat. Waar precies weet zij niet meer.

De hevige branden en het oorlogsrumoer moeten bij het gezin Koch goed hoorbaar zijn geweest.
De bijna naast het bekende Hotel Bosch gelegen woning gaf een haast onbeperkt uitzicht op wat zich afspeelde achter de woningen aan de Velperbinnensingel waarachter zich de Willemskazerne bevond.
Veel van de ouderlijke zorgen gaan op dat moment natuurlijk aan de zesjarige Marijke voorbij.
“Van gevaar ben je je dan nog niet zo bewust; eigenlijk was het best een beetje spannend, maar toch ook wel angstig met al die bange en gespannen volwassen mensen om je heen”, weet zij nog.
Er gebeurde ineens heel veel in haar omgeving.

Er gebeurde ineens heel veel in haar omgeving

Ook herinnert zij nog dat ze zag dat een groep mensen (soldaten, burgers of joden) onder Duitse militaire begeleiding via de Apeldoornseweg werden afgevoerd.
Achteraf moet je natuurlijk dankbaar zijn dat Marijke ’s vader op dat moment niet op zijn werk was in Heveadorp. Hij zou dan midden in het strijdgewoel hebben gezeten en zijn thuiskomst zou beslist onzeker zijn geweest.
Hoewel het oorlogsrumoer duidelijk hoorbaar was, bevond de ouderlijke woning zich niet echt in gevechtsgebied. Dat lag meer richting Rijnbrug.
Van gevechtshandelingen kan Marijke zich dan ook niets herinneren en dat haar ouders de kinderen daarvoor afschermden was ook duidelijk.
Wat zich tussen de landingen en het bevel tot vertrek uit huize Koch heeft afgespeeld is niet duidelijk meer.
Marijke weet zich wel te herinneren dat er op zeker moment een meneer kwam vertellen dat zij moesten evacueren. Verwarring alom.
Het huis verlaten? Waarheen? Hoe lang?

Het huis verlaten? Waarheen? Hoe lang?

Eén, twee weken misschien? Zo lang zal de bevrijding nu toch niet meer op zich laten wachten?
Zeker is, dat alle fietsen die er waren op zeker moment werden bepakt en bezakt en de deur van de woning werd afgesloten.
Omdat Marijke nog te klein en te onervaren was om de voorgenomen tocht alleen te fietsen moest zij haar mooie fietsje en niet te vergeten haar prachtige pop achterlaten en plaats nemen achter op de fiets van vader.
Van het fietsje en de pop is na de bevrijding niets meer teruggevonden.
In het verleden had de familie Koch een paar zomers de vakantie doorgebracht op een boerderij in de gemeente Rheden en een goede relatie opgebouwd met de boer en zijn vrouw.
En die boerderij werd nu, haast logischerwijs, het einddoel van de tocht.
Rechtstreeks fietsend, de juiste route is Marijke niet helemaal meer duidelijk, werd in vrij korte tijd boerderij Herikhuizen onder de rook van de bekende Posbank bereikt.

Overgenomen uit WIKIPEDIA
Herikhuizen is een voormalige boerderij in de bossen van het Nationaal Park Veluwezoom in de gemeente Rheden in de Nederlandse provincie Gelderland.
Na beëindiging van het landbouwkundig gebruik werd de boerderij begin jaren negentig verlaten, en in 1999 door de eigenaar Natuurmonumenten omgevormd tot een ruïne ten behoeve van flora en fauna. Tegelijkertijd werd een wildobservatiepost gebouwd met zicht op de voormalige boerderij.
De boerderij Herikhuizen en haar bewoners spelen een hoofdrol in het bekende jeugdboek ‘De kinderen van het Achtste Woud’ van Els Pelgrom. (Eveneens in het boek van Herman H.Koch, Marijkes vader: “Marius Blok bij de Tommies”
Einde citaat.

Boer Chris Braakman en zijn vrouw Janna, heetten de familie van harte welkom. “Gastvrije mensen”, weet Marijke nog goed.
Boerderij Herikhuizen was een zeer oude boerderij.
Het stamde nog uit 1365 en was ruim bemeten; kamers genoeg.

Boerderij Herikhuizen 1960

Boerderij Herikhuizen 1960

Allen kregen onderdak waarbij wel genoegen moest worden genomen met meerdere personen op een kamer. Het hele gezin Koch sliep samen op een grote kamer, weet Marijke nog; vader, moeder en de vier kinderen.
Zelfs de bed indeling weet Marijke nog en beschrijft het nauwkeurig. Hoe klein ook en sommige beelden, zoals bekend, kunnen voor eeuwig op je netvlies blijven staan.
Vader Koch had een goede keus gemaakt.
De plek was ver weg van oorlogsgeweld ofschoon Marijke zich een luchtgevecht nog goed kan herinneren toen ze terug kwam van een bezoek aan het ziekenhuis in Velp achter op de fiets van moeder samen met broertje Eric.

Moeder gooide ons in een greppel en ging boven op ons liggen

“Moeder gooide ons in een greppel en ging boven op ons liggen”. ‘Reken maar dat ik bang was’ weet Marijke nog.
“Een van de twee vliegtuigen kwam toen brandend neer”.
Of het een Duits of Engels vliegtuig was, heeft zij nooit geweten.

Als kind(eren) op een boerderij je tijd doorbrengen is geen straf; prachtig zelfs. Er moest nog op een ouderwetse manier op het land gewerkt worden.
Rondom de gebouwen en de bossen was altijd wat te vinden en te beleven. Kortom: mooie en warme herinneringen.
Ook aan voedsel was geen gebrek. Boer Braakman kon prachtig uit de Bijbel voorlezen, weet Marijke nog en zijn vrouw was een gastvrije en ruimhartige kookster; er was altijd genoeg en ook voor de onverwachte hongerige bezoeker. Die waren talrijk in die dagen.

Plattegrond boerderij Herikhuizen

Plattegrond boerderij Herikhuizen

Uit de Kinderen van het Achtste Woud

Uit de Kinderen van het Achtste Woud

Marijke omschrijft de boerderij als een negentiende-eeuws boerenbedrijf; alles werd nog met de hand gedaan. Er waren ganzen, kippen, varkens paarden, koeien en er waren fruitbomen en korenvelden. Er werden suikerbieten verbouwd en er was een bleekveldje om het wasgoed te drogen.
Zij herinnert zich nog een grote dorsmachine, die een paar dagen kwam dorsen (dankzij de Boerencoöperatie, zie: De Kinderen van het Achtste woud van Els Pelgrom).
Veel mensen werden met zakjes rogge door vrouw Janna naar huis gestuurd.
In een bosrijke omgeving wonen, betekent ook hout genoeg voor de grote kachel en dat bracht in die strenge winter veel knusse warmte in de boerderij.
De tijd die zij daar heeft doorgebracht, ziet zij als de gelukkigste tijd van haar jeugd ondanks de heersende oorlog die voor het kind Marijke toen niet echt voelbaar was. De ouders hadden de zorg.
In de buurt van de boerderij is een keer een V1 neergestort. Van de boerderij waren alle ruiten gesprongen en haar broertje lag toen midden in het glas, herinnert Marijke zich nog.
Zij was onder de indruk en bang.
De angst voor die V1’s, die ’s nachts overvlogen was op de boerderij wel erg groot weet zij nog. Tot lang na de oorlog is zij nog bang geweest voor vliegtuigen en onweer.
Een boerderij in die strenge Hongerwinter van 1944/1945 had beslist veel aantrekkingskracht op voedselzoekende mensen, onderduikers en niet te vergeten deserteurs.
Al deze zaken hebben zich zeker afgespeeld onder de ogen van nietsvermoedende kinderen en vermoedelijk ook Duitsers.
Twee oude dames uit Velp met een huiskonijn waren ook te gast. Zoiets vergeet je natuurlijk niet meer.
Vooral dat konijn zal veel aandacht hebben gehad van de kinderen.
Meerdere personen bevolkten Herikhuizen: Mensen waarvan de herkomst en of reden van hun bezoek nooit duidelijk waren voor haar. Maar ja; moest dat dan?
Als kind speel je en gaan belangrijke zaken aan je voorbij. Zeker in de nachtelijke uren zullen activiteiten hebben plaatsgevonden die voor de Duitsers verborgen moesten blijven.
Meehelpen in de huishouding werd voor de kleine Marijke hooguit beperkt tot het drinken van warme melk een geëmailleerd bekertje, weet ze nog.
Haar oudere zus deed veel meer in het huishouden. Zij was het zorgzame type en ging graag met vader over de heidevelden om in Rheden te proberen brood te kopen.
Marijke, voor haar leeftijd behoorlijk onafhankelijk van aard, ging de hele dag op stap met haar jongere broertje Eric en Gerrit, het jongste zoontje van de boer.
Vrouw Braakman noemde haar het moedertje.
Marijke meent zich nog te herinneren dat er een familie Strobosch uit Groningen(?) in huis is geweest. Maar waarom die helemaal uit Groningen naar Rheden was gekomen, heeft zij nooit begrepen.

Boerderij Erikhuizen in 2016

Boerderij Erikhuizen in 2016

Zij weet ook nog van het paard dat, al rondjes lopend, water uit een diepe put omhoog takelde. Het was een waterput met daaromheen een bestrate vloer waarop het dier zijn rondjes maakte.
Er was op zeker moment een aantal Duitse militairen, onder leiding van officieren, ingekwartierd. Waar ze sliepen weet Marijke niet meer. Misschien wel in de schuilkelder die ergens rond de boerderij was uitgegraven.
Eens moesten ingekwartierde Duitse soldaten, jongens nog, onder leiding van enkele officieren voor straf op hun hurken rondjes huppen om de waterput. Dit was een naar en beangstigend gezicht wat veel indruk maakte op de kleine Marijke.
Hoeveel rondjes weet zij niet meer, maar een aantal viel om van vermoeidheid.

Woonhuis 'Het Koggehuys' nr. 10

Woonhuis ‘Het Koggehuys’ nr. 10

De bevrijding was een feest.
“Buiten op de weide werden, door de kleine kinderen, stoeltjes neergezet voor de bevrijders”, weet Marijke nog.
Vader werd tolk voor de Engelsen en zij weet ook nog dat hij in een Engels uniform liep.
Het huis in Arnhem was vrijwel leeggeroofd door de moffen, maar dat waren de meeste huizen in Arnhem. Er werd onderdak gevonden in de Pontanuslaan.

Het huis in Arnhem was vrijwel leeggeroofd door de moffen

Bij de Arnhemse Schoolvereniging maakte Marijke de lagere school af en daarna bezocht zij de herbouwde MMS op de Apeldoornseweg.
Op haar achttiende is zij naar Amsterdam verhuisd en werd Arnhem een verre herinnering.

Een oorlogs-/evacuatieverhaal, gezien door de ogen van een zevenjarig kind, dat zich afspeelde in een van de meest dramatische episodes van de Tweede Wereldoorlog.
Om dan te kunnen zeggen dat het de gelukkigste periode van je kindertijd is geweest, mag je best bijzonder noemen.

Hilda, Rieki en Bart met onze kar

Mijn vader zat in het verzet

Mijn vader zat in het verzet, wij woonden in Wageningen. In september/oktober 1944 verbleven wij: mijn vader Johan v.d. Peppel; moeder Riek v.d. Peppel-Zaaijer; zusje Hilda 12 jaar; zusje Rieki 4 jaar en ik Bart 10 jaar in Bennekom. We gingen dan naar ’t Bos. In dat huis op de Fransekampweg 1 woonden toen; de familie van de Weerd: Gerrit sr.; zijn vrouw Jantje, Gerrit jr.; schoondochter Toos, die op 28 september beviel van zoon Gertje, dochter Jans (Zus) en zoon Niek. Dhr. en Mw. Ledoux. Dhr. en Mw. Limbach. De onderduiker: Geurt Ansink verloofde van Jans. En nog twee verzetsmensen: Jacob Post en Jan Schiedam uit Amsterdam, die daar waren in afwachting van de invasie/luchtlanding. In totaal dus 19 mensen.

Franse Kampweg 1 Bennekom

Franse Kampweg 1 Bennekom

15 september 1944:
’s Morgens maak ik een vlieger, ‘s middags ben ik aan het vliegeren, als er opeens twee Tyfoons naar beneden duiken, ik hol naar de schuilkelder van buurman Peters. Pa is in gesprek met buurman Pauw, plotseling wordt er aangebeld bij Pauw. Pa vlucht en verbergt zich in de boerenkool. Pitha de hond haalt hem op als het weer veilig is. Politie aan de deur, ma zegt dat haar man naar de Noord Oost polder is naar zijn zieke broer.
16 september:
Pa duikt onder in “ ‘t Bos” Fransekampweg 1. De politie komt weer aan de deur om pa op te halen.
17 september:
‘t Is zondag: ma gaat met zus Vossers kleren brengen naar “ ‘t Bos” . Wij kinderen blijven thuis, als er iets bijzonders is moeten we naar de buren Peters gaan.
In de lucht cirkelen groepjes vliegtuigen, wij naar de buren. Plotseling vallen er bommen ten oosten van Wageningen. De oude Peters duwt Hilda en Rieki tegen de muur. Ik hol het land op en val in een bed wortelen, als het gerommel minder wordt ga ik terug. Er stijgt een dikke rookwolk op in het oosten. Ondertussen zijn Ma en Zus op de terugweg naar huis, ze worden van de fiets geblazen op de Hollandseweg, als er bommen op de wijk Sahara en de Diedenweg vallen. Op de hoek van de Brinkerweg staat Jan Versteeg: “Riek, Riek wat is er gebeurd”. Ma vertelt van de bommen op de Diedenweg. Jan springt op de fiets, zijn kinderen zijn bij de fam. van de Lee. We zijn heel verdrietig, want zijn kinderen zijn omgekomen op de Diedenweg. Marieke was mijn vriendinnetje en Jan Versteeg zat in dezelfde verzetsgroep als mijn vader.
Pa had uit het dakraam van “ ‘t Bos”  de bommen zien vallen en kwam direct naar huis. Toen we zaten te eten begon de luchtlanding. Ma ging naar opoe Zaaijer, onderweg sprak petroleumboer Lauwerens haar aan en waarschuwde haar, omdat de vrijgelaten mannen van de razzia weer werden opgepakt, om loopgraven te graven.
Pa ging meteen terug naar “ ‘t Bos” .
Direct na de luchtlanding gingen Gerrit van de Weerd, Jacob Post en Jan Schiedam naar het hoofdkwartier van de Engelsen. ’s Avonds kwamen Gerrit en Jacob terug met een oranje armband om, met zwarte letters stond er ORANJE op en ze hadden elk een Engels geweer. Op “ ‘t Bos”  werd een wachtdienst ingesteld.

18 september:
– Gerrit en Jacob fietsten naar Wageningen, mijn vader en van de Weerd sr. hoorden een vuurgevecht.
– Mijn moeder ging met ons op de fiets naar “ ‘t Bos” . Onderweg zwaar vuurgevecht op de hoek van de oude Bennekomseweg/Diedenweg. Gevecht van Gerrit en Jacob met de Duitse patrouille.
– Geurt Ansink (in blauwe overal met oranjeband) ging vanuit “ ‘t Bos”  naar de Engelsen.
– Toos; Niek; Henk van Zanten, Wietse en mijn vader gingen op weg om de Engelsen te ontmoeten. Ze kregen van de Engelse soldaten tabak en een nieuw Nederlands bankbiljet, wat ze ruilden voor Nederlands geld. Ik heb het bankbiljet met een handtekening van een Engelse soldaat nog.

Geld biljet wat Engelse parachutisten bij zich hadden

Geld biljet wat Engelse parachutisten bij zich hadden

Geruild voor Nederlands biljet

Geruild voor Nederlands biljet.

 
– Pa (Johan v.d. Peppel) en Henk van Zanten (verloofde van Zus Vossers nichtje van de fam. v.d. Weerd) gingen terug naar Wageningen.
- De bekende verzetsman Kees Mulder kwam waarschuwen.
- Niek kwam aan Zus vragen of ze bij de fam. Roskam wilde zeggen, dat Gerrit en Jacob vermoedelijk gevangen genomen zijn.
- We sliepen in de huiskamer, het oorlogsgeweld werd steeds erger, vooral toen de verovering van de brug mislukte en de Amerikanen in de Betuwe zaten. Wageningen kwam onder vuur te liggen.

29 september vrijdag:
We vertrokken weer naar “ ‘t Bos” . Pa heeft de kar ingepakt met o.a. groene zeep, winterkleren en voedsel. We sliepen 1 nacht in een slaapkamer boven, maar het granaatvuur werd te hevig. Alle bewoners gingen in de kelder slapen.
1 oktober:
Wageningen moet evacueren. Pa en Fief Ledoux gingen naar Wageningen matrassen ophalen, de handtas van ma met honderd gulden erin was al gestolen.
v.d. Weerd sr en ik gingen mais binnenhalen, ik moest zes keer plat op de grond gaan liggen, omdat de granaten om mij heen insloegen.

Plotseling kwamen er Duitsers met grote schilden op de borst.

We kregen inkwartiering van Duitsers. Er werd een geschut in de buurt van het huis (“’t Bosch”) geplaatst. De spanning liep behoorlijk op. De Duitsers kwamen in de keuken en namen onze Rieki, met haar mooie blonde pijpenkrullen op schoot. Een hard gelag voor de familie, waarvan een zoon en een a.s. schoonzoon vermist werden.

aan het stuur van de fiets hingen twee konijnen

21 oktober:
Bennekom moest evacueren, wij bleven zitten in “ ‘t Bos”. De Duitsers vonden het goed omdat er water gepompt moest worden, ze zorgden zelfs voor dieselolie.
De fam. Lombach vertrekt. De familie Mathot (bewoners van Sakkara) vertelde ons dat alles ten zuiden van het Hazenpad (nu A12) weg moet; evacueren.
Plotseling kwamen er Duitsers met grote schilden op de borst. We moesten ons opstellen in een rij achter het huis. De geschutscommandant heeft voor ons gepleit, we zaten in het spergebied en dat was strafbaar. Binnen een uur moesten we eruit zijn. Pa ging noodgedwongen een aantal konijnen dood knuppelen. Hij pakte onze kar in. We gingen in een droeve stoet op weg naar Ede. Ik zie het nog voor me, op de hoek van de Franse Kampweg lag een dood paard met de benen omhoog. Eén nacht sliepen we bij oom Rien, maar dat huis zat helemaal vol. De volgende dag verder, op weg naar Blokzijl. We lopen van Ede naar Lunteren Hilda en ik voor de kar aan het zeel. Rieki had een plaatsje op de kar, mijn vader aan de duwboom, mijn moeder liep er naast met haar fiets, aan het stuur hingen twee konijnen. Later trokken we verder via Barneveld, Voorthuizen, Putten, Ermelo. Vanuit Ermelo gingen we met een vrachtauto naar Staphorst. Daarna weer lopen naar Meppel.
We bleven een paar dagen bij de ouders van oom Frans Fabricius. Weer op weg door de stad naar het beurtschip van Doeveren uit Blokzijl. Hilda droeg haar babypop op de arm. Iedereen had medelijden met ons, zelfs de Duitse soldaten. Zij beurden uit medelijden onze kar op het schip. Ik zat op de boeg van het schip. Vlak voor de Sas van Blokzijl zag ik ome Jan op de loswal staan. Ik riep: “daar staat ome Jan” ome Jan is de broer van mijn vader, mijn lievelingsoom. In de sluis werd onze kar afgeladen, een aantal mannen hielpen ome Jan en mijn vader bij het afladen. Eén van de mannen vroeg mijn vader: “waar zijn jullie meubels?” Mijn vader zei: “Dit is alles wat we nog bezitten”. De mannen konden het niet geloven. We gingen naar de familie Ansink. Herman Ansink was erg ziek en het huis was te klein om ons op te nemen. Er werd overlegd met de buren; de familie Tames, we werden liefdevol bij hun in huis opgenomen. We zijn daar tot juli 1945 blijven wonen.

Naschrift:
Pas jaren later werd de ware toedracht van de vermiste mannen in september 1944 bekend:
Op 17 september 1944 om 13.00 uur begonnen de geallieerde luchtlandingen.
In de loop van de middag arriveerden Jan Schiedam en Jacob Post vanuit hun schuilplaats op de begraafplaats, aan de Fransche Kampweg bij de woning van Gerrit van de Weerd sr.
Samen met Geurt Ansink en Gerrit van de Weerd vertrokken de mannen om zich aan te sluiten bij de luchtlandingstroepen.
Geurt en Jan keerden die avond niet terug. Gerrit en Jacob waren ’s avonds weer terug aan de Fransche Kampweg.
Geurt Ansink en Jan Schiedam vielen op 19 september ’s middags om 15.00 uur in de buurt van Het Blindenhuis aan de Wolfhezerweg in handen van Duitse troepen en werden ter plekke gefusilleerd. Pas in augustus 1945 kreeg de familie de zekerheid dat Geurt en Jan gefusilleerd waren. Geurt Ansink en Jan Schiedam zijn begraven op de Bijzondere Begraafplaats van de psychiatrische inrichting Wolfheze.
Jacob en Gerrit waren later die avond weer terug, getooid met een stengun en een armband van de BS, ontvangen van de Engelsen om bij eventuele gevangenneming aangemerkt te worden als krijgsgevangene.
In de vroege ochtend van 18 september 1944 vertrokken Gerrit en Jacob bewapend vanaf de Fransche Kampweg in Bennekom. Ze fietsten door het bos richting Wageningen en werden al in het bos ingesloten door een Duitse patrouille. Na een hevig vuurgevecht werden ze gearresteerd door de Duitsers en werden ze opgesloten in de plantenkas van Ansink aan de Keijenbergseweg.
Later die dag werden Jacob Post en Gerrit van de Weerd op een open vrachtwagen via de Hoogstraat de Wageningse Berg opgereden en achter de watertoren gefusilleerd.
Tien jaar later werden de lichamen van Jacob Post en Gerrit van de Weerd gevonden.
Hun begrafenis vond plaats op 26 juni 1954 op de algemene begraafplaats Wageningen.

Bart van de Peppel 2015

  Bart van de Peppel 2015

1936 Van de Weerd, Riek, Mw. v.d.Peppel, Bart

1936 Van de Weerd, Riek, Mw. v.d.Peppel, Bart

 

Klok v tante Mien (2) (855x1280)

Vanuit onze serre zagen we de bombardementen op de watertoren en de spoorbrug

De eikenhouten klok slaat 12 slagen met een mooie heldere klank, de klepel is van glanzend geel koper, de cijfers zijn wat vervaagd, die klok heeft heel wat meegemaakt. De klok is meegenomen met de evacuatie uit Oosterbeek. Mijn moeder is in begin 1940 getroffen door een hersenbloeding, ze werd daardoor verlamd, ze zat in een rolstoel, we namen de klok mee op de voetenplank. In 1944 woonden we op de Emmastraat in Oosterbeek, op de bovenverdieping, de onder verdieping hadden we verhuurd. Mijn moeder had in Arnhem een kruidenierswinkel gehad. Mijn vader en mijn broer werkten bij de ENKA aan de Velperweg in Arnhem. Zij waren al naar Drenthe gevlucht.

Ik verzorgde mijn moeder en deed de huishouding, er kwam wel een zuster, om haar te wassen en aan te kleden. Daarnaast werkte ik bij Wim Smit van de Limonadefabriek aan de Molenweg, ook in de huishouding.
Wij hadden boven een grote glazen serre en keken uit over de Betuwe, ook konden we de watertoren op de Molenweg zien. Daar onder had je die limonadefabriek van Smit. Die watertoren is weggebombardeerd. Mijn familie woonde toen nog op het Stenenkruis.
De spoorbrug over de Rijn richting Duitsland werd geregeld gebombardeerd, dat konden we dan zien. ’s Avonds was de serre helemaal bedekt met zwart papier, zodat ze niet konden zien dat we boven zaten. De elektriciteit deed het nog wel, we deden ’s avonds spelletjes.
Mijn moeder droeg ik de trap op, ik was een meisje van zestien/zeventien jaar en dat was zwaar, want ze gaf niks mee. Dan hadden we een houten blad, daarmee kon ik haar in bed helpen. In de evacuatietijd deed ik dat ook, want ze rekenden niet op een rolstoel natuurlijk. Ik pakte haar bij de nek en de bovenbenen en droeg haar de trap af, ik was de enige die dat kon.

We hadden boven een kachel, die stookten we met hout. Ik zal je vertellen, ik heb heel wat bomen omgezaagd, dat moest je stiekem doen, anders kreeg je een kogel door je lijf. We hadden een wagen, daar deden we die stukken hout op en met een hakbijl moest je dat stuk maken. We stookten alleen hout, want kolen waren er niet.
We hadden eten genoeg, mijn moeder had net de winkel aan de kant gedaan, door die beroerte.
We hadden in Arnhem eerst een winkel aan de Rijnkade, later aan de Vossenstraat. Voordat ik naar school ging, moest ik naar de grossiers toe om koffie, thee en snoeperij te bestellen. We hadden een grote winkel, een goudmijntje, er waren vier scholen omheen. Ik zat toen op de Weverstraat op de katholieke St. Aloysiusschool.

Eind september met de evacuatie zijn wij lopend via Bennekom naar Driebergen gegaan. Mijn moeder zat in de rolstoel, die ik duwde en naast ons liep mijn vijf jaar jongere zusje Rietje. We hadden niks te eten, niks te drinken. Wij zaten in Driebergen bij een mevrouw die alleen woonde. Ook in Driebergen hebben we hout gezaagd, er was niks. We zaten dicht bij de kachel. Kleding kregen we van het Roode Kruis, dat hadden we niet meegenomen. Die mevrouw waar we waren, had gelukkig een groentetuin, daar konden we nog wat uithalen. We hadden ook dingen vanuit de winkel meegenomen: suiker, meel en zo. We zijn vanuit Driebergen ook eens terug gelopen naar Oosterbeek om dingen op te halen zeep b.v. Onderweg hebben we een nacht bij een boer geslapen, geen mof gezien, wel gingen er V1’s of V2’s over. Nou kijk, mijn moeder had nog rogge en tarwe, dat stond allemaal in ons huis, maar dat moest je stiekem meenemen, de moffen moesten dat niet zien, dan kreeg je een kogel door je lijf heen. Er was ook beddengoed. Mijn moeder kocht dat bij Steijger Romé in Arnhem, dat was een goederenzaak, daarvan had ze veel lakens en slopen in huis. Ik ging daarmee naar de boeren, ruilen voor eten; spek of boter of kaas.

Toen de oorlog uitbrak is mijn vader met mijn oudere broer Leen naar Drenthe verhuisd. Leen had verkering met een schooljuffrouw en bij haar vader, die boer was, waren zij in huis. Via het Roode Kruis kregen we te horen, dat hij daar zat. Wij werden na een verblijf in Driebergen, door het Roode Kruis naar mijn vader en broer in Drenthe gebracht. We woonden daar in een vakantiebungalow van een Amsterdamse onderwijzer.

’t Was een hele koude winter en veel sneeuw. De Eeserbrug was soms dicht, wij konden er nog net over. We werden beschoten door vliegtuigen. We woonden in Eesergroen, een gehucht.
We woonden midden tussen de boeren; melk, eieren en boter, alles zat. Ik ging ook wel bij de boeren werken, afwassen of ramen zemen, in ruil voor eten, hetzij melk of tarwe. Honger hebben we nooit geleden, echt niet. En kou? De kachel konden we goed stoken met hout. In een groot stuk bos wel 5 km lang, achter ons huis, daar zaten moffen, zij deden niks. De NSB’ers dat waren vuillakken, die zouden je zo verraden.
En wanneer zijn jullie teruggegaan?
Heel laat in augustus of zo. We zijn toen opgehaald door het Roode Kruis met een soort veewagen, veel ander vervoer was er niet. Wij kregen een huis waar NSB’ers in zaten, die moesten eruit. We kwamen terecht op het Geelkerkerkamp, daar hadden ze noodwoningen neergezet. Het waren houten noodgebouwen met vloeren van beton.
Wij hebben daar met plezier gewoond. Ons eigen huis wat mijn moeder gekocht had, was helemaal platgegooid, er stond geen steen meer overeind. Toen alles achter de rug was, konden we wel opbouwen, maar toen was dat zo’n kostbare zaak. Wij konden niet terug naar ons eigen huis, dat was voor ons veel te duur. Een zeeman, die heeft het gehuurd.

Mijn vader werkte toen op de Klingelbeek, daar woonde vroeger mijn opoe, die hadden een hele lap grond achter het huis met groente en fruit met hele grote blauwe pruimen.

Naschrift
Hoe de oorlog voor ons begon.
Begin 1940 heeft mijn moeder die hersenbloeding gehad. We hoorden in mei van de Duitse invasie toen ben ik met de buurman, ik op de step, naar de Rijnkade gegaan, want toen is de brug in de hoogte gevlogen, die hebben ze opgeblazen. Ik ging op de step terug naar de Emmastraat in Arnhem, ik zag al die lijken, die waren in het water gerold.
Daarna heb ik die grote etalageruit helemaal beplakt met papier, zodat hij niet in gruzelementen zou vallen. Hij is wel heel gebleven. Toen ik die ruit beplakte zag ik vrachtwagens voorbij komen met bovenop die lijken op weg naar de Steenstraat.
De voorraad raakte wel wat op, want er was geen toevoer meer en alles was op de bon. Toen had je ponden, nu heb je kilo’s.

Mien Huibers-Derkesen

Mien Huibers – Derksen 2016

Petroleum en braadolie was los, de mensen namen een kannetje mee of wij deden het in onze flessen, van een halve of hele liter. Je had grote, groene petroleumstellen, daar stond het eten op te sudderen.

Piet de Booys website

Toen geluk heel ongewoon werd

Gezamenlijk herinneringen ophalen aan toen is een bezigheid die tot genoeglijke uurtjes kan leiden. Zet twee oude Arnhemmers bij elkaar en laat de verhalen dan maar komen. ‘Toen’ wordt dan weer een levende periode waaraan je je kunt laven, maar ‘toen’ is ook een periode met emotionele en dramatische herinneringen; de reden van mijn bezoek aan Piet J. de Booys.

Het enorme gedreun van de eerste ontploffende bommen op de Willemskazerne, op een steenworp afstand van Piets woonhuis aan de Jansplaats, luidde wat hem betreft de slag om Arnhem in.

Eerste vluchtelingen in de Jansstraat

Eerste vluchtelingen in de Jansstraat

Naar aanleiding van de vluchtelingen en de grootschaligheid van de landingen kreeg Piet van zijn vader een camera in de handen gedrukt met de opdracht: “Fotografeer alles wat je ziet”.

Fotografeer alles wat je ziet

De toen zestien jarige Piet fotografeerde vanaf de woonverdieping, boven de fotowinkel van zijn ouders, onder andere de in de richting van het Willemsplein passerende vluchtelingen in de Jansstraat.
Opvallend aan die foto is dat het uitsluitend vrouwen zijn die met kinderen en hun hebben en houwen de vlucht nemen. Een detail dat bij de jonge Piet jr. op dat moment nog geen vragen deed oproepen.
Waar zijn de mannen? Vrijwel zeker zullen ze ondergedoken zijn geweest, of door de Duitsers gevangen genomen en gedwongen tot arbeid. Wie kan daar nu nog antwoord op geven?
In ieder geval waren dat vragen waar de jonge Piet zich op dat moment niet mee bezig hield. Hij fotografeerde vanuit de bovenwoning de eerste dramatische beelden van de stad ‘Arnhem in verwarring’.
Het zijn de eerste foto’s van Piet jr. in het bekende fotoboek van P.R.A van Iddekinge met de titel ‘Door de lens van de Booys’ die daar al duidelijk blijk van geven.
Echte oorlogshandelingen speelden zich niet af in de directe omgeving van de Jansplaats/Jansstraat.
Hoorbaar was het natuurlijk wel. De strijd speelde zich hoofdzakelijk af onderaan de Weverstraat en de Oeverstraat, gezien vanuit zijn ouderlijk huis.
De stromen vluchtelingen uit het centrum en de omgeving dichter naar de Arnhemse Rijnbrug namen wel toe. Veel beelden daarvan hebben vader en zoon de Booys kunnen vastleggen ook al was dat door de Duitse bezetter streng verboden. Maar ja, je hebt een fotohandel dus ………………
Toch kwam ook hier het bericht dat de binnenstad moest worden geëvacueerd. Piet denkt dat dat rond de twintigste september was.

Evacueren
In de Zandboersteeg, in de hoek van de Jansplaats, werd een paard (Cora!) en een wagen georganiseerd waarop zoveel mogelijk hebben en houwen werd geladen.
Vader nam met zijn camera natuurlijk ook zoveel mogelijk onbelichte films mee uit de winkelinventaris.
Veel moest worden achtergelaten en kwam helaas in rovershanden terecht.
Van een goede kennis kreeg Piets vader een autoradio mee met accu die hij onder de spullen op de wagen verstopte.
De stoet, met inbegrip van Piets zus Nel en de inwonende grootouders, zette zich in beweging richting Cattepoelseweg waar onderdak werd gevonden.

Gezamenlijke keuken in het openluchtmuseum

Gezamenlijke keuken in het openluchtmuseum

De opa en oma van Piet werden in het Openluchtmuseum ondergebracht waar in totaal zo’n zeshonderd Arnhemmers hun toevlucht hadden gezocht.
Veel werden er in de Zaanse huisjes ondergebracht, maar de directie was zeer bezorgd omdat het koken op allerlei geïmproviseerde potjes brandgevaar opleverde.
In die periode lukte het vader de Booys om via een bevriende relatie papieren en een armband los te peuteren om als ‘waterleiding monteur’ met een gereedschapstas (waarin zich zijn camera bevond) de verlaten stad te bezoeken en zijn nu beroemde foto’s te maken van de plunderende horde Duitsers.
Het verblijf op de Cattepoelseweg duurde niet zo erg lang. Het gezin verhuisde naar het Openluchtmuseum, waar opa en oma al verbleven.
Omdat het ook daar niet meeviel om samen met zo’n zeshonderd andere Arnhemmers de dag door te brengen, werd uitgezien naar een andere woning en die werd gevonden in de Mauvestraat nummer 50.
Het huis stond leeg. De eigenaar was geëvacueerd en Piet herinnert zich dat het een klant is geweest van zijn vader.
Natuurlijk was dat een idealere uitvalsbasis voor Piets vader om de stad te verkennen als ‘waterleiding monteur’.
Piet vertelt ook van de buurman, meneer Kabel, die hem eens vroeg wat aardappelen te rooien op de Kattenberg aan het eind van de Bakenbergseweg. Het was onduidelijk of er nog wat in de grond zat.
Tot grote vreugde van de oude heer, hij moet toen minstens tachtig zijn geweest, keerde hij met een volle kruiwagen terug. De hele familie zal wel in de feestvreugde hebben gedeeld.
Aardappelen, dat was wat in die dagen!

Aardappelen, dat was wat in die dagen

Er kwam een moment dat Piets vader het nodig en veiliger ook om Arnhem te verlaten. De voorraad films was op en er viel op dat moment dus niets meer te fotograferen.
De schamele spulletjes moesten weer worden opgepakt en over de Schelmseweg werd richting Velp gelopen. Velp was niet geëvacueerd, dus daar kon wellicht onderdak worden gevonden bij particulieren.
Zij kwamen terecht in de Heemskerklaan.
Piet herinnert zich een prachtig pand met een rieten dak. Het behoorde een of andere rijke familie toe. Hij weet nog dat de vrouw des huizes een zware rookster was, de echtgenoot rookte niet. Eigenlijk wel gek dat je je zulke onbelangrijke dingen nog herinnert.
Piet vertelt dat de aankomst bij deze woning nogal problematisch verliep.
De vrouw opende de voordeur en zag daar een verfomfaaid stelletje (in haar ogen tenminste) vagebonden voor de deur staan.
“De man en zijn vrouw beoordeelden ons en zo te zien het zag er niet goed uit tot dat hun zoon Patrick mijn vader herkende en uitriep: “Oh, maar dat is meneer de Booys van die fotozaak uit de stad”.
Nou, toen ging meteen de deur open.
Een van die kleine momenten die je nooit vergeet.
Vader had, herinnert Piet zich, een verlichting gemaakt door met een schoepenradje op de waterleiding een dynamo aan het draaien te krijgen waarmee dus elektriciteit kon worden opgewekt en een piepklein lampje ’s avonds toch nog voor wat verlichting kon zorgen.
Om aan hout te komen voor de kachel liep Piet het nabijgelegen bos in om boompjes te zagen. Die houtvoorraad werd al gauw door menig Velpenaar ontdekt. Het bovenste deel van de Rozendaalseweg, vanaf de Schelmseweg tot aan de in aanbouw zijnde brug van de latere A12, is toen behoorlijk uitgedund.
Bij een van de tochten, die Piet met zijn vader door Velp en de omgeving maakte, kwamen zij terecht bij een bevriende fotohandelaar in de Hoofdstraat van Velp. Deze bleek vader nog
aan wat films te kunnen helpen, zodat nog veel zaken konden worden vastgelegd op de gevoelige plaat, zoals ze dat toen nog zeiden.
Piet herinnert zich dat boven Velp een V1 rondcirkelde en daar uiteindelijk ook neerstortte. Waar precies weet hij niet meer.
Hij spreekt ook van ‘Nevelgranaten’, die ook veelvuldig op Velp terecht kwamen. Boven op de zolder van de Velpse fotograaf kwam ook zo’n ding terecht en de jongens zijn, stoer natuurlijk, naar boven geklauterd om te kijken. De granaat werd gauw uit het zolderraam gegooid, waarmee de jongens natuurlijk een behoorlijk risico liepen, maar daar ben je jong voor.

Piet jr. op een Canadese weapon

Piet jr. op een Canadese weapon

Wie die dingen afgeschoten heeft weet hij niet. Het kunnen de Canadezen geweest zijn, want vlak voor de bevrijding van o.a. Velp werd het dorp door de zware artillerie eerst fors onder handen genomen.
Het leverde behoorlijk wat schade op.
Op 4 april, denkt Piet, was de bevrijding een feit. Tanks en Canadees oorlogsmaterieel kwamen Velp binnenrollen en je keek als jongen je ogen uit naar al die tanks, pantserwagens en bren carriers.
Erop klauteren en als het even kan een stukje mee rijden was een uitdaging.
In ieder geval leverde het een mooie herinneringsfoto op die vader de Booys van zijn zoon mocht maken.
De Booys fotohandelWeer thuis komen in Arnhem, leverde een trieste aanblik op: De winkel was beschadigd en zwaar geplunderd.
Maar ja, welke winkel heeft datzelfde lot niet ondergaan? In ieder geval konden vader en zoon weer aan de slag.
Piet heeft de scholen afgemaakt en later in de winkel nog vele jaren de naam van de zaak in Arnhem hoog gehouden.
De oorlog en de winkel zijn nu een verre herinnering geworden.

Thea Bouhuijs website

Onvermoeibaar

Hoewel de binnenstad van Arnhem een eindje van de Molenbeekstraat nummer 4 verwijderd was en de strijd op die zondag de zeventiende september zich daar voornamelijk afspeelde, kreeg ook de speelomgeving van de toen dertienjarige Thea het nodige te verduren. Bommen op Klarendal, de Hoflaan en omgeving Prumelaan, lieten aan akoestische deelname aan de strijd niets te raden over. Met vader, moeder, haar jongste broertje Wimmie, plus nog eens twee nichtjes, zat zij onder de trap het eind van de bombardementen af te wachten. Pas daarna kon de schuilkelder in de tuin worden opgezocht.
Nadat het wat rustiger was geworden, werd de straat buiten verkend en zag Thea de ravage die de luchtdruk van de bommen had teweeg gebracht. De straat was bezaaid met glas, puin en splinters.

De straat was bezaaid met glas, puin en splinters

Alles moest worden weggeveegd door de buren die meteen waren begonnen de ramen met hout en karton dicht te spijkeren.
“Toen er weer luchtalarm was, zijn we de schuilkelder, maar nu in de tuin, in gegaan tot het in de lucht weer rustig was geworden”, vertelt Thea.
Vader Bouhuijs was weggeroepen door het Rode Kruis en bleef lange tijd weg. Zijn verhalen na terugkomst waren niet bemoedigend. Het zag er niet goed uit in de stad. Hij had veel gewonden moeten verzorgen en/of moeten transporteren naar het ziekenhuis.
Inmiddels waren ook enkele mensen bij ons binnen gekomen, die gevlucht waren uit de omgeving van de Hoflaan. Hun huis was zwaar getroffen en de vrouw had een scherfje in haar borst gekregen. Zij was hevig ontdaan en had medische hulp nodig.
Als dertienjarige, zoals alle dertienjarigen, was Thea natuurlijk een nieuwsgierig kind en de eerste de beste kans die zij kreeg, ging zij op onderzoek uit in de omgeving. De Hoflaan was zwaar getroffen. De huizen en winkels van vriendjes uit de buurt waren platgebombardeerd. Thea kan de namen nog noemen van de winkels die zich daar bevonden.

Andere kinderen hadden meer geluk. De dertienjarige Thea Bouhuijs woonde net ten zuiden van de Menno van Coehoornkazerne in de Molenbeekstraat, waar haar ouders Willem en Dora een stomerij en stoffenververij hadden. Thea’s eerste reactie op de aanstaande luchtaanval was geen angst maar puberale opwinding en verwondering toen de zogenoemde ‘window’ begon te vallen, dunne reepjes zilverpapier die door de geallieerden werden uitgeworpen om de Duitse radar te blokkeren. Thea stond op de hoek van de Velperweg en de Hoflaan en rende op en neer om de vreemde, glimmende papiertjes te verzamelen. “Het was een ochtend met een prachtige, helderblauwe lucht en wij, kinderen, zagen plotseling allemaal zilveren dingen uit de lucht vallen. We hadden het nooit eerder gezien, en vanwege de oorlog hadden we ook nog nooit zilverpapier gezien. We probeerden het allemaal op te rapen, zonder te weten wat het was. Het mooie zilverpapier kwam zomaar uit de lucht vallen. Er waren brede, lange en smalle stroken bij, allemaal verschillende lengtes waarvan je iets kon maken. Dat is een heel bijzondere herinnering voor mij. We stonden op de Velperweg, waar de bommen zouden gaan vallen. Plotseling klonk het luchtalarm en we renden zo snel mogelijk naar huis. We waren nog maar net binnen toen de eerste bommen vielen. Mijn moeder ging met de kinderen in de schuilkelder achter in onze tuin zitten. Mijn vader vertrok om de slachtoffers te verzorgen”.

Fragment uit: De verschrikking van de nacht van: Tony Sheldon

De Molenbeekstraat bevond zich op enige afstand van de binnenstad, maar dat het er daar heet aan toeging was goed te horen. De oorlog was wel heel erg dichtbij gekomen.

De oorlog was wel heel erg dichtbij gekomen

Er werd niet meer gebombardeerd, maar de Engelse vliegtuigen boven de stad gaven wel aan dat de strijd nog lang niet was gestreden. Genoeg redenen om voorzichtig te zijn op de grote wegen waar zich ook Duitse soldaten bevonden en dus doelwit voor de Engelse jagers waren.
Thea heeft op dertienjarige leeftijd met een potlood een dagboekje bijgehouden dat nu voorzichtig, in een plastic hoesje beschermd, een plek heeft gevonden tussen alle Airborne herinneringen in. En dat zijn er vele.

Vluchten
Zo staat er onder andere in dat er op zondag de vierentwintigste september geruchten waren dat ze moesten evacueren. ’s Middags werd inderdaad een gehuurde handwagen opgeladen en met opoe en opa er bovenop werd de tocht naar Velp ondernomen waar een oom van Thea een pension had gevonden dat, in ieder geval voorlopig, onderdak kon bieden.
Gebrek aan voedsel was natuurlijk een probleem waar de vele vluchtelingen, die naar Velp waren gegaan, mee te maken kregen. Thea vertelt van de slimme manier om toch wat extra’s te krijgen voor de grote familie die samenwoonde in het pension: In de rij staan voor brood en je daarna vermommen en opnieuw in de rij gaan staan. Je houdt dat natuurlijk niet lang vol, maar een aantal keren is het toch gelukt.
Thea vertelt van een Engels vliegtuig, zij noemt het ‘een Tommy’, dat in de Kerkallee op een huis is gestort en dat daardoor volledig was uitgebrand.
Het verblijf in Velp is, in Thea ’s geheugen, er één geweest van dagen die voorbijgaan.
Kinderen spelen, onder welke omstandigheid ook, altijd wel hun spelletjes. De zorgen zijn zoals het hoort bij de ouders en die waren er dan natuurlijk ook.
Er kwam een moment dat ook uit Velp geëvacueerd moest worden. De gemeente kon de grote hoeveelheid vluchtelingen niet meer aan en dat was vermoedelijk ook de reden.

Molenbeekstraat 4 te Arnhem

Molenbeekstraat 4 te Arnhem

Op een regenachtige dag, dinsdagmorgen 3 oktober 1944: Aankleden!
Warme kleding werd aan gedaan en de handwagen werd opgeladen. Thea praat over twee wagens, een handwagen en een bakfiets die door Thea’s moeder en zijzelf werd gereden. Het was moeizaam duwen met die zware wagens tegen de berg op schrijft zij en dan ook nog met de grootouders er bovenop, die onder het zeil zaten in verband met de regen.
Een troosteloze stoet mag je wel zeggen. Een van de heel veel op dat moment.
Via de Emmastraat en de Rozendaalselaan naar de Schelmseweg, dan linksaf naar de Amsterdamseweg waar zij zag dat het restaurant de Leeren Doedel geheel was uitgebrand.
Bij ‘Planken Wambuis’ werden de op de weg lopende evacuees door het Rode Kruis voorzien van koffie (of wat daar voor door moest gaan). Daarna ging het over de met oorlogsmaterieel bezaaide Ginkelse Hei.

Nassaulaan 22 te Ede; evacuatieadres familie Bouhuijs

Nassaulaan 22 te Ede; evacuatieadres familie Bouhuijs

Waarheen?  Naar Ede. Een garnizoensstad met veel kazernes, die de aandacht van de Engelse vliegtuigen natuurlijk nadrukkelijk vroegen. Veel bombardementen dus.
Er woonde familie in Ede en een doodvermoeide familie Bouhuijs kwam na veel zoeken aan in de Nassaulaan nummer 22. Het huis had, zagen ze bij hun aankomst, veel schade opgelopen door een paar bommen die in de buurt waren gevallen. Maar het was nog bewoonbaar.

Geëvacueerd
Oom Bertus en tante Jo haalden het armzalig verregende groepje mensen gastvrij binnen en maakten de kachel aan om ze wat op te warmen na die vermoeiende tocht.
Het lukte niet om allen onderdak te geven, maar bij kennissen kon nog ruimte worden gevonden.
Achttien man onder één dak!

Achttien man onder één dak

Een lintje voor Oom Bertus en tante Jo!
Hoewel karig was er toch elke dag wel iets te eten voor achttien man. Thea schrijft ergens dat zij zich tegoed heeft gedaan aan erwten, aardappelen en vlees.
Waar dat vandaan kwam weet ze niet.
Dat vraag je je als kind niet af, maar de ouderen zullen zeker ‘op pad ‘ zijn geweest om voor zo ’n groot gezin het noodzakelijke aan levensmiddelen binnen te halen.
Met brandhout was het een ander verhaal.
Veel bomen hebben in die tijd, clandestien, het loodje gelegd. Thea en haar vader hebben samen behoorlijk wat hout moeten zagen om het huis warm te houden en om vuur te hebben voor het fornuis, want er moest tenslotte ook gekookt kunnen worden.
Een carbidlamp zorgde ’s avonds voor de nodige verlichting.

Een carbidlamp zorgde ‘s avonds voor de nodige verlichting

Distributie stamkaart van Thea Bouhuijs

Distributie stamkaart van Thea Bouhuijs

Thea was een nieuwsgierig kind dat graag het naadje van de kous wil weten.
Veel herinneringen borrelen naar boven tijdens ons gesprek waarbij haar familie uitgebreid wordt toegelicht.
Ooms, tantes, neefje, nichtjes, heel veel passeert de revue.
Hun belevenissen gedurende de oorlogsjaren, waarvan Thea ook deel uit maakte, worden uitvoerig in haar dagboekje beschreven.
Een dagboekje dat te zijner tijd zeker zijn weg naar het Airborne Museum zal weten te vinden.
Een opmerkelijk feit is, dat reeds voor de oorlog distributie stamkaarten werden uitgegeven aan de bevolking.
Thea toonde de, op haar naam (zij was acht jaar op dat moment) staande, kaart die in de septemberdagen van 1939 is uitgegeven.
Als informatiebron heeft het Airborne Museum in Oosterbeek het volgende gegeven boven water gekregen.

Citaat:
Volgens schrijver Lou de Jong werden in de lente van 1939 de voorbereidingen getroffen voor het invoeren van een systeem van distributie. Het begon met op grote schaal uitgeven van de distributie stamkaart.

N.B.
In 1937 werd al een Rijksbureau, ter voorbereiding van de voedselvoorziening in oorlogstijd, opgericht.
Maar ook de crisisjaren van toen zullen van invloed zijn geweest op de noodzaak tot rantsoenering van levensmiddelen.
Er is veel om over na te praten. Vroeger, de zonnige vooroorlogse jaren en een zorgzame vader die zijn bedrijf Stomerij en Ververij ‘Rammelweide’ met succes op de Steenstraat exploiteerde.
De Padvinderij, waar Thea een verwoed liefhebster van was en waar zij het tot Akela schopte, heeft altijd haar liefde gehad.
Zeker de naoorlogse jaren waren vol van opbouwdrift.

Thea Bouhuijs in 1935. Vader kijkt toe.

Thea Bouhuijs in 1935. Vader kijkt toe.

Trauma’s heeft Thea er niet aan overgehouden. Een beschermde jeugd zal daar zeker aan hebben bijgedragen. Vader, moeder en broer Wimmie hebben het overleefd en een nieuwe toekomst gloorde.
Thea ging naar de MMS op de Apeldoornseweg en kwam in het onderwijs terecht.
Ongeschonden de oorlog doorgekomen?
Wij wel zegt Thea, maar een broer van mijn moeder is overleden toen hij zijn evacuatie adres in Beekbergen had gevonden. Hij woonde in Arnhem Zuid toen ‘het gedonder’ begon. Hij vluchtte eerst naar Huissen en is daarna met een kruiwagen volgeladen, over de inmiddels vrijgegeven Rijnbrug, met zijn vrouw naar Beekbergen gelopen. Een zware tocht.
Bij aankomst is hij aan een hartaanval overleden. Negenenveertig is hij geworden.
Je mag dat best dramatisch noemen om indirect slachtoffer te worden van de oorlog.
Thea, vierentachtig nu, kijkt terug op een woelige tijd waarvan zij voor het Airborne Museum te Oosterbeek veelvuldig verslag doet aan jeugdigen om de herinnering levend te houden. Het is bijna een dagtaak geworden.
Thuis stil zitten?
Dat is niks voor Thea Bouhuijs!

 

 

                            

 

 

Stien van Benthem met broertje Jan Bevrijdingsfeest

Ik had zo’n honger, zo’n honger samen met een vriendje hebben we brood gejat.

In 1944 was ik twaalf jaar, we hebben een vreselijke tijd gehad gedurende de evacuatie. We moesten steeds verder trekken, terwijl mijn moeder ernstig ziek was. We gingen met ons vijven; mijn vader, moeder, mijn broertje van zeven en mijn babybroertje Jan, 9 maanden oud en ik. Zelfs nu ik 83 ben, droom ik er nog wel eens van.

Heel Arnhem was een hel ‘s morgens 17 september 1944. Op de Klarendalseweg hebben ze de kazerne flink te pakken gehad, ook die kazerne bij restaurant Royal. Toen kwam het zo dichtbij, de tanks die door de straten reden, we zijn dus de kelder ingegaan. De buren hadden een kolenzaak, zij hadden een hele grote kelder, daar hebben we met een heel stel mensen gezeten. Ze hadden een heleboel weck. Zij hadden kolen, brandstof dat kon je ruilen. Kruidenier Kievit bij ons in de Akkerstraat, die heeft alles wat in zijn winkel stond uitgedeeld. Mijn opoe had bruine bonen in het water gezet, toen ze terug kwam van de evacuatie stond er heel hoog schimmel op.

Die stukjes papier met dat randje vuur, die dwarrelde naar beneden, dat was wel angstig.

Na een paar nachten bij buurman Anneveld in de kelder, gingen mijn vader en de buurman buiten kijken, boven aan de weg, vlakbij stond een tank. We konden de kelder niet uit. De volgende dag was die tank weg, we liepen vlug naar opa en oma op de Koolstraat, het was een chaos op straat, alle mensen liepen door elkaar, iedereen zocht zijn familie. Want overal waren grote plakkaten opgeplakt, dat we weg moesten. We zijn dus vertrokken, ik was helemaal niet bang, gek hè.
Ik voelde me verantwoordelijk, moeder ziek en een baby.
Ja, wat ik wel vreselijk vond, Arnhem brandde hè en zulke kleine stukjes papier, daar zat overal een randje vuur aan (ze wijst postzegelgrootte aan), die dwarrelde naar beneden, dat randje vuur, dat was wel angstig.
We zijn geëvacueerd richting Apeldoorn. We moesten lopen met een witte lap op een stok, maar die grote vliegtuigen, die kwamen heel laag over. Bij de Woeste Hoeve werden we opgewacht met paard en wagens, we zijn afgeslagen richting Loenen. We moesten heel voorzichtig rijden, want aan weerszijden van de weg lagen projectielen. Die moffen liepen voor de paard en wagen, want er mochten geen mensen meer lopen. In Loenen kwamen we aan bij een kartonfabriek; mijn opoe en opa met mijn tante; zij was 20; mijn vader, mijn broertje Kees en ik.
Mijn zieke moeder met mijn babybroertje Jan waren met een Roode Kruiswagen mee, maar wij wisten niet waarheen. Mijn vader was sergeant majoor in dienst, hij had altijd een goed overzicht, maar nu wisten we alleen, richting Apeldoorn. We kwamen in die kartonfabriek en ik had dorst, ik had nog nooit zo’n dorst gehad. Onderweg had ik in een fonteintje gezien, ik ben terug gelopen, die tuin in om te drinken.
Nu ik op TV (2015), die hele route van die vluchtelingen zie, dat pakt me ook hoor.
In die fabriek lagen allemaal strobalen. We kregen een hoekje daar, ik weet niet meer of we eten kregen. Ik weet wel dat mijn vader ’s morgens om 5 uur zei: “Stien we gaan je moeder en Jan zoeken”. We zijn die grote boerenlandweg opgegaan en de ene na de andere boerderij bezocht. Eindelijk vonden we mijn moeder. Mijn moeder dood en dood ziek, ze had astma en Jan krijste en krijste. Mijn vader heeft mijn moeder helemaal naar die kartonfabriek gedragen, ik twaalf jaar, droeg mijn broertje. Daar hebben we niet zo lang gezeten. We kregen onderdak bij boer Modderkolk in Loenen. Daar zijn wij een week geweest, mijn opa, oma en mijn tante zijn daar gebleven. Wij zijn vertrokken naar Voorst.
We hadden een hond, mijn vader wist al, met een hond kon je nergens terecht, het was een heel lief beest, ik was er gek op, maar de boer vond de hond ook leuk. Mijn vader zei: ”Je kunt hem kopen”, die boer antwoordde: ”dan geef ik er wel een roggebrood en roomboter voor”. Een eindje verder hebben we het roggebrood aangesneden; roomboter erop, ik eet het nog weleens, zo lekker.

De boerin pakte een kool, die sneed ze tegen haar borst aan

Wij vertrokken omdat er geen medicijnen meer waren voor mijn moeder, aan deze kant van de IJssel. We moesten dus de IJssel over. Mijn vader kreeg een Ausweis van de Duitsers. Met dat Ausweis konden wij de brug bij Zwolle over. Ons gezin ging lopen met mijn zieke moeder en de baby. Ik had een groot touw om mijn buik en mijn moeder dood ziek, hield zich vast aan de wagen, waarin Jan lag te krijsen. Kees liep ernaast. Zo liepen we daar als een stelletje armoedzaaiers. We hadden niet veel bij ons, want we waren maar voor een paar dagen vertrokken uit Arnhem, wij zijn tien maanden weggeweest.
We moesten richting het noorden, die hele tocht was een verschrikking, mijn moeder kon niet meer en ik had geen schoenen meer. Mijn vader hield een oude boer aan met een klein wagentje, waar je aan weerskanten kon zitten. Wij mochten mee. We rijden Hulshorst in en er komt een SS’er met het pistool gericht op mijn vader: “ Ausweis”. Mijn vader moest zich melden in het dorp, de militair in mijn vader kwam boven. Hij zegt tegen de boer: “ Is hier een kerk in de buurt?” “Ja” zei de boer. “Wil je ons daar heen brengen”. “Tuurlijk” zei de boer. We hebben de hele dag boven in de kerk gezeten, alle mensen die opgepakt waren, zijn gefusilleerd.
Het werd weer stil, we gingen ons melden bij de gemeente. We moesten weer 4 km verder lopen, we kwamen bij schatten van mensen, boeren. We kwamen aan, het was laat, we hadden zo’n honger. De boerin pakte een kool, die sneed ze tegen haar borst aan, aardappels en spek erbij, wij kregen eten. We hebben in de hilt, boven de koeien geslapen. Daar hadden we het hartstikke goed, ik hielp mee op het land, maar die jagers hè. Er liep een spoorlijn langs en die Amerikanen of Engelsen schoten op die spoorlijn.

Ik bleef liggen en zei: “Nee, ik ben dood, ik ben dood”!

Bij die boer in Hulshorst mocht ik paard en wagen meenemen, ik gooide de hele wagen vol bieten en dan terug rijden, dat vond die boer zo mooi. De kinderen in de buurt gingen eens met me mee, ik had toen de kruiwagen mee. We gingen in het bos spelen, ik had zo’n scherp oor voor die vliegtuigen, ik heb het hele zooitje in een greppel gegooid, ik ging er zelf bovenop liggen. Er werd weer op de spoorbaan geschoten, die vaders en moeders in angst, hun kinderen waren bij mij. De vliegtuigen waren weg, ik kom met kruiwagen en kinderen het bos uit, de moeders kwamen ons tegemoet.
Wij moesten er allemaal weg, de boeren ook.
We kregen een adres aan de Harderwijkerweg, die lui waren zo christelijk, daar werd je niet goed van. Mijn broer en ik moesten appels, die op de zolder lagen sorteren, we mochten er niks van opeten, dat deden we natuurlijk wel. Mijn moeder vroeg het sop nadat zij gewassen hadden, ze mocht het niet hebben.
Ik lag een keer in het veld , we zaten aan de Harderwijkerweg, de jagers kwamen eraan, zij dachten dat er tanks waren, ze gaan schieten, het waren melkwagens, de melk stroomde eruit. De boeren en alles wat daar leefde ging met pannen of een teil erna toe.
Maar ik lag op het veld, de granaten, ik zal het eerlijk vertellen, ik voelde ze de grond in gaan. Ze kwamen me ophalen, ze dachten dat ik dood was. Ik bleef liggen en zei: “Nee, ik ben dood, ik ben dood”! Hoe ik daar doorheen gekomen ben, ik weet het niet.

Het begon winter te worden, het vroor zo hard, als je ’s ochtends wakker werd, zat de deur vastgevroren, moest met een beitel opengehakt worden. De boer had ook een smidse met een winkel, wij sliepen in de etalage, je lag er open en bloot en zo koud. Daar konden we ook niet blijven, weer lopen. Ik vergeet het nooit meer, we lopen op een landweg, het begon te sneeuwen. Mijn moeder zag het niet meer zitten, ze wou Jan uit de wagen halen en weggooien, ”Ik kan niet meer” en dat kind maar huilen. We kwamen langs een boerderij, mijn vader vroeg of we op de deel het kind mochten verschonen. “Nee”.
Ik had geen winterjas, ik liep op klompen, als de zool versleten was, haalden we de bast van een berkenboom en deden dat in mijn klompen.
We waren een keer onderweg, we gingen ergens slapen. Mijn moeder was zo ziek dat die boerin zei: “Ik zal toch zien dat ik een dokter haal”. De dokter kwam, hij zei heeft u een kaarsje, ik kan haar zo niet inspuiten, je mocht geen licht maken.

Mijn vader was zo misselijk, die begint zo over te geven bij die Moffen

Zo trokken we verder tot Hasselt, vlak bij Zwolle, aan het water. Daar hebben we te vet gegeten. We gaan op een boot, een ijsbreker, richting Zwartsluis. Alle tenen van mijn moeder waren ontstoken. We komen aan in Zwartsluis, daar staan een paar moffen: “Ausweis”.
Mijn vader was zo misselijk, die begint zo over te geven bij die Moffen.We hadden familie in Zwartsluis, daar zijn we een week of drie geweest, allemaal verdeeld. Mijn moeder had geen medicijnen meer. Dan kwam er een keer een arts, maar die kon haast niet helpen, er was niks.

Weer verder, eindelijk komen we in Zwolle. We lopen de brug op. Mijn vader roept: “Liggen”. Weer jagers die schieten, we zijn wat beschoten onderweg hoor. Mijn vader had een rijke oom in Zwolle, De Graaf, we komen daar binnen: “OOOh Jannus” zeiden ze. We zagen er uit als een stelletje vieze landlopers. Een paar dagen zijn we daar geweest.
We gingen verder naar Assen in een hele grote school, of zo. Daar waren Limburgers, die waren over Duitsland daar gekomen, zij zaten onder de luizen, nu, binnen de kortste keren wij ook.
Wij hadden zo’n honger. Er zaten toevallig ook mensen uit Arnhem, die woonden dicht bij ons, hun zoon was net zo oud als ik. Hij zei: “Stien zullen we eens kijken of we iets te eten kunnen krijgen”. Er stond een rij bij de bakker, we hadden geen cent op zak, we waren bijna aan de beurt, we hebben allebei een half brood gepakt en zijn heel hard weggerend. Ik had zo’n honger.
Verder naar Tynaarlo, daar werden we weer verdeeld; Vader en moeder en Jan bij een boer, Kees en ik bij een andere boer. ’s Ochtends bij het ontbijt, we gaan op de houten bank met kussentjes zitten, de boerin zei direct: “Jullie hoeven niet op de kussentjes te zitten”. Daar moesten we de bevrijding afwachten.
Direct na de bevrijding werden de NSB’ers opgepakt, wij mochten samen met die Arnhemse familie in zo’n vrijgekomen huis van NSB’ers. Daarna mochten wij in een vakantie huisje van Quarles van Ufford, het was daar heel mooi; allemaal zand en heuvels, net het strand.
Eindelijk mochten we naar huis terug. In Arnhem lagen de straten zo hoog met vuil. We moesten eerst ontsmet worden in een school. Ons huis was door buurman Anneveld dichtgetimmerd met een hele grote spijker. Het dressoir stond boven aan de trap en er lag een dooie, uitgemergelde kat, er was een heleboel uit ons huis gehaald en alle foto’s waren weg, wat hebben ze daar nou aan.
Je moest weer naar school, we zochten de kinderen, die er niet meer waren, ze hadden het niet overleefd.

Toen we in Hulshorst waren heb ik gezien dat er drie mensen zijn doodgeschoten. De moffen hielden een boerenkar aan, de boer schoten ze dood en met de kar reden ze door. Ze kwamen een dokter tegen op weg naar een bevalling, ze schieten de dokter dood, zijn tas gooiden ze in de sloot. Met die kar komen ze bij de boerin, waar wij waren, die boer schieten ze ook dood, ik had Jan op de arm.
Een jaar of wat geleden zijn we terug gegaan naar Hulshorst, ik wilde weten heb ik dat nou gezien, ik had het verdrongen. We komen een oude boer tegen op een ouderwetse fiets, ik zeg: “Mag ik u wat vragen, wij zijn hier geëvacueerd geweest bij ome Kees” Hij zegt: “En tante Aartje”. “Ja”zeg ik.
“Waar die minsen zijn doodgeschoten” zegt hij. Ik had het weggestopt, toen wist ik het zeker.
Ik zal het nooit kwijtraken, ik heb zoveel bombardementen en beschietingen meegemaakt, dat ik er altijd weer ben uitgekomen, ik vergeet het nooit.

Mw. Stien Keus - van Benthem 2015

Mw. Stien Keus – van Benthem 2015

Foto: Vluchtelingenwerk
Arnhem

Echte zwervers

Corry Pelle 2015

Corry Pelle 2015

In de negentiger jaren trok een foto de aandacht, deze was gepubliceerd toen duizenden Vietnamese bootvluchtelingen een goed heenkomen zochten in het veilige Europa.
Dit is weer actueel in 2015, maar nu voor Syriërs.
Hoe actueel kun je zijn als je je herinneringen ophaalt op het moment dat je als Arnhemmer zelf vluchteling was uit het getroffen gebied.
Een verhaal dat op de keper beschouwd weinig verschilt met die van hen, maar met dit verschil dat je je toevlucht zocht bij landgenoten. En het bleek, ook toen al, dat je niet overal welkom was.

Ongeveer 150.000 Arnhemmers en Oosterbekers moesten een goed heenkomen zoeken

Ongeveer honderdvijftigduizend (!) Arnhemmers en Oosterbekers moesten een goed heenkomen zoeken in het nog bezette gebied van Nederland en ze gingen een van de zwaarste perioden in hun bestaan tegemoet.

Corrie Groenbos was een van hen.
In negen maanden tijd veertien (!) maal moeten verkassen om weer een nieuw slaapadres te zoeken voor een gezin van negen personen viel om de dooie dood niet mee voor vader Groenbos.
In een gebied dat al vergeven was van de vluchtelingen was het bijna ondoenlijk om een goed heen- en onderkomen te vinden met daarnaast het zoeken naar voedsel om alle lege magen te vullen.
De op diverse plaatsen provisorisch ingerichte opvangcentra van het Rode Kruis hadden zelf ook bijna niets meer te bieden.

Geboren in de van Imhoffstraat nummer 16 maakte Corrie deel uit van een gezin van negen personen.
Bijna het hele koor zat aan tafel toen Tonnie, een zus van Corrie, kwam binnenstormen met de uitroep dat de Tommy’s waren geland. Consternatie alom.
Vader ging meteen op onderzoek uit en ging naar tante Cor een zus van Corries moeder en naar Oma in de Rodenburgstraat.
Vanaf haar balkonnetje kon je zo de straatjes daarachter het Weerdjesgebied inkijken.
Van beschietingen weet Corrie nog dat ze van vader onder de trap moesten ‘schuilen’ omdat hij dacht dat dat de veiligste plek was.
Over het geheel genomen was in de wijk het Broek toch niet veel waar te nemen van de gevechten die rondom de brug plaatsvonden. Natuurlijk hoorde je wel veel strijdrumoer en er zijn zelfs bommen in de buurt gevallen, maar het vechten was toch redelijk ver weg van huis. Er waren wel veel vliegtuigen in de lucht.

Er waren wel veel vliegtuigen in de lucht

Corrie blijkt een kei in het opnoemen van namen van familieleden, straatnamen en buurten die allemaal een rol in haar, toen elf jaar jonge, leventje speelden.
Teveel om op te noemen en de onderlinge relaties uit elkaar te houden, was een hele toer.
En passant komt ook het vergissingsbombardement op de gasfabriek in februari van dat jaar voorbij. Daarbij is ook een deel van de Rijnwijk en het Broek getroffen.
Ook daaraan heeft Corrie nog levendige herinneringen, al maken die geen deel uit van ons evacuatieverhaal.
Als leerlinge van de, op geringe afstand daarvan gelegen, school op het van Verschuersplein was dat een ervaring om nooit te vergeten. Ze weet nog dat ze tijdens dat bombardement allemaal in de gang op de grond moesten gaan zitten. “Tja, je moest wat, zullen de leerkrachten toen wel gedacht hebben”.

Evacueren!
Corries vader had een handkar op de kop getikt. Het konijn werd uit het hok gehaald want dat moest, in de kinderwagen, ook mee van moeder.
Eerst werd tante Cor opgehaald in de Oost Peterstraat en met haar op de handkar werd de tocht aangevangen.
Het werd het begin van een lange en schier eindeloze zwerftocht die vader Groenbos met zijn gezin moest doormaken.
Ze waren lang niet overal welkom met zo’n groot gezin.
Vanaf het begin van de evacuatie tot aan de bevrijding zijn bij elkaar opgeteld zeker veertien adressen voor korte of iets langere tijd bezocht. Soms werd comfortabel en soms slecht onderdak verkregen.

Soms werd comfortabel en soms slecht onderdak verkregen

En natuurlijk speelde de voedselvoorziening een grote rol.
Corrie noemt ze op: Een nachtje geslapen in de Arnhemse wijk Klarendal bij familie, doorgegaan naar een slaapplaats in Rozendaal en onderweg zwaaiend naar Engelse soldaten die kennelijk gevangen zaten in een grote villa op de Velperweg in Velp.
Vervolgens via Avegoor naar Dieren.
Corrie weet nog dat op een zijpad, even voorbij Avegoor een grote tank stond. Zij had nog nooit van dichtbij zo’n groot ding gezien. Hij draaide de loop nog in hun richting denkt Corrie nog te weten. Griezelig!
Nooit meer vergeten.
Corrie vertelt dat zij na de oorlog in Arnhem eens onverwacht met een tank werd geconfronteerd. Het bezorgde haar bijna en trauma weet zij nog.
In Dieren kwam de familie terecht in een oude kinderkolonie vertelt zij. Nu staat op die plek het Crematorium. Dat ding heette ‘de Geitenberg’ herinnert zij zich. Een naam die aan een Arnhemse wijk doet denken.
Corrie beschrijft het gebouwencomplex met de omringende paviljoens en een hoofdgebouw waar een eetzaal was gevestigd.
Intussen is haar moeder met de kinderwagen teruggegaan naar Arnhem om te zien of er nog wat spullen uit het huis te halen zijn. Met o.a. de naaimachine, foto’s en ondergoed kwam zij terug.
Tot aan haar knieën heeft zij door het water moeten waden om bij het huis te kunnen komen. Alles stond onder water vertelde haar moeder bij terugkomst.
Tot in de Stadhouderstraat stond alles blank.
Van oude spullen heeft haar moeder voor de kinderen nog poppen en meer leuke dingen gemaakt voor de Sinterklaas.
Tot januari heeft de familie in de Geitenberg gezeten. Vervolgens kwamen ze in Brummen terecht waar in de dekenfabriek werd geslapen.
“Achteraf hoorden we”, vertelt Corrie, “dat na hun vertrek uit Dieren de Geitenberg was afgebrand”.
Na één nacht in Brummen, zijn ze doorgelopen naar Zutphen. Moeder bleek achteraf in verwachting te zijn, maar daar hadden de kinderen geen flauwe notie van.
Dat hoorden ze pas veel later.
Nu zaten tante Cor en moeder samen op de handkar, die vader en zijn zwager helemaal naar Zutphen moesten duwen.
“Daar werden we door het Rode Kruis gekeurd en onderzocht op luizen”.

Daar werden we door het Rode Kruis gekeurd en onderzocht op luizen

Vader was de pineut en werd met poeder (DDT?) behandeld. In een school werd in hooi op de grond geslapen.
“De volgende ochtend zijn we alweer doorgelopen richting Deventer”.
Ook in Deventer werd in een school geslapen maar daar werd op een bepaald moment hevig gebombardeerd en moesten ze opnieuw de benen nemen toen een bom wel heel erg dichtbij neer kwam.
Besloten werd door te lopen naar Raalte. “Daar kregen we pap met roggebrood”, weet Corrie nog, “een stuk metworst erbij waarna de hele familie moest overgeven omdat we deze zware kost niet meer konden verdragen vanwege onze verzwakte magen”.
Weer ging het verder, nu richting Zwolle, Meppel en Steenwijk en uiteindelijk kwamen ze in Heerenveen waar een tabaksfabriek ‘de Ouwe Rooker’ gevestigd was, herinnert Corrie zich.
Daar kregen ze weer roggebrood, weet zij nog. Corrie kan zich niet goed meer herinneren waar overal werd geslapen. Het was lopen en slapen en lopen en slapen.

Het was lopen en slapen en lopen en slapen

Al die plaatsen, teveel om op te noemen en steeds verder van huis natuurlijk.
Maar we zijn er nog niet.
“We gingen door en kwamen via Drachten tenslotte in Ureterp terecht”.
“Eigenlijk was het Wijjeterp, dat daar dichtbij lag, maar deze plaats bestaat niet meer”
zegt Corrie.

Eindbestemming
Aan een ongelofelijke voettocht met een handkar, geduwd door vader en oom Kees, waarop twee vrouwen zaten en waarvan er één zwanger was, was tot een einde gekomen.
Het zal toen zo begin maart zijn geweest dat zij hun uiteindelijke bestemming hadden gevonden. Al die maanden is het een zwervend bestaan geweest.
Verspreid werden de families ondergebracht bij verschillende gezinnen in en rond Ureterp.
Corrie beschrijft de familie waar zij was ondergebracht en het sneetje brood met kunsthoning (nooit vergeten!) dat zij kreeg.
De man was brugwachter, weet zij nog. “Hij bediende zo’n ophaalbrug, maar tegenwoordig loopt daar een snelweg”.
In de schuur van de fietsenwinkel mochten zij verblijven. Daar heeft moeder haar kind gekregen, maar ook weer verloren. Corrie weet de juiste toedracht niet. Er is nooit over gepraat.
Wat zij hiervan weet is veel later pas bekend geworden en dan ook nog maar mondjesmaat. Maar ja, er gebeurde in die tijd natuurlijk wel meer dat buiten de waarneming van kinderen zich afspeelde.

Bevrijding
Ik ging naar school tot aan de bevrijding. “Leuke school”, weet zij nog.
Honger in Friesland? “Nee, dat hebben wij daar niet gehad”, zegt Corrie.
Van de bevrijding kan zij zich alleen het feest herinneren. Wel weet ze dat ze bij terugkomst in Arnhem eerst op de Rozendaalsestraat (op de Geitenkamp) onder de douche moesten en dat ze gecontroleerd werden op ongedierte. Daarna werden ze behandeld met DDT.
Thuisgekomen bleek het hele huis een puihoop, maar dat was niet uitzonderlijk in het Arnhem van 1945.

Foto Hupje website

Een groot avontuur

Herinneringen
Teveel om op te noemen!
Frits Hupjé is een avontuurlijk mens die, zeer nieuwsgierig van aard, geen gevaar ziet en er met zijn vriendenkringetje van zo’n man of drie, soms vier, graag op onderzoek uit ging als er wat te beleven viel.
Dat is hij nooit meer kwijt geraakt, al is het veel minder met zijn nu negentig jaren en een lijf dat ongehoorzaam is geworden aan zijn baas.
En er viel veel te onderzoeken op 17 september 1944!

Pontanuslaan 77, geboortehuis Frits in 1944

Pontanuslaan 77, geboortehuis Frits in 1944

Frits is geboren in de Pontanuslaan nummer 77 in Arnhem en het was ook zijn woonhuis in de septemberdagen van 1944.
Omdat zijn moeder in 1943 jong was overleden en zijn zus elders woonde, waren hij en zijn vader op dat moment de enige bewoners van het huis.
Het eerste jaar van de oorlog was Frits nog een Zypse Trekker, een padvindersgroep die erg populair was in die dagen en hun clubhuis had in de Trompetsteeg.
Hij beleeft daaraan goede herinneringen en beschikt nog over veel foto’s uit die jaren. Het was een mooie tijd maar helaas; de Duitsers verboden de padvinderij.

De Duitsers verboden de padvinderij

De groep is nog een tijdje ondergronds doorgegaan totdat het te gevaarlijk werd. Verraders zijn namelijk altijd in de buurt.
Als achttienjarige in 1943 werd Frits verplicht ingelijfd bij de Arbeidsdienst en moest hij zo’n zes maanden dienst doen, weet hij nog.
Dat was een nieuw avontuur, maar vóór de landingen was hij er al weer uit.
Deelen werd kort voor de landingen zwaar door de geallieerden gebombardeerd om te voorkomen dat de Duitsers het vliegveld konden gebruiken tijdens de geplande massale landingen nabij Ede. Dat hij en een aantal collega buurtgenoten dit hebben overleefd, mag een wonder worden genoemd.

Na de eerste bommen sprongen ze in een bomkrater

Na de eerste bommen sprongen ze in een bomkrater (twee bommen op dezelfde plek komt nooit voor wisten ze) en ze wachtten tot het oorverdovende bombardement voorbij was. Bleek van schrik en hevig aangedaan, onder het vuil, maar levend, kropen de jongens uit het gat.
Meteen erna begon het werk om de gaten weer met zand te vullen en de startbanen weer gereed te maken.

Aardappelen rooien met de Arbeidsdienst

Aardappelen rooien met de Arbeidsdienst

Van de tocht terug naar huis weet Frits niet meer zo veel, maar wel dat hij nooit meer is teruggekeerd naar de Arbeidsdienst. De slag om Arnhem was begonnen.
Toch was dat geen slechte tijd weet hij nog, avontuurlijk als hij was. Met een hele ploeg de boeren helpen met aardappelen rooien (met van die ijzeren vingerpunten, weet hij nog) was niet eens ongezellig.
Weliswaar enigszins op militaire leest geschoeid met spaden over de schouder, in plaats van een geweer en leren exerceren, vonden die jonge knullen wel stoer.
“Vergeet niet”, stelt Frits, “dat de propaganda van de Duitsers enorm sterk was”. Overdonderend soms. Je ging er in mee en werd er door gefascineerd als je niet voldoende tegengas kreeg van je omgeving.
Hij was er niet ongevoelig voor en gaf gehoor aan de oproep voor de Arbeidsdienst. Het is hem na de oorlog ook nooit aangerekend.
Hij tekende na de bevrijding zonder problemen als OVW-er voor het Nederlandse leger, maar dat terzijde.

Het avontuur
Natuurlijk ging de vriendenclub, bestaande uit onder andere Joep Suringh en Gerrit van de Pol, op onderzoek uit toen de gevechten in de binnenstad hoorbaar waren en zo kwamen zij in de Koningstraat terecht.
Frits had daar nog een vriendinnetje wonen, dochter van de slager, weet hij nog. “Nou ja, één van de vele”, vertelt hij met pretoogjes.
Wel weet hij nog dat de slager het helemaal niet eens was met deze relatie en hem een keer met een lang mes heeft nagezeten. “Kan ook een kort mesje zijn geweest, dat weet ik niet meer hoor”.
Dan komen er verhalen los van avonturen aan het water van de Nieuwe Haven waar Joeps vader twee sleepboten had liggen en de Rhenus (de woonboot van het gezin Suringh) thuishaven was van de vriendenclub.
“Wat hebben we daar een lol gehad”, vertelt Frits.

Met onder andere Gerrit v.d. Pol, zoon van de groenteboer die tegenover de slager woonde, was hij dik bevriend. Die familie, zoals de meesten in de Koningstraat, had inmiddels de benen genomen naar familie in de St. Antonielaan, een oom van Gerrit.

Er werd zwaar gevochten in de omgeving

Het werd link in de binnenstad. Het gevaar lag om de hoek. Er werd zwaar gevochten in de omgeving.
Toch gingen de jongens op verzoek van Gerrits vader, die zijn horloge in de winkel had laten liggen, naar de Koningstraat. Eerst de Apeldoornseweg af en dat ging nog, maar toen werd het echt link.
De binnenstad was oorlogsgebied geworden en om in de Koningstraat te komen, moest van winkel tot winkel worden geslopen.
Ze haalden het en in het lege huis werd het horloge gevonden en tevens werden meer spullen ingepakt.
Frits herinnert zich dat hij zijn plusfour, zo’n pofbroek, gebruikte om wat fruit in te stoppen.
Het mag een wonder heten dat ze niet gepakt werden of onder vuur zijn komen te liggen van de Duitsers of de Engelsen.
In die omgeving en op dat moment kon je ze van beide kanten verwachten.

Het blijven kwajongens
Het horloge hadden ze te pakken gekregen, oh zo!
Alle spullen werden op een ladder gelegd, dat draagt makkelijker, en zo werd alles meegenomen.
Of het verzoek van de ‘ouwe’ van de Pol het risico waard is geweest, kun je achteraf betwisten, maar je was jong en je durfde de uitdaging aan.
Frits vertelt dat hij altijd met moeite zijn nieuwsgierigheid heeft kunnen bedwingen en dat dat linke situaties kan opleveren, is inherent aan die neiging.
Dat accepteer je of niet.
“Twee gevonden stenguns werden, kort na de oorlog”, vertelt Frits tussendoor, “in het huis van Gerrit v.d.Pol uitgeprobeerd en toen vader Gerrit het daarvan op zijn zenuwen kreeg, gingen we naar mijn huis”.
Daar hebben we ook geschoten met die dingen tot de politie ons op het spoor kwam. “We hebben ze weggemoffeld in de dakgoot”.
Frits vertelt van een keer dat ze op de Schelmseweg Engelse battle dresses hebben gevonden. “Mooi spul”!
We hebben de kleren natuurlijk aangetrokken en toen op de fiets verder. “Duitsers die we op de weg toevallig tegen kwamen, schrokken en namen de benen denkend dat we Engelsen waren. Wij reden, ook geschrokken, net zo hard weg”.
Een paar maanden, volgens Frits, zijn hij en zijn vader nog in de Pontanuslaan blijven zitten totdat zij door de moffen er uit werden gegooid.
“Met vader zijn de nodige zaken op de fiets gepakt en we vertrokken naar Schaarsbergen waar we een tijdje zijn ondergebracht bij familie”.
Frits vertelt van een granaat die daar plotseling in de nabijheid ontplofte.
“Ik schrok mij het apelazarus”, zegt hij.
Later werd doorgefietst naar Barneveld, waar de evacuatietijd werd doorgebracht in een school. Tot aan de bevrijding!
“Dat vond ik helemaal niet erg”, zegt Frits. “En vader, die scharrelde altijd wel wat te eten op zodat ik geen echte honger heb gekend”.
Nu moet gezegd worden, dat je makkelijker voor twee personen wat op kunt scharrelen dan voor een gezin van acht of tien personen, zoals heel veel Arnhemse gezinnen waren samengesteld.
“De dominee die zich ook in die school bevond, kreeg wel een onderkomen aangeboden, maar wij niet”, wilde Frits nog kwijt met een blik van verstandhouding.
“Nou ja, Barneveld, dan weet je het wel”.
“Maanden in die school op het stro geslapen”.
“Van de bevrijding helemaal niets meegekregen.”
”Niets van gemerkt”
“Weer thuisgekomen, bleek mijn geheime bergplaats in huis nog de spulletjes te bevatten die ik verborgen had bij ons vertrek”.
Wat er in zat weet Frits niet meer. “Het zullen wel jongensspullen zijn geweest”.

Het huis was geplunderd

“Het huis was geplunderd, maar het stond er nog”, vertelt Frits met trots.
Van de toen achterliggende oorlogsjaren heeft Frits geen trauma overgehouden.
“Welnee, ik zocht het avontuur”, zegt hij.
Meteen na de bevrijding heeft hij zich als oorlogsvrijwilliger aangemeld bij het Nederlandse leger. “Ik kreeg een opleiding in Engeland en vertrok voor drie jaar naar Nederlands Indië”.
Thuis gekomen was het moeilijk om aan de bak te komen, om het zo maar te noemen en dat lukte niet goed.
Emigreren?
Na een kortstondige verloving is het koppeltje samen vertrokken en getrouwd.
Er volgde twintig jaar Australië en later een definitieve terugkeer naar Nederland wegens familieomstandigheden.
Ook nu weer moesten de eindjes aan elkaar worden geknoopt en avontuurlijk als Frits was, heeft hij veel gedaan om aan de kost te komen. Spijt? “Nee hoor, nergens spijt van gehad”.
“Ik heb een avontuurlijk leven gehad en dat dat pakken ze me niet meer af”!
Trouwens, ook de pretoogjes niet!
Het is dat het lijf niet meer wil maar ja, dat hadden we in het begin van dit verhaal al geconstateerd.

Airbborne Kerhof

Ik had veel pijn aan mijn voeten, maar ja, we hadden ver gelopen

In 1944 was ik elf jaar en ik woonde op Lebretweg 11 in Oosterbeek en op nr. 3 woonde mijn oma en daar tussen woonde een broer van mijn vader, die daar met mijn vader een aannemersbedrijf had. Na de oorlog hoorden we dat daar, door de politie twee motorfietsen verstopt waren, onder de grond in de houtloods. Ze werden er weer uitgehaald, dat heb ik gezien, de Duitsers hadden ze niet gevonden. Wel heeft mijn vader, onder dwang, voor de Duitsers moeten werken in die werkplaats. Het gebouw in Mariëndael was gevorderd, dat werd min of meer als kazerne gebruikt, daar moesten dingen veranderd worden, die werden bij ons in de werkplaats gemaakt. Je kon niet zeggen dat doe ik niet, want dan werd er een pistool op je gezet. Mijn vader was ook bij de Dienst Bescherming Burgerbevolking.

Pastoor Bruggeman heeft de preek ingekort

Voor mij is Oosterbeek en de slag om Arnhem een deel van mijn leven geweest. Het hele gekke is dat ik er na de oorlog eigenlijk niet mee bezig geweest ben, nu pas heb ik veel dingen bekeken en verzameld. Ik heb er met mijn kleinkinderen over gesproken. En met een kleinzoon, hij is 24, ben ik in het Airborne museum en het museum in Soesterberg geweest. Deze kleinzoon weet veel van de Slag om Arnhem en wil ook heel veel van mij weten. Als ik met de kinderen, zij wonen in Oosterbeek tijdens een wandeling over het Airborne kerkhof loop, raak ik altijd vol, dan zie ik die jongens die om ons heen gelopen hebben, toen ik elf jaar was.

Airborne Kerkhof Andre Goossens

Airborne Kerkhof Andre Goossens

Ik ben ook anders tegen die herdenkingen aan gaan kijken, als direct na de oorlog, toen was het ook wel plichtsbesef. Nu besef ik dat ik een onderdeel geweest ben, van dat gebeuren, dat ik er deel van uitmaakte. Je bent na de oorlog bezig met de opbouw, daarbij komt dat ik als kind al heel enthousiast was voor trams. Ik ben vanaf de vierde klas in Arnhem naar school gegaan, ik ging met de tram* naar school. Dat heeft grote indruk gemaakt.

Op 17 september stonden we ’s morgens op de stoep bij mijn oma om naar de kerk te gaan, om tien uur was de hoogmis. Ik was misdienaar en ik huppelde al om half tien naar de kerk. Pastoor Bruggeman heeft de preek ingekort, omdat hij voelde dat er iets ging gebeuren. Hij spoorde de mensen aan om te bidden voor de vrede. Je voelde gewoon, door al die vliegtuigen in de lucht, er gaat iets gebeuren.
Op een gegeven moment reed de tram niet meer, de stroom was van de bovenleiding af. Ik weet nog dat we ’s middags naar mijn oma zijn geweest. Mijn Heeroom, die Kapelaan was in Elst was er ook, want de pastorie in Elst was door de Duitsers gevorderd. Toen begon de luchtlanding, we werden naar ons eigen huis gebonjourd. Bij Oma uit het zolderraam kon je de parachutisten zien landen, als kind zag je de bezorgde gezichten van de volwassenen, het was niet pluis.
Mijn vader is zondag 17 september naar de Wilhelminaschool geroepen, om te overleggen met de Bescherming Bevolking wat er moest gebeuren. Toen werd besloten dat de mensen in de kelders moesten blijven, omdat Oosterbeek oorlogsgebied werd. Mijn vader is de wijk afgeweest. Ook werden de ramen van de kruidenier en de melkboer afgeplakt met breed papieren plakband uit onze werkplaats, zodat de ruiten niet zo snel stuk zouden gaan.

er stonden grote bruine stenen inmaakpotten, die werden bedekt met planken

We zijn op maandag in de kelder gegaan, maar ik ben wel die maandagmorgen om zeven uur met mijn heeroom naar de kerk geweest om een eucharistieviering te begeleiden, er was niemand in de kerk. Pastoor Bruggeman ging na de mis lopend met de hosties de wijk in, ik heb hem zelf nog de Velum (lange schouderdoek) omgedaan. Wij gingen gauw naar huis, naar de schuilkelder.
Op de derde dag is het huis van mijn oma door een voltreffer geraakt, toen is die hele familie bij ons in de schuilkelder gekomen, we hadden een heel grote kelder. Daar hebben we gezeten tot 25 september. Die kelder was zeker 7 bij 4 meter, daar zaten: mijn vader, moeder, oma, heeroom, tante met baby en mijn neefjes en nichtjes; twee zussen van mijn vader en later ook nog een familie, die uit hun kelder gevlucht waren. Wij woonden dus naast het aannemersbedrijf.
Er was een rek, waar aardappels op bewaard werden, daar werden planken overheen gelegd en je had bedden. In de houtloods werden de planken op maat gemaakt. Ook stonden er grote bruine stenen inmaakpotten, die werden bedekt met planken, daar konden we op zitten. Voor mijn oma werd er een stoel uit het huis gehaald. Er stonden ook levensmiddelen, je had nog geen koelkast. Wij kinderen sliepen allemaal naast elkaar op de grond op matrassen. ’s Morgens om zeven uur ging ik met heeroom naar de kerk voor de mis.
Donderdag 21 sept. hebben we in de kerk heel veel angst gehad, want toen we om half negen weer naar huis wilden lopen, werd er geschoten, toen dorst de pastoor niet weg. We hebben in de sacristie bij die dikke stalen kluisdeur gestaan, totdat het mitrailleergeluid over was, ik denk tot kwart over negen. Hardlopend zijn we naar huis gegaan. We waren dus katholiek, wij baden heel veel in de kelder, ik was een gelovig kind en ik vroeg onze lieve Heer of ik het vol kon houden. Ook toen ik onderweg zo’n pijn aan mijn voeten kreeg.

Dan zei oma: “We gaan weer bidden”, dat gaf toch weer een zekere rust

Er was eten genoeg in de kelder. Er werd gekookt en eten klaargemaakt door mijn moeder, mijn vader en heeroom, zij gingen naar boven en wij bleven beneden. Op een keer kwamen ze naar beneden, omdat er Duitsers met pistolen in de tuin liepen, ze gingen naar de houtloods, want er zouden Tommies zijn. Mijn vader moest de loods open doen, ze vroegen of er Tommies waren, nee alleen vrouwen en kinderen. In de kelder zijn nooit soldaten geweest. Wel in huis. Ze waren zelf ook bang hoor, ’s middags kwam er een tank de oprit van de werkplaats oprijden, die werd door een granaat getroffen. Een Duitser riep “Walter lebst du noch”? Dan zei oma: “We gaan weer bidden”, dat gaf toch weer een zekere rust.
Toen zijn we geëvacueerd, wij zijn lopend naar Harskamp (ongeveer 20 km) gegaan. Er is een kinderwagen en een handwagen meegenomen, met een hele hoop bepakking; kleren en zo. Ik kreeg een tasje met ondergoed en een paar bloesjes, maar geen schoenen. Ik wilde persé die sandalen aan, die liepen makkelijk. Mijn moeder had ook toiletspullen, washandjes en stukken sunlightzeep mee genomen.
Hoe voelde u zich tijdens die tocht?
Als je als elfjarige in die vreemde omgeving loopt en je weet wat je hebt meegemaakt; het schieten, het inslaan van patronen, de angst in die kelder, je was daar weg, je ging naar veilig gebied.
Je ouders houden je dat ook voor, doorlopen, niet klagen, want we raken nu in veiligheid. Ik was enig kind, maar ik had veel neefjes en nichtjes, die meegingen met die tocht. Ook mijn oma, mijn tante met baby, op 16 september geboren, en nog twee tantes. Je loopt en ziet de ellende van andere mensen. In een verenigingsgebouw hebben we tijdelijk onderdak gehad. We kwamen met alle neefjes en nichtjes op strobalen met dekens erover, te liggen en een deken over je heen, dat vond je al heel wat, want in die kelder was ook maar weinig ruimte met zoveel mensen.
Mijn heeroom is op de fiets naar Bunnik gegaan om te kijken of we daar onderdak konden vinden. De pastoor wilde hem graag terug in de pastorie, daar was ook ruimte voor zijn moeder en zijn oudste zus. Het klooster ernaast kon ook een paar familieleden hebben. Tevens had de pastoor er voor gezorgd dat er twee boerderijen waren, die ook familieleden konden hebben. Ik ben met mijn vader en moeder bij een dokter in Bunnik ondergebracht.

Na de oorlog bleek dat mijn tenen gebroken waren geweest

Wij zijn lopend van Harskamp naar Bunnik gegaan, mijn tante lag met pasgeboren baby op een handwagen, waar een paard voor was gezet. Als die boeren hun paarden voor de evacues gebruikten hadden ze geen last van de Duitsers, zij wilden de evacues ook kwijt.
Ik heb daarbij mijn voeten helemaal kapot gelopen, daar heb ik na de oorlog nog een heleboel ellende mee gehad. Ik had sandalen aan, die liep ik kapot in Scherpenzeel, daar kreeg ik van het Rode Kruis klompen. Ik had toen al vrij grote voeten en die klompen zijn te klein geweest. Ik heb mijn grote tenen kapot gelopen, ik had veel pijn aan mijn voeten, maar ja, we hadden ver gelopen. De huisdokter heeft er wel even naar gekeken, maar ik was zo moe en overstuur. Hij besteedde niet echt aandacht aan mijn voeten. Na de oorlog bleek dat mijn tenen gebroken waren geweest en verkeerd aan elkaar gegroeid. Ik ben in 1948 in de St Maartens kliniek in Nijmegen geopereerd, waarbij een stuk van mijn tenen is afgehaald, ik heb geen nagels meer aan mijn grote tenen, maar ik heb er verder geen last van.
Het huis van de dokter werd gevorderd en wij werden overgebracht naar een boerderij. Daar hadden we beter eten en drinken. Die boer kon mijn vader goed gebruiken, want er was nogal wat timmerwerk te verrichten. We hebben daar redelijk rustig negen maanden gezeten. In Bunnik kreeg ik een vriendje en we maakten een miniatuur boerenkar met een paard ervoor, waar we mee speelden in de tuin en gingen ook voetballen. Eén keer moesten we van een meester in de droge sloot gaan schuilen, vanwege een aanval op de brug bij de Kromme Rijn, er vlogen Engelse vliegtuigen over die probeerden die brug te vernietigen.

Berichten in de voering van mijn jas

De enige angstige momenten in Bunnik kwamen bij de bevrijding. De boer was erg anti Duits, er werd ook naar de verboden radio geluisterd. Er werd een gedeelte van de boerderij gevorderd, er werden eerst vijf militairen ondergebracht, dat werden er later twee van de Wehrmacht.
Met steun van mijn vader en de boer zijn de Duitsers gedeserteerd. Er werd een slaapkamerdeur helemaal verwoest, de klerenkast opengebroken, daar kleren uitgehaald. De militaire uniformen en geweren werden in de gierput gegooid. Toen de soldaten veilig weg waren, heeft de boer veel trammelant geschopt, bij de Ortscommandant. Die stelde vast dat ze gevlucht waren. De twee gevluchte Duitsers wisten van alles, o.a. waar de radio stond, ze wisten ook dat ik ’s avonds mijn oma welterusten ging wensen. Aan de binnenkant van de voering van mijn winterjas zat een papier gespeld, met daarop de berichten van de Engelse radio. Ik deed bij oma mijn jas uit en kreeg wat te drinken en ondertussen haalde mijn heeroom die brief uit de voering. Mijn vader heeft mij dat na de oorlog pas verteld.

Wij konden alleen ’s woensdagsmiddags naar school, Bunnik had een kleine school, daar konden ze de kinderen van evacuees er niet bij hebben. Op woensdagmiddag kwam er een onderwijzeres uit Bemmel. Zij was die zondag, de 17e sept. op bezoek bij kennissen in Arnhem, zij kon niet terug over de Rijn, dus zij moest mee evacueren. Zij was in Odijk vlak bij Bunnik geëvacueerd, we kregen les van haar met heel veel huiswerk. Ik heb de vijfde klas praktisch niet doorlopen. Ik zat in Arnhem op school vlakbij het station hoek Bergstraat en de Utrechtseweg op de St Eusebiusschool. In Oosterbeek had ik problemen gekregen, doordat de derde klas te veel leerlingen had, waardoor ze mij te vroeg naar de vierde klas lieten gaan, midden in het leerjaar.
Ik heb daarna bij de fraters in Arnhem de vierde klas gevolgd. Toen ik in de vijfde klas zat werd de school gevorderd door de Duitsers; als militair onderkomen. We moesten toen naar de Tamboersbosjes school aan de Amsterdamseweg , weer werd de school gevorderd. Daarna naar de Rietgrachtstraat, dat ging ook fout, we zijn toen een paar weken thuis geweest.

De Arnhemse tram

De Arnhemse tram

Ik kon toen de bijwagens van de tram duwen. Trams waren altijd mijn hobby, dat zijn ze nu nog.

 

In de sacristie van de gehavende kerk stond een kruis, dat heeft een Engelse soldaat meegenomen, hij bracht het jaren later weer terug en beweerde dat hij door dat kruis in leven was gebleven.

Gen. Urquhart Herdenking Airborne Kerkhof

Gen. Urquhart Herdenking Airborne Kerkhof

 

Andre Goossens Tram

André Goossens 2015

 

 

 

 

 

 

 

 

* Van 1880 tot 1944 reden er trams in Arnhem en Oosterbeek.

Rien van der Ende website

Holbewoners

Het is een verrassing om een vijfennegentigjarige te mogen interviewen die ze, populair gezegd, allemaal nog goed op een rijtje heeft. En hoe!
Scherp als een mes alle namen van straten en personen nog kunnen noemen, levert  na zeventig jaar mooie momenten op in het gesprek met een rasechte, in de refter van het klooster ‘Huize Oosterveld’ geboren, Eldenaar. Dit in verband met de verbouwing van de aanleunende gezinswoning van de familie van der Ende.

Het werd een enerverende periode in het leven van de 24 jaar jonge Rien van der Ende, één van de elf ( acht broers en twee zussen ) kinderen van het gezin, toen op 17 september 1944 het leven in Elden op zijn kop stond.
Rien is helder van geest. Hij weet nu nog alles vanaf zijn vijfde levensjaar. Geen detail blijft achterwege in het gesprek.
Elden was in korte tijd een puinhoop na de eerste landingen van de Para’s.
Het melken van de koeien ging moeizaam. Na de eerste twee emmers moesten Rien met zijn vrienden Sammy, Kees en Theo al schuilen voor het geschiet over de dijk. De melkbussen uit de stad ophalen ging al helemaal niet meer. De Brug was strijdtoneel geworden.

De brug was strijdtoneel geworden

De volgende dag was één volle emmer het resultaat na gevaarlijk sluip en kruipwerk; het werd link. Een Duitser die de jongens aanvankelijk voor para’s aan zag, kon van het tegendeel worden overtuigd door de volle emmer melk te tonen.
De donderdag na de landingen werd besloten een schuilkelder te gaan graven omdat het te gevaarlijk was geworden om in huis te blijven wonen. Het was zwaar en langdurig werk, maar met zoveel handen aan de schop lukte het om een onderkomen te maken dat het hele gezin kon huisvesten. Niettemin bleven Rien en zijn broer Cor toch thuis slapen. Nadat zij wat hadden gegeten, zagen zij de eerste achttien Engelse krijgsgevangenen voorbij het huis marcheren. Een trieste aanblik.
Door het afnemend krijgsrumoer kregen de jongens meer de gelegenheid om de koeien te gaan melken. Maar gevaarlijk bleef het wel zodat menigmaal de sloot moest worden opgezocht om te schuilen voor granaatvuur.

Rien van der Ende rechtsboven 1934 (Foto historische kring Elden)

Rien van der Ende rechtsboven 1934 (Foto historische kring Elden)

Tot de zondag na de landingen was de situatie min of meer onder controle. De twee jongens en de rest van de familie zaten in de schuilkelder, toen vader van der Ende plotseling voor hun neus stond. Er waren een paar granaten vlakbij de schuilkelder ontploft die meteen ook zo’n acht fruitbomen en de druivenkas hadden vernield. Kortom, het werd nu echt link.
Toen nieuwe landingen aan de Betuwekant plaatsvonden en de gevechten weer oplaaiden besloten Rien, broer Cor en Theo de Bugter, zeer tegen hun zin in, toch maar de schuilkelder op te zoeken.
Toen kort erop iedereen moest evacueren uit Elden besloten Rien’s ouders naar broer Jan te vertrekken. Die had een boerderijtje vlakbij begraafplaats Moscowa.
Rien en drie andere broers bleven achter. Zij wilden Elden niet verlaten en nestelden zich in de schuilkelder in de bongerd.
Toch besloten de broers wat later naar Huissen (het toen dichtstbijzijnde dorp) te lopen om te zien of daar ‘normaal’ onderdak te vinden was. Rien ging niet mee. Hij wilde Elden niet verlaten.
Samen met nog twee achtergebleven vrienden, Sammy (eigenlijk Theo) de Bugter en zijn broer Frits werd besloten in Elden de Engelse bevrijders af te wachten.

Geen honger
Aan voedsel was geen gebrek.
Melk in overvloed en een door granaatscherven gedode koe werd vakkundig (?) ter plaatse door de jongens in de wei geslacht. Rien toonde zich een vakman in de kring van holbewoners.

Een gedode koe werd vakkundig in de wei geslacht

Het transport leverde wel wat problemen op want hoeveel koe kan een mens op z’n eentje dragen?
Zelfs aan één kruiwagen hadden ze niet genoeg. Het vlees werd gepekeld (zout genoeg uit de leegstaande winkels) en bewaard voor moeilijke tijden. Zelfs groente van het land was in voldoende mate aanwezig.
Beurtelings werd het koken van de maaltijd door één van hen ter hand genomen. Zo ontstond na enige tijd een redelijk goed georganiseerde, letterlijk ondergrondse samenleving.
Met Duitse soldaten werd soms vlees geruild voor brood of sigaretten, maar dat was in de momenten van redelijke rust.

De strijd kwam dichterbij

De strijd kwam dichterbij.
Dat was goed te merken, want granaatvuur van Engelse zijde (Uit Nijmegen) kwam al overal in Elden terecht.

Armband Lucht Beschermings Dienst

Armband Lucht Beschermings Dienst

De armband van de luchtbeschermingsdienst kwam vaak van pas als de jongens door het dorp liepen op zoek naar voedsel of een beter onderkomen voor de nacht. Menigmaal werden ze aangehouden voor controle.
Niet alleen werd in de schuilkelder geslapen. Ook zagen de jongens wel eens kans om bijvoorbeeld in een beter gebouwd onderkomen de nacht door te brengen.
Een keer kwamen Duitsers controleren toen ze in een verlaten bakkerij wat spullen zochten om hun schuilkelder te versterken. Met drie man(!) in de oven en één, Rien met de armband, erbuiten wisten ze aan ontdekking te ontkomen.
Er kwam een moment dat in Elden de grond te heet werd onder hun voeten. Er werd besloten elders een nieuw hol te gaan graven.
De plaats werd een plek waar nu het winkelcentrum Kronenburg is gevestigd.
Je kunt het je nu moeilijk voorstellen; in die tijd waren het nog allemaal landerijen met sloten er omheen.
Het was een hele klus, maar ze kregen het voor elkaar. ‘De Leeren Doedel’ noemden ze het.
Toch werd op den duur ook daar de situatie onhoudbaar.
Het slechte weer naderde en op het laatst, tijdens een hevige regenbui, liep het hol onder water en was het niet meer bruikbaar als onderkomen, hoezeer ze ook nog een tijd lang geprobeerd hadden om met vlonders hun voeten droog te houden.

Plattegrond van het hol van boerderij 'de Koppel'

Plattegrond van het hol van boerderij ‘de Koppel’

Een nieuw hol werd gegraven.
Tijdens het graven kwamen ze nog onder hevig granaatvuur te liggen zodat ze zeker een uur in een greppel hebben moeten schuilen. Na het overbrengen van de nodige ‘huisraad ‘, voor zover je dat zo kon noemen, namen ze daar hun intrek.
Het ondergrondse leven bestond uit het vullen van de dagen met eten voorbereiden, heel veel potjes dammen met elkaar, lezen, praten en bidden.
Een varken werd geslacht en gepekeld zodat de voorraad vlees weer kon worden aangevuld.
Overleven was de belangrijkste doelstelling van hun verblijf in het hol dat ze ‘de Duikeleend noemden.

Nu echt evacueren
Van 27 oktober tot 24 november hebben de jongens in het hol gezeten (gewoond)’. Toen de beschietingen te hevig werden, werd het echt einde verhaal. Na zes weken ‘ondergronds’ was het genoeg, het ging niet meer, het werd te link.
Besloten werd de Rijn over te steken en de ouders op te zoeken.
Naast de niet meer in gebruik zijnde schipbrug lag een pontje dat door de Duitsers werd gebruikt om ’s nachts de oversteek te wagen. Overdag was het te gevaarlijk door de Engelse jachtvliegtuigen die constant boven de stad cirkelden. Het pontje bleek stuk en na urenlang wachten en repareren kon die nacht de oversteek worden gewaagd.
Rien herinnert zich de dode, zwijgende stad waardoor ze liepen. Het was griezelig. Niets te zien, geen leven, niks.

Het was griezelig, niets te zien, geen leven, niks

Ze liepen de Rijnstraat in “Je weet niet wat je ziet”, schrijft Rien in zijn dagboekje. “Puinhopen overal, de winkelruiten waren kapot, gescheurde gordijnen wapperden naar buiten, alles lag op straat: schoenen, kleding, meubels. Het ergste was de doodse stilte; het was angstig luguber en donker”, schrijft Rien.
Achteraf kan je zeggen dat ze erg veel geluk hebben gehad tijdens die tocht door de stad. De nerveuze Duitsers schoten op alles wat bewoog in die verlaten straten, bang voor Engelsen en voor de ondergrondse.
Uiteindelijk bereikten de jongens via de lange Apeldoornseweg de boerderij bij Moscowa waar nog licht brandde. De hele familie bleek daar nog te zijn!
“Waar kom jij vandaan”, riep zijn broer toen hij de deur open deed. “Groot was de blijdschap bij het terugzien van mijn ouders en broers en zusjes”, schrijft Rien.
En hij heeft heerlijk geslapen in de hooiberg!
Via zijn toekomstige zwager lukt het Rien om voor de hele familie tijdelijk onderdak te krijgen op de Kemperbergerweg in villa Holliday waar tot eind december kon worden overnacht. De boerderij van zijn oudste broer was wel erg klein om zo’n groot gezin te kunnen herbergen.
Op Schaarsbergen moest Rien een paar weken werken voor het Duitse Rode Kruis.
“Rode Kruis is Rode Kruis”, zegt Rien, “of het nou Duits is of Nederlands. Mensen redden staat altijd voorop”.

Overleven op de Geitenkamp
Door met de kolenboer op de Geitenkamp mee te rijden en te helpen kon wat worden bijverdiend, soms in de vorm van (achterover gedrukte) kolen. Ook Riens vader kreeg werk in de gaarkeuken, dat natuurlijk ook weer wat extra voedsel opleverde. Je deed wat om het hoofd boven water te houden.
In januari 1945 werd naar de Fazantenweg 37, een leegstaande woning, verhuisd.
De Geitenkamp was half leeg, of half vol zo je wilt, en er waren dus lege huizen genoeg om te bewonen.
Rien werd ingelijfd bij de ‘Organisation TODT’  en moest voor de Duitsers werken. Dat het met weinig enthousiasme gebeurde, laat zich raden.
Rien zag kort erna kans er tussenuit te knijpen.
Hand en spandiensten werden daarna verricht voor een oude kennis, Antoon van Santen, die op de Geitenkamp als blokhoofd de Lucht Bescherming Dienst leidde en veel werkzaamheden delegeerde naar bekenden en vrienden.
Hij versierde voor Rien een ‘ausweis’.

plat op straat onder de stenen probeerde hij weg te kruipen

Van hem kreeg Rien ook op zeker moment het verzoek om medicijnen te halen bij het Duitse Rode kruis. Deze waren bestemd voor een vrouw die door ernstig bloedverlies tijdens haar bevalling van een tweeling dreigde te sterven. Probleem was dat hij daarvoor de handtekening nodig had van de NSB-burgemeester die op de Paasberg woonde en dat was een gevaarlijk traject op dat moment.
Rien accepteerde de opdracht en lag even daarna in de buurt van de Badhuisstraat onder zwaar artillerievuur. “Het ging zo erg tekeer, dat hij bijna gillend van angst en in blinde paniek, zoals hij in zijn dagboek schrijft, plat op straat, langs de trottoirband, onder de stenen probeerde weg te kruipen”.
Het was dertien april 1945. Toen het na vijf minuten plotseling stil werd, zette hij het op een rennen naar de Bronbeeklaan waar hij de burgemeester thuis trof. Na veel aandringen en uitleg kreeg hij de gevraagde handtekening.
De vrouw heeft de medicijnen gekregen en heeft het overleefd. Ook Rien heeft het overleefd tot verwondering van velen die op afstand getuigen waren van de artilleriebeschietingen en hem daar tussen wisten. Het heeft helaas veel onschuldige slachtoffers gekost.

Door Rien van der Ende geinitieerde 'Geitenkampmonument'

Door Rien van der Ende geinitieerde ‘Geitenkampmonument’

OorkondeOp initiatief van Marinus en na jarenlang lobbyen is het hem gelukt een monument ter nagedachtenis van deze slachtoffers op de Geitenkamp geplaatst te krijgen. Hij is hiervoor benoemd tot lid in de orde van Oranje Nassau.
Aansluitend komt dan het volgende verhaal: Heel veel, drieëndertig, jaren later ontmoet Rien zijn nieuwe buren, een net getrouwd stel.
Rien raakt in gesprek met de vader van de bruid, Stefen Jansen, en hoort van de man dat hij al jaren op zoek was naar de knul die met doodsverachting in 1945 zijn leven heeft gewaagd om medicijnen te krijgen die zijn vrouw het leven heeft gered.
Zij was bevallen van een tweeling en de bruid bleek een van de twee! Ze zou in het kraambed gestorven zijn als de medicijnen er niet waren geweest.
Met stijgende belangstelling hoort Rien het aan en komt, stomverbaasd, tot de slotsom: “Dat was ik”!
Het hoeft niet gezegd, maar de twee mannen zijn vrienden voor het leven geworden.
En het ouderlijk huis in Elden?
Verwoest.
Weg.
Niets meer van over.
Uitgebrand.
Met andere woorden: Veel werk aan de winkel!