Gezin Hobe 1943 foto door Joodse fotografe

Bewoners Politiebureau Oosterbeek 1944

Het gezin Hobé woonde in 1944 in het Oosterbeekse politiebureau aan de Utrechtseweg; vader, moeder, dochter Ans 10 jaar en zoon Henk 8 jaar. De heer Hobé was conciërge van het politiebureau en op woensdagmiddag, donderdag, vrijdag en zaterdag ook badmeester in het gemeentelijk badhuis op de Schoolstraat. Voor de evacuatie was het best moeilijk, de Duitsers gingen Joden ophalen in 1942/43. Mijn vader vertelde later, dat als ze dat wisten, dan werden de Joden gewaarschuwd, wegwezen. Mijn moeder en hulp Gerrie assisteerden ook, ze maakten kantoren schoon. Moeder verzorgde ook het brood voor de arrestanten. Gerrie hielp ook in het badhuis. Op een dag kwam er een bordje op het badhuis: Verboden voor Joden. Er kwam altijd een Joodse fotografe met haar moeder, zij woonde op de Paul Krugerstraat. Mijn vader verstopten hen achter de wasmachine in de keuken van het badhuis, als dat nodig was. Die fotografe heeft ons gezin uitgenodigd in haar tuin, daar heeft ze foto’s van ons gemaakt, (Red. Deze foto is gemaakt op 10-7-1943, hij staat boven het verhaal )

Voormalig Politiebureau 2017

Voormalig Politiebureau Oosterbeek foto: 2017 Aaltje

Slag om Arnhem
We moesten tijdens de slag om Arnhem de kelder in. Mijn vader had cokes in de kelder liggen, die was in de aanbouw achter het politie bureau. Op de brokken cokes werden matrassen gelegd. Er kwamen ook agenten bij ons die geen kelder hadden. Het was heel vol, we hebben er wel een week gezeten. Op een gegeven moment kwamen er Duitsers, die zeiden jullie moeten eruit. Er werd besloten dat we zouden blijven, we moesten toen heel stil zijn, mochten niet meer praten, daar werden we heel bang van. Als het rustig was, dan gingen ze boven koken. Bovenaan de trap was een kraan en daar waren toiletten.
Toen we in de kelder van het politiebureau zaten, is er een voltreffer op ons gebouw gevallen eentje links van het torentje en later nog één rechts. Mijn moeder werd op slag doof van de enorme knal, we moesten heel hard tegen haar schreeuwen.

Evacuatie
Op een dag moesten we weg. De fietsen werden volgeladen met kleding en dekens, we moesten vreselijk ver lopen. Mijn vader had een groentetuintje en daar had hij konijnen, die heeft hij de vrijheid gegeven. Aardappels werden meegenomen. Op de Dreyenseweg daar lagen veel dode militairen. Mijn vader zei: “Nu moet je voor je uit kijken”. Er liepen veel mensen op die weg. Verder ging het over de Harderwijkerweg, we kwamen in Otterlo, daar werden we doorgestuurd naar Harskamp. We werden geregistreerd in een school en iemand bracht ons lopend naar een boerderijtje. Het was een vrijgezelle boer, zijn nichtje kookte voor hem en deed het huishouden. Die boer was niet blij met ons een gezin met twee kinderen. Alles ging zoveel mogelijk buiten ons om. Mijn vader heeft wel geprobeerd hem te helpen, maar hij kon het daar niet goed vinden. Mijn moeder heeft het onbewust goed verpest. Mijn moeder kookte graag en vroeg het nichtje: “ ik wil ook wel een keer koken”. Zij deden karnemelk in de andijvie stamp, dat vond ik vies. Toen mijn moeder gekookt had, gaf die boer haar een compliment. Het nichtje werd zo boos ze zei: “Zij eruit of ik eruit”.
We sliepen boven op de deel op strozakken. Ik kreeg geelzucht toen kreeg ik een bed van het Rode Kruis, daar heb ik zes weken in moeten liggen.
In de lente werd het bakhuisje schoon gemaakt en woonden we daar. We konden niet naar school die was gevorderd door de Duitsers, we mochten daar niet komen.
We deden ook boodschappen brood kopen met bonkaarten en zo, dan zag je gelijk andere evacues, soms uit Oosterbeek. Zondags gingen we naar kerk, mijn ouders gingen in Oosterbeek zelden naar de kerk, maar nu had je daar ook aanspraak.

Ik vroeg mijn vader eens breng je mijn pop mee

Mijn moeder maakte voor mij een katoenen zakje, daarmee ging ik met vriendinnetjes langs de boerderijen, voor een paar centen of voor niks kregen we een handvol rogge of tarwe. Onderweg kwamen er weleens vliegtuigen over, die bestookten de Duitsers in kamp “De Harskamp”. Ik was dan erg bang zonder ouders, we moesten dan plat bij de sloot gaan liggen.
Mijn moeder kookte de rogge dan met water, roggebrood, gelukkig geen pap daar rilde ik van.
Mijn vader is een paar keer naar Oosterbeek terug geweest en heeft de koffiemolen meegenomen om de rogge te malen. Ik vroeg mijn vader eens breng je mijn pop mee. Hij zei: ”Kind dat kan niet, want ik heb weckflessen bij me”. Ik stond te kijken of mijn vader al terug kwam, ik realiseerde me nooit dat het fout kon gaan, hij had de pop op zijn stuur vastgebonden. Ze gingen ook wel met meerdere mensen, want je mocht daar niet komen, het was “Sperrgebiet”, dan konden er mensen op de uitkijk staan. Mijn moeder is ook wel eens mee geweest, ons hadden ze alleen gelaten. Met de fietsenmaker uit Harskamp heeft mijn vader een fiets in elkaar gezet voor mij, met houten banden.
Er was een modelboerderij in Harskamp, daar waren veel Oosterbekers, daar ging ik spelen met vriendinnetjes. We gingen ook wel stiekem de koeien melken, kwajongensstreek, we hadden niet echt honger, maar eten was mondjesmaat. Mijn oma en twee zussen van mijn moeder zaten in Otterlo. Mijn oma had tien kinderen, ik heb nog een brief die ze hier schreef op 21 januari 1945 aan haar zoon Ed in Groningen. (Red. Zie hier onder een gedeelte uit die brief)
We liepen naar Otterlo en dan mochten we blijven logeren. Daar kwamen die trekkers uit Rotterdam en omstreken op hongertocht, die mochten daar overnachten. Dan lagen we op het stro in de schuur, die Rotterdammers vertelden moppen, dan hadden we veel plezier. Oma werd ziek is naar het noodhospitaal in het Kröller Müller museum gebracht, daar is ze overleden, ze was 63 jaar.
We hadden een klein kacheltje, die werd gestookt met eikenhakhout bij de boerderij vandaan. Mijn vader verstopte zich daar, hij moest werken voor de TODT, loopgraven maken in Veenendaal. Hij wilde daar niet aan mee werken.

De Canadezen zeiden ja, maar dan moet jij wel roken, anders geen sigaretten

Bevrijding
We zaten op de deel van de boerderij de meest veilige plaats, er was geen kelder. Er kwam een Duitse soldaat de deel oplopen, hij wilde verstopt worden. Mijn vader zei: “dat kunnen we niet doen, er zijn hier kinderen en er is een boer het is veel te gevaarlijk als er gevochten gaat worden”.
Op een dag kwamen de Canadezen voorbij de boerderij, dat was vreselijk fijn. Mijn moeder ging meteen naar mijn tantes. Mijn vader heeft mij zo gek gekregen dat ik naar de Canadezen ging. Hij zei: Annie wil jij eens naar dat kamp gaan, dan moet je vragen, of je sigaretten mee mag nemen. Ik erheen, ze hadden de grootste lol, ze zeiden ja, maar dan moet jij wel roken, anders geen sigaretten. Ik vond roken helemaal niet leuk, maar daarna kreeg ik van al die jongens een paar sigaretten mee. Mijn vader was er zo blij mee.
De vlaggen gingen wel uit, maar er was geen optocht of zo. In Oosterbeek hebben we op 31 augustus, de verjaardag van Koningin Wilhelmina feest gevierd, er was van alles georganiseerd. Ik kreeg een lange jurk met pofmouwen aan die mijn moeder had gemaakt van verbandgaas. Toen mocht ik op zo’n platte wagen met paarden ervoor het dorp door, prachtig vond ik het.

een kamer en suite, daar is een klas van de MULO op het Zaaijerplein ondergebracht

Terug in Oosterbeek
Wij mochten als één van de eerste terug, want het politieapparaat moest worden opgestart. We waren zo blij, dat we Harskamp achter ons konden laten, het was haast euforisch en de oorlog was afgelopen natuurlijk. Ik weet nog dat er een meisje, het was een moffenmeid werd meegenomen, ze was kaal geschoren en had wat plukken haar, ik vond het vreselijk, vreselijk. Ik wist helemaal niet wat die meiden met die moffen deden.
Van het leger kregen de agenten tenten, die werden op de gaten in het dak gelegd. Wij woonden in het huis achter het politiebureau op de Jan van Embdenweg, in een gedeelte van die grote villa, die is er nog (2017). Links van de voordeur was een kamer en suite, daar is een klas van de MULO op het Zaaijerplein ondergebracht.

Ans en broer Henk 10-7-43003

Ans en broer Henk

Ik zat op de gereformeerde school bij meester Kaspers op de Schoolstraat. De school van Kaspers was helemaal plat. Mijn vader was doodsbenauwd, want overal lag oorlogstuig. We waren eens wezen zwemmen, toen is er een kind de lucht ingevlogen.
Een andere keer een kind een been eraf.

Ans en broer en nichtjes002

Ans met broer en nichtjes 1945

In 1945 werd ik elf jaar, ik kwam in een klas voor kinderen die naar het Lyceum mochten. Examen gedaan toen naar het Christelijk Lyceum in Arnhem met een legerbus, er was nog geen ander vervoer. In de tweede klas bleef ik zitten, van mijn vader moest ik naar de Reijenga MULO. Die was toen op de hoek van de Stationstraat in Quatre Bras.
Ik heb gezien dat de film “Theirs is the glory” is opgenomen op de Weverstraat in 1945.
Een veteraan die bij ons logeerde vertelde dat de Engelse parachutisten een jack met een flap droegen, die ze voor het springen tussen hun benen moesten vastmaken, zodat het jack blijft zitten. Met de terugtocht over de Rijn hielden ze die flap vast van degene die voor hen liep, terwijl er links en rechts van hen werd geschoten door de Engelsen/Polen, als afleidingsmanoeuvre.

Herdenking
De schoolkinderen kregen twee graven te verzorgen na de oorlog, één unknown en één met een naam erop. Er kwam iemand bij ons die zei: Ik heb mensen te logeren, die mevrouw is de moeder van de jongen, waarvan jij het graf verzorgt. Ze willen graag kennis met je maken. Ik kende nog weinig Engels, ik zat pas op het Lyceum. Ik vond het oude mensen, ook hun schoondochter en kleinzoon waren erbij. Het jongetje kon net lopen, die vrouw was zwanger toen haar man stierf. We gingen samen naar het kerkhof, dat waren toen nog van die zandheuveltjes met een wit kruis erop. Ik was eigenlijk angstig, verbaasd, als je 13 bent kun je je nog niet indenken hoe dat is, ik voelde wel dat het heel emotioneel voor hen was.
We hebben later regelmatig Engelse veteranen als gasten gehad, eentje zei eens: “ Ik liep langs de hoofdweg en jullie zaten in de kelder”, dat vond hij heel apart.

Colin Fowler dec 1944004

Colin Fowler dec 1944

Colin Fowler Molly 2004005

Colin en Molly Fowler 2004

Colin Fowler en zijn vrouw Molly zijn vaak bij ons te gast geweest. Hij was een jaar of 20 in 1944, hij maakte de terugtocht vanaf het oude kerkje bij de Rijn. Wij zijn ook bij hen geweest in Engeland. We hebben met hen een tocht door Schotland gemaakt. Ze zijn nu overleden. Ik heb nog contact met een dochter.

Ik heb 68 keer de Airborne wandeltocht gelopen en wil dit jaar weer graag lopen. Dat vind ik belangrijk, ik wil blijven herdenken.

Passages uit de brief van mijn oma aan haar zoon in Groningen.

Ans van Wijck-Hobé 2017

Ans van Wijck-Hobé 2017

Otterlo, 21 Januari 1945

Beste Ed,

Van de week je brief ontvangen met bonnen, de eerste brief niet ontvangen.
Wij hebben lucifers gekocht voor 9 gulden per pak, 3 pakken. En 10 gulden toe voor 1 mud aardappels, maar we hadden wat. Steeds lopen wij de dorsmachines na voor rogge en krijgen daar nog weleens wat, hier en daar 5 pond en zoo helpen we ons. Kou hoeven we niet te lijden, steeds wordt er hout voor ons aangevraagd.
Hier vliegen steeds V I ’s en laten wel eens een bom vallen. Van de week kwamen hier weer Duitschers ’s nachts aankloppen en gaan dan ook weer weg en vragen om paard en wagen, wat ook verdwenen is. Overal is honger en ellende.
Wanneer zullen wij elkander weer zien, dat vraag ik mij elken dag af en word dan verdrietig. Het duurt ook zoo lang, verder vele groeten van allen en een kusje van Rietje, het kind is ook heel uit haar doen.

Met vele groeten van je moeder
en verdere familie.

Van de week nog paardenvlees gekocht voor 4 gulden per pond, het beest van Fluit was gevallen en meteen uitgepond. Het smaakte fijn hoor.

Dag en tot ziens
hoop ik.

Rechts Corry Snippe1942 School met de bijbel

Tussen twee vuren

Jawel, als je in de Arnhemse Langstraat nr. 84 woonde dan was het op dat moment de verkeerde plek. De Engelse aanvalsgolf die de 17e september 1944 richting Rijnbrug rolde ging over juist die woonhuizen heen die aan of tegen de Rijnkade aan waren gebouwd. De omgeving Oude – en Nieuwe Kraan; Weerdjesstraat; Oeverstraat; Vossenstraat; Nieuwstraat, het was in korte tijd een slagveld geworden. Corry, zelf geboren aan de Bovenbergstraat, met twee zussen, ouders en vier broers, waarvan de oudste was gevlucht en later in Engeland terecht kwam, woonden daar precies midden in.
De eerste bommen in de buurt van het mooie Hotel Du Soleil aan de Oude Kraan, waren gevallen en het oorverdovende lawaai van het oorlogsgeweld deed de oren suizen. Veel gezien heeft Corry natuurlijk niet. Vader had bevolen dat ze allemaal binnen moesten blijven. De oudere broers namen natuurlijk meer risico’s en verkenden de omgeving voor zover mogelijk. Corry vertelt van een straatgenoot – hij werd in de volksbuurt ‘de Neus Monfrooi’ genoemd -, die luidruchtig zijn geluk over de bevrijding door de Engelsen niet kon verbergen. Met een grote sigaar in zijn mond riep hij rond; dat ze vanavond een Oranjebittertje zouden drinken. Prompt werd hij doodgeschoten door, vermoedelijk, een Duitse scherpschutter (sniper), die ergens in de Oeverstraat op een dak zat. De brandweer die daar vlakbij een post had, heeft de gedode man nog naar de Vossenstraat gebracht waar een bierbrouwerij gevestigd was. Toen dat gebouw wat later in brand werd geschoten, moet ‘de Neus’ zijn mee verbrand.

een aantal paarden op hol sloegen

Veel van het werkelijke strijdgewoel heeft zij niet met eigen ogen kunnen, liever gezegd mogen, waarnemen. Binnen blijven was het devies. Vader was groentehandelaar en beschikte over veel schuurruimte waarin o.a. het paard was gestald. Iets wat overigens in de buurt veelvuldig het geval was. Corry weet nog dat één van de stallen in de buurt – er woonden veel handelaren – was geraakt door scherven of granaatvuur en een aantal paarden op hol sloegen. Ze renden door de straten. Wat er verder mee gebeurd is, of ze het overleefd hebben, weet zij niet meer. Het was chaos alom. Samen met twee gezinnen die boven woonden zat het hele koor in de stal, die vader versterkt had met zakken vol aardappelen. Hoewel tijdens de gevechten heel veel huizen het loodje legden, bleef huize Snippe tamelijk ongeschonden. Dat is trouwens een constatering achteraf toen, de familie na de bevrijding terugkeerde.

School met de bijbel 1942-1943 privé bezit Corry Wigt-Snippe

School met de bijbel 1942-1943 privé bezit Corry Wigt-Snippe

Dat er van schoolgaan niets meer terecht kwam is duidelijk. Het net begonnen schooljaar moest worden uitgesteld tot betere tijden en niemand die wist wanneer die zouden aanbreken.
‘Mijn twee jaar oudere broer vertelde later dat een vriendje van hem was getroffen door een granaat en ter plaatse overleed’. ‘Ik heb het zelf niet gezien’ vertelt Corry, ‘maar buiten tikkertje spelen tijdens de gevechten heb ik nooit helemaal begrepen’. ‘Maar ja, jongens namen nou eenmaal meer risico’s’. Toen de wisselende strijd tussen de Engelse Para’s en de Duitsers – het ene moment waren we bevrijd, het andere waren we weer bezet – vrijwel achter de rug was moesten we het huis uit. “Evacueren”: zei vader.
Met een volgeladen handkar – geleend van de meubelhandel Masar – ging het, samen met de familie Rosmalen de Kortestraat in en via de Jansstraat naar het Willemsplein waar, herinnert Corry zich, een grote Duitse tank stond. Midden op het toenmalige grasveld! Er moeten dode soldaten en burgers hebben gelegen, hoorde zij later, maar Corry herinnert zich dat niet zo scherp meer. Er was ook zoveel dat om je aandacht vroeg. Als je net elf jaar geworden bent, dan kijk je al behoorlijk om je heen, maar na zeventig jaar wordt het toch moeilijk alles scherp in je geheugen terug te roepen, constateren zowel schrijver dezes als de vertelster.

Het scheiden van de families; kinderen elders, pikte moeder Snippe niet

Nadat ze de controleposten bij de Zypsepoort waren gepasseerd ging het bergopwaarts via de Sonsbeekweg en de Apeldoornseweg naar de De Wiltstraat, daar woonde een tante (Jansen), waar zij een steenhouwerij voerden. Ook van daaruit, konden ze de grote kerktoren in brand zien staan. Een week later kwam het bevel dat heel Arnhem moest evacueren.
De familie Rosmalen, ook vijf personen, liepen mee naar Apeldoorn. Onderweg werd er door vliegtuigen veel geschoten, dat was best angstig. Aangekomen op een groot kerkplein in Apeldoorn herinnert zij zich dat er hulpposten waren ingericht die de evacuees verder hielpen naar verblijfplaatsen. Het scheiden van de families; kinderen elders of verspreid, pikte moeder Snippe niet. ‘Mijn kinderen blijven bij mij’ was haar kordate reactie. Ze werden ondergebracht bij de familie Zevenhuizen die een transportbedrijf hadden aan het Apeldoorns – Dierens kanaal. Het hele koor, inclusief de families Rosmalen en Jansen uit de De Wiltstraat, ook met vijf personen, totaal achttien man!, mochten mee. Het was een groot huis waar ze terecht kwamen. Voor aan de straat stond het woonhuis en achteraan de opslagruimtes voor paarden en wagens. ‘In zo’n grote hal met strobalen versterkt, werden wij ondergebracht’. ‘In een andere hal stonden de paarden’. Vlakbij het woonhuis stond een schaftlokaal waar de families overdag konden verblijven. Daar was warmte middels een kacheltje. Probleem was natuurlijk het eten. Corry weet dat er honger is geleden. Waar het beetje, dat er was vandaan kwam weet zij natuurlijk niet. De ouders hadden die zorg en dat zal ze zwaar zijn gevallen.
Het meeste kwam van de gaarkeuken, denk Corry en de kinderen mochten eens in de week, op Zondag weet zij nog, bij mensen van de Kerk komen eten.
Met moeder en zus ging zij ook wel eens de boer op, met een klein karretje om te zien of er nog wat eetbaars te halen viel.Het spooremplacement was er vlak achter. ‘Bij beschietingen die daar veelvuldig plaatsvonden, moesten we eerst in de paardenstallen verblijven’ zegt Corry. ‘Enkele paarden werden eens door granaatscherven geraakt’. Hoe dat is afgelopen weet zij niet goed meer. Toen het te dreigend werd, adviseerde hun gastheer dat ze moesten vluchten naar het woonhuis en niet in de houten stallen konden verblijven. Dat was te gevaarlijk. Corry herinnert zich dat er een beschieting plaatsvond waarbij als de donder het woonhuis moest worden opgezocht. Een zus van haar, die buiten de was stond te doen in een grote teil, rende hard, en struikelde. Iedereen dacht dat zij getroffen was, maar dat was gelukkig niet het geval. Na de aanval bleek een kogel dwars door de teil te zijn gegaan. Een groot gat zat er in.

Vader Snippe was inmiddels, te werk gesteld door de Duitsers aan de IJssellinie

Op enig moment namen de Duitsers de stallen in beslag en moesten ze weer weg. Een comité besliste dat zij naar de kantine van voetbalvereniging ‘Victorie’ in Apeldoorn Noord vlakbij Berg en Bosch moesten verhuizen. De familie Jansen ging mee en de familie Rosmalen kregen elders een plaats toegewezen. Corry kon zich de indeling nog goed herinneren. Veel hulp kregen ze daar van buurtgenoten, maar er werd veel kou geleden’. Het was een strenge winter en de meegenomen kleding was beslist niet toereikend genoeg om allen te verwarmen.
Maar, met een groot voetbalveld voor de deur was er speelruimte genoeg voor de kinderen! Dat dan weer wel. Het verhaal houdt niet op. Weer kwamen na verloop van tijd de Duitsers die het houten gebouwtje plotseling vorderden. Corry hoort het nog;” Rauss, Rauss”: werd er gesnauwd; wegwezen!.
En weer moest het schamele boeltje worden opgepakt en een onderkomen voor de nacht worden gezocht.
Ene familie Konijnenberg vlakbij in de buurt, bood hen gelukkig ruimte aan in de schapenschuur, waar overigens geen schaap meer was te bekennen. Met hulp uit de buurt konden ze zich weer een beetje installeren. Veel kou gehad.
Vader Snippe was inmiddels, samen met twee neven, te werk gesteld door de Duitsers aan de IJssellinie. Graafwerkzaamheden verrichten. Toen heeft een oudere broer van Corry samen met een andere neef, haar vader en nog een te werk gestelde neef opgepikt en stiekem mee naar huis genomen.
Van de bevrijding kan zij zich niets meer herinneren.
Op een bepaald moment was het gewoon voorbij en konden ze na verloop van tijd weer terug naar huis. Een huis dat vrijwel geheel in tact was gebleven. Er zal best wel enige schade zijn geweest, dat kon haast niet anders als je in de vuurlinie hebt gelegen, maar het was weer bewoonbaar gemaakt door vader die vooruit was gegaan.

Zomer 1945. Het leven herneemt zijn gang.
Corry gaat in september weer naar school waar, zoals vrijwel alle Arnhemse kinderen, de in 1944 begonnen zesde klas moest worden overgedaan, gevolgd door een zevende leerjaar om de opgelopen achterstand weer een beetje goed te maken.
Abnormale kinderjaren met een leerachterstand, met honger en kou achter de rug.
Dat waren de Arnhemse kinderen.

Mw. C. Wigt-Snippe 2014

Mw. C. Wigt-Snippe 2014

Oorlogskinderen!
* * *

Eusebiusbuitensingel 1a

Slapen op het kerkhof

Wonen aan de Eusebiusbuitensingel op nr. 1a was niet direct ‘the place to be‘ op die septemberdag in 1944. Op tweehonderd meter van de Rijnbrug wonen was op dat moment niet de meest ideale plek om een mooie zondagmiddag te vieren. De toen dertienjarige Lien weet er alles van.
De enorme dreun afkomstig van de tegenover haar huis liggende Lauwersgracht was de eerste hoorbare ervaring van Lien. Zij weet niet beter dan dat er in die gracht een bom was gevallen. Anderen beweren dat het een Duits vliegtuig is geweest. Er doen nogal wat verhalen de ronde wat dat betreft. Maar een dreun was het!

Bom in Lauwersgracht?

Bom in Lauwersgracht?

Het was in ieder geval het startsein voor vader Boom om poolshoogte te gaan nemen en zijn gezin van vier personen – Lien had nog een jonger zusje – in veiligheid te brengen. Bij de beneden buurman Overmeer konden ze schuilen in het souterrain en meerdere geschrokken voor –en achterburen, o.a. de familie van Dijk met tien personen van de houthandel in de Spijkerstraat kwamen binnen lopen. Paniek alom. Ook vreemde mensen die net de kerk hadden verlaten kwamen binnenvallen.

Wat gebeurt er precies?

Er sijpelden berichten binnen dat er een luchtlanding aan de gang was, of al was geweest. Niemand wist precies wat er aan de hand was. Het was gissen, maar ondertussen nam het rumoer rond de Rijnbrug wel toe. Met alle buren uit de omgeving bekend en onbekend werd overlegd wat hen te doen stond.
Een paar dagen werd in huis doorgebracht; ‘moet je je voorstellen zo’n groep van wel twintig personen die een paar dagen en nachten moesten samenleven in een weliswaar groot souterrain, maar met zoveel mensen werd het wel erg benauwd’.
Omdat zij redelijk dicht bij het gevechtsterrein woonden, kwam al vrij snel het bevel; dat ze het huis moesten verlaten. Waarheen?
De hamvraag voor menige Arnhemmer na zo’n plotseling gedwongen vertrek. Een werknemer van de begrafenisonderneming Kramer, de heer Asmus, die deel uitmaakte van het gezelschap, stelde voor om naar de wachtkamer van het uitvaartcentrum van de Algemene begraafplaats Moscowa te gaan, dat weet Lien nog. Een onverwachte maar achteraf, originele gedachte.
Op een handwagen van, van Dijk werden de vluchtkoffertjes, de kleintjes van, van Dijk en de noodzakelijk gedachte zaken opgestapeld waarna het via de Hommelseweg en de Cattepoelseweg richting Moscowa ging. Vier – vijf gezinnen, beladen met zoveel mogelijk draagbare spullen sjokten moeizaam mee tussen talloze Arnhemse medevluchtelingen de lange weg op en zo werd uiteindelijk Moscowa bereikt.
Vijf weken lang, weet Lien nog, hebben ze met vijfendertig mensen daar op het kerkhof gezeten in de aula c.q. wachtkamers van de bekende Arnhemse begraafplaats. Er stond een grote potkachel in en een grote ronde tafel weet zij nog. Voedsel was natuurlijk schaars, maar vlak naast het terrein van Moscowa lagen boeren-landerijen waar nog veel groente en aardappelen te halen viel. ’t Was wel link om daar naartoe te gaan, want je kon beschoten worden, wat ook keer gebeurde maar ja, je moet wat. Echt honger was er dus niet.
Op de Geitenkamp, over de weg langs de Stenen Tafel liep je er zo naartoe, werd geprobeerd nog wat aanvullend voedsel te halen. Op het Katholieke deel van de begraafplaats, weet Lien nog, zaten ook een aantal vluchtelingen/evacués van de Geitenkamp.
Op enig moment kwam burgemeester Hollaar himself naar Moscowa toe om ze te vertellen dat ze daar allemaal weg moesten. Hier viel de groep uit elkaar en zocht ieder zijn eigen weg.

voor vijfhonderd gulden werd een paard en wagen gehuurd

Met z’n viertjes werd eerst de richting Velp gekozen waar zij op twee verschillende adressen verbleven. De eerste was niet geslaagd. Het klikte niet, waarna besloten werd naar de koster van de Katholieke kerk te gaan die hen wel onderdak verschafte. Het was een oude man herinnert Lien zich en op den duur was het niet meer te doen. Het was, vond vader Boom, te belastend voor de oude koster.
Een zakenrelatie van Lien ’s vader in Zeist zou zeer waarschijnlijk voor onderdak kunnen zorgen en voor vijfhonderd gulden werd een paard en wagen gehuurd die het gezin, nu dus nog van vier personen, daarheen bracht. Het moet een lange lange tocht zijn geweest want een voort sjokkende knol zal die vijftig kilometer zeker niet binnen een paar uur hebben afgelegd.

dat hij zijn TBC-besmetting had opgelopen in de bomvolle ruimtes

Lien kan zich van die tocht niet veel meer herinneren. Wel dat zij goed in Zeist waren aangekomen en liefdevol werden ontvangen. Hoewel bekend is dat de voedselvoorziening in die streken erg slecht was, heeft Lien het niet echt slecht gehad. Zij kan zich van honger niet veel herinneren maar, dat wel, zij weet nog goed hoe suikerbieten smaken…. Dan komen er plotseling bij Lien nog een paar herinneringen boven, een leuke en een minder leuke; Toen in juli, kort na de bevrijding een broertje werd geboren, moest vader Boom later blozend erkennen dat de eerste steen voor de zuigeling werd gelegd op het kerkhof….
Maar ook bleek, dat hij zijn TBC-besmetting had opgelopen in de bomvolle ruimtes van Kramer, waar met velen hutje aan mutje geslapen werd. Eén van de gasten, kort na de bevrijding overleden, had TBC, bleek later en moet vader toen hebben besmet.
Vader Boom heeft na de oorlog nog lang moeten kuren, dat was de reden, waarom zij pas een jaar na de bevrijding naar huis terug konden keren. Of zijn overlijden op de tamelijk jonge leeftijd van zesenzestig ermee te maken heeft is niet bekend.
Over de gastheer en vrouw in Zeist is Lien vol lof. Ze hebben de familie geweldig geholpen.
Kinderen vragen zich niet gauw af hoe ouders zaken regelden. Het gebeurt gewoon en ze gaan mee. Met andere woorden, Lien weet niet meer hoe ze terug zijn gekeerd naar Arnhem. Wel, dat het huis onbeschadigd was.
En het interieur was foetsie. Maar dat was niets nieuws in het Arnhem van 1945.

Lien Geerdink-Boom

Lien Geerdink-Boom

Eusebiusbuitensingel 1a

Eusebiusbuitensingel 1a

Flora de Jongh

Flora de Jongh van de ponyboer met een koe aan een touw op de vlucht

Ik heb twee broers en een zusje, ik was de tweede, de jongens waren onder mij. Eén is geboren in 1941. Na mij is een jochie geboren, die is negen maanden geworden, hij had een open ruggetje. We woonden in Wolfheze aan de Duitsekampweg, mijn vader Willem de Jongh had pony’s en een ponywagen, die kon je huren.

17 september 1944
De parachutisten kwamen naar beneden en wij lagen in de wei. Wij woonden aan de Duitsekampweg vlak naast het landingsterrein. De parachutisten werden door de moffen in de rug geschoten, dat was verschrikkelijk. We zijn het land ingegaan met zijn allen. Er was een buurvrouw Nellenstein, die was zo in de war van de oorlog, die vloog door het prikkeldraad van de weide. Geen benul om er onderdoor te kruipen of er over te stappen. De koeien stonden in de wei, er was een stier bij, mijn vader zwaaide met een zakdoek om de stier af te houden. Ze zat vast tussen het prikkeldraad overal wonden, de jurk gescheurd. Ze moest gewoon mee, ze kon daar niet blijven. Aan het einde van de Duitsekampweg woonde melkboer Schut en daar zijn we in een keldertje terecht gekomen. Daar hebben we tot 5 uur gezeten. Onze hond kwam helemaal verwilderd aan, hij had ons gevonden. Mijn moeder zei: “Nu kunnen we naar huis”. We zijn terug gaan lopen, we zagen de Britten, de parachutisten.

De moffen hebben later alle zweefvliegtuigen in brand gestoken

Daar waren ook zweefvliegtuigen geland, die gliders. Er is er ook één in ons land terecht gekomen. Mijn vader kwam er wel dichterbij hij zei: Wat zat er een hoop in, er kwamen gewoon jeeps uit. Geen parachutisten, alleen materiaal. De moffen hebben later alle zweefvliegtuigen in brand gestoken. Er werden ook van die grote kokers gedropt. Er lag er één bij ons in de tuin, mijn vader maakte hem open, wat kwam er uit: pyjama’s, kruiken, allemaal dingen voor gewonden en voor ziekenhuizen. De Duitsers hebben het meegenomen. Alles verkeerd terecht gekomen, zo jammer.

De Stichting zat eerst vol Duitse militairen, die zijn zaterdags weg gegaan. Zondags werd de stichting gebombardeerd. Wij konden niet meer naar school. Wolfheze had geen Hervormde kerk, wij gingen naar het Blindeninstituut voor de kerkdienst, Er was wel een Gereformeerde kerk. Na de oorlog kregen we een noodkerk uit Zweden, We waren de eersten die er trouwden. Noodkerk trouwfoto 1956

Mijn vader hoorde elke dag de radio, dan dacht hij, waar zijn ze nu weer mee bezig. Dan ging hij bij de moffen kijken. De jonge, gevangen genomen, Britse soldaten moesten daar loopgraven maken, dat zeiden de Duitsers, dat het loopgraven waren. Mijn vader dacht: dat kan niet, “Dat doen jullie niet hè, ze doodschieten”? “Dat doen wij met jullie jongens ook niet”. De Duitsers: “Nee, nee, dat gebeurt niet”. Maar toen het donker werd schoten ze hen dood. Alle acht en bij die buurman, die mijn vader verraden heeft, zijn ze in de tuin begraven. Ik weet het nog goed, ze werden in een deken gerold en daar gingen ze. En wij gingen evacueren, dus wij hebben er ook niet veel aangedacht die tijd. Maar toen wij terug waren, werden ze opgegraven. Heel raar, we gingen kijken, er zat alleen een hek tussen, daar konden we zo doorheen naar de buren.
We hebben zes weken in de kelder geleefd met die families, zo lang is mijn vader in Wolfheze gebleven. Met de familie Nellenstein en die oude van Dijk, nog een van Dijk, hij was pro Duits, maar geen NSB’er.

Flora melkt de koe

Flora melkt de koe

We gingen op stap naar Bennekom met de ponywagens en twee koeien. Mijn zus en ik moesten ieder een koe vasthouden. Soms was het glad, dan zakte die koe op zijn achterwerk, ik kon niet bijkomen van het lachen en mijn zus stond te huilen, zulke drama’s onderweg. Ja, mijn vader moest de varkens achterlaten en al het kleine vee. Een paar dagen later zei mijn vader: ik ga mijn varkens ophalen. We hadden ook niet veel te eten, we waren met veel mensen. Hij met zijn wagentje terug naar Wolfheze, hij keek in de varkensstal, weg waren ze. Toen wilde hij zijn huis in, maar dat mocht niet. Een man met een jacquet aan, een hoge hoed op, ja het was mijn vaders trouwpak, stuurde hem weg, de fles stond op tafel, mensen (NSB’ers en Duitsers) waren feest aan het vieren. Mijn vader zei: “Ik kom mijn weck halen”, nou of hij er maar uit wilde gaan. Er waren mensen aan het roven, van huis naar huis toen wij weg waren. Met lege handen kwam hij terug bij de boerderij in Bennekom. Het was een groot bedrijf, onze koeien konden op stal. We moesten weg.

In Veenendaal moest mijn vader voor de TODT werken. Hij moest alle dagen met de wagen naar de kazerne, hij moest tonnen met eten brengen, daar mochten wij ook van eten, grrr gewoon varkensslobber. Het eten was voor de jongens op de kazerne, hij mocht voor het huisgezin wat meenemen, maar hij had zo’n sik, want het waren moffen, daar wou hij niet voor werken. Hij kon niet weigeren, hij had die ponywagen en die wilde hij houden. Hij is naar meneer Oortgijs gegaan, die heeft gezegd wat hij aan zijn gezicht kon veranderen, dan zou hij wel een persoonsbewijs maken. Ik weet niet meer precies, hij had een snor en kreeg een persoonsbewijs dat hij er op leek.

Als er vlooien waren of ongedierte, dan had hij ze op zijn lichaam

Daarna gingen we naar de Betuwe, de koeien konden op stal bij kennissen. Op een gegeven moment heeft mijn vader ze verkocht hij zei: ”Ik heb geen centen meer”, dus we kwamen zonder koeien thuis. Mijn vader zal in Rumpt weleens op de boerderij gewerkt hebben. Ik heb op de deel geholpen met het lossnijden van de banden om de bossen graan. Wij sliepen op de grond, op het hooi op de deel en daar boven was nog een kamertje, daar sliepen er ook een paar.
Weer gingen we verder naar Rumpt, bij een dominee samen met vier gezinnen. We hadden één grote kamer, matrassen op de grond: 2 volwassenen en 4 kinderen.
We hebben nog zo gelachen, we hadden geen elektriciteit, alles was verduisterd. Je had zo’n jampotje met een katoentje erin, dat was je licht. Mijn vader had een lichte huid, als er vlooien waren of ongedierte, dan had hij ze op zijn lichaam. ’s Avonds of in de nacht zaten ze zo te pikken, dan zat hij ze, bij een olielichtje te vangen. Mijn zusje en ik werden er wakker van, dat moest hij niet horen, want dan had hij zijn broek uit, dat mocht je helemaal niet zien.
Toen we bevrijd werden, werden die moffenmeiden kaal geschoren, op een boerenkar gezet, een trekker ervoor en het dorp door gereden.

Met de rondleiding in het Airborne museum zei ik tegen Meneer Versmissen: ”Wat U nu verteld, heb ik meegemaakt”. De Duitsers trokken die Tommy pakken van de dode militairen aan en ze pakten hun jeeps. Er kwamen er een paar aan mijn vader vragen of er nog NSB’ers of Duitsers waren. Mijn vader dacht wat moet ik? “Nou zei mijn vader ga even naar de overkant, die buurman is professor, die kan het je precies vertellen”. De professor kwam later naar mijn vader, wat moet jij die engeltjes op je schouder bedanken, dat ze jou niet doodgeschoten hebben, want het waren geen Engelsen, het waren Duitsers, Moffen.

Fam de Jongh is geëvacueerd naar Bennekom; Veenendaal en Rumpt (gem. Geldermalsen). We konden nog niet naar Wolfheze terug, want mijn vader moest eerst een auto zien te versieren, voordat we met die spullen naar huis konden. Ook na de oorlog zijn er nog veel jongens de lucht ingevlogen en boeren, die met een trekker over oorlogstuig reden. Het bos mocht je echt niet in overal witte banden om de bomen. Wolfheze was al bevrijd, maar de Betuwe nog niet.

Ponywagen Dhr. en Mw. de Jongh en gasten

Ponywagen Dhr. en Mw. de Jongh en gasten

Vader Willem de Jongh had pony’s en een ponywagen, die kon je huren. Sommige mensen uit de hotels in Wolfheze gingen kersen eten in Driel en huurden dan de ponywagen. Er waren twee hotels hotel “Wolfheze” en hotel “De Buunderkamp”, er reden geen taxi’s, mijn vader werd dan gebeld door mensen om koffers naar het hotel te brengen. Op de tijden dat de trein aankwam in Oosterbeek was mijn vader op het station en bracht de koffers naar de hotels. De kinderen die logeerden in hotel “Wolfheze” wilden pony rijden. Dan moesten wij de pony’s naar het hotel rijden, ’s avonds haalden we ze weer op.

Wat mijn broer en ik na de oorlog nog gedaan hebben met de ponywagen ‘s woensdagsmiddags schillen ophalen; de Heelsumseweg heen en de Wolfhezerweg weer terug. Kinderen moesten meehelpen, dat was gewoon zo. De pony wist dat precies, overal die bakjes ophalen, leeggooien in een grote ton. Dat hebben we jaren gedaan.

Mijn vader had twee jongens van onze Joodse kennissen Gottschalk verborgen

Een foto van het huis wordt bekeken:

Huis fam de Jongh Flora, Nicht Flora Lenie

Huis fam de Jongh Flora, Nicht Flora en Lenie

En hier dat is de vliering, daar stonden de koffers van de joodse studenten. Mijn vader had twee jongens van onze kennissen Gottschalk in huis verborgen. Zij woonden tegenover bloemist Davidse. Hun vader kwam vragen of hij ze niet verstoppen kon. Mijn vader heeft het overdacht, als het mijn kinderen waren, had ik het ook graag gehad, ik kan ze niet laten zitten. Ze kwamen in onze slaapkamer, mijn zus en ik moesten ergens anders slapen. Mijn vader hield altijd goed in de gaten wat er in de omgeving gebeurde, ook zijn radio had hij niet ingeleverd. De radio heeft hij in de schuur onder de paardenbak verstopt, daar luisterde hij ook naar. Op een keer dacht hij dat het te gevaarlijk werd en heeft hij de radio in de dekenkist naast het bed van mijn ouders verstopt.

In zijn onderbroek hebben ze hem meegenomen

Mijn vader had nooit verwacht dat hij verraden zou worden met die jongens. Toch vertrouwde hij het niet en heeft de jongens weggestuurd, anders hadden ze niet meer geleefd en wij ook niet. Hij zei tegen de jongens: “Neem mee wat je nodig hebt, want jullie moeten helemaal naar jullie familie in Wassenaar lopen. Hier moeten jullie eerst het bos in”. Daarna gingen wij evacueren en we hoorden dus niets van die jongens. Op een nacht kwamen die Moffen aanrijden, ze omsingelden ons huis, zetten rondom schijnwerpers, het hele huis in het licht. Nou heel hard bonken op de deur. Ze schopten onze slaapkamerdeur open, twee soldaten met helmen op en geweren met bajonet erop. “Eraus, Deraus” tegen ons Dat heb ik heel lang gezien, die vieze kerels bij die kleine kinderen. Mijn zus en ik gillend naar mijn moeder toe. Mijn vader werd in zijn onderbroek gelijk mee genomen naar de keuken beneden. Van alles vragen aan mijn vader, hij deed net of hij gek was, die had meteen door wat ze wilden. In zijn onderbroek hebben ze  hem meegenomen. Mijn moeder moest de hutkoffer los maken. Mijn moeder zei: ”De baas heeft de sleutel”. Die soldaten naar beneden, vragen aan mijn vader de sleutel, mijn vader gebaart in de la. Tegen mijn moeder sleutel in de la, nu kijk maar zei mijn moeder. Mijn moeder had toen zij de sleutel gingen halen, vlug de radio in bed verstopt. De sleutel lag net weer in de la. Ze maakten de koffer open, ja ouwe dekens. Toen vroeg de soldaat naar het luik op de vliering. Nou ga maar kijken daar staan onze koffers, hij deed het niet.
Mijn vader is meegenomen, mijn moeder zat alleen met het bedrijf en met ons. Mijn vader heeft zes weken in het huis van bewaring in Arnhem gezeten. (De Koepel). Hij heeft zich doofstom gehouden. Mijn moeders broer uit Rumpt heeft mijn moeder geholpen. Het was in 1944 in de zomer. We zijn vermoedelijk verraden door de buren, maar je kunt het nooit zeggen, want je weet het niet. Mijn vader heeft de koffers naar de jongens in Wassenaar gebracht, toen we een poos thuis waren. Het was fijn voor mijn vader dat die jongens het hebben overleefd, de ouders niet, ze zijn weggevoerd.

Fam de Jongh

Fam de Jongh

Flora en Rijk de Jongh

Flora en Rijk de Jongh

Familie Ploeg bij pijl Adriaan van der Hidde
Jan Willem rechts van Adriaan

Onze belevenissen als Vluchtelingen

Het gezin Ploeg; vader Jan; moeder Janna Ploeg- van Rijswijk; zoon Jan Willem; zoon Driek en dochter An woonden op Hogeweg 17 in Oosterbeek. Zoon Jan Willem 20 jaar hield een dagboek bij van 17 september tot 17 oktober 1944.

Jan Willem Ploeg 1948

Jan Willem Ploeg 1948

Zondag 17 SeptdagboekPloeg001 ‘44
Vandaag is het de Grote Dag. De dag van onze “Bevrijding”.

’s Morgens om 11 uur kwamen ontelbare Spitfires boven ons dorp om het afweergeschut, van de Duitsers, dat in het weiland stond, tot zwijgen te brengen, opdat de Gliders ( grote Engelse transport-zweefvliegtuigen) geen last van ze zouden hebben bij het landen. Toen het kapot geschoten was, kwamen de zweefvliegtuigen en de parachutes met ammunitie en levensmiddelen.
’s Middags om een uur of zes kwamen de eerste Tommies bij ons door de weg. Iedereen was uitgelaten en dacht, dat nu het ogenblik was van de bevrijding was aangebroken. Maar helaas……..
’s Avonds zijn we niet naar bed geweest, maar hebben we in de kamer gezeten.
Maandag 18 Sept ‘44
Vanmorgen waren we alweer vroeg bij de hand. De Engelsen waren er nog steeds. Er werd nog hevig bij ons in het dorp gevochten, want de Duitsers zijn nog op sommige plaatsen goed verschanst en bieden hevige tegenstand. De Rijnbrug bij ons over de Rijn is ook opgeblazen. (Red. De spoorbrug naar Nijmegen). De Engelsen waren er al op, maar toch ging hij naar beneden.

Het huis van de familie Ploeg in 1945

Het huis van de familie Ploeg in 1945

De watertoren is ook kapotgeschoten, we moesten allemaal water nemen, want hij liep langzaam leeg. We zijn vanavond weer niet naar bed geweest, maar hebben op de grond geslapen.
Dinsdag 19 Sept’44
Vanmorgen toen we uit het raam keken; zagen we nog een Tommy bij ons door de weg komen. Hij zei vriendelijk ”Morning”. We hoorden nog steeds hevig vuren. ’s Middags kwamen er bij ons door de weg vluchtelingen van de Utrechtseweg uit Arnhem. Die moesten weg, omdat daar hevig gevochten werd, de huizen lagen in de vuurlijn. We zaten weer in de kelder, want er werd weer hevig op de luchtlandingsvliegtuigen geschoten. Iemand waarschuwde ons, dat de Duitsers Oosterbeek zouden beschieten en dat we bij Unk in de berg moesten gaan liggen. We zijn maar rustig in de kelder gebleven, er is niets gebeurd. Tegen een uur of zes kwamen de Tommies weer bij ons in de weg. Er kwamen er een stuk of zes bij ons in huis, ze legden hun machinegeweren bij ons op tafel en hun ransels en andere uitrustingsstukken op de grond. Ze gingen zelf op de divan en in de stoelen zitten. We wisten niet wat dat te betekenen had, maar we dachten wel dat ze teruggeslagen waren. En jawel hoor, want even later kwam er een Hooge aan, die zei: “dat we het huis uit moesten”. We wisten niet wat we hoorden. Moeder greep nog wat boter en onze Zondagse pakken. Ik greep alleen de trommel met tabak. Papa had de beesten nog voor 2 dagen voer gegeven, want één zo’n Tommy zei, dat we maar voor twee dagen weg gingen. Toen we naar buiten gingen hadden de Engelsen zich al bij ons in de tuinen ingegraven.Er kwam ook een groot kanon aanrijden, dat werd bij ons in stelling gebracht. De Engelsen zaten al in alle huizen en overal in de tuinen.
We gingen met van Leur mee met paard en wagen. Die zat helemaal vol met mensen, koffers en dekens. Oom Ben, Tante Dien, Riekie en Bennie gingen ook met ons mee. Adriaan ( red. Zie het verhaal van Ad van de Hidde) en Truus gingen ook mee. We gingen naar het Heveadorp. Overal waar we langs kwamen lagen de Engelsen in stelling. Onderaan de Weverstraat stonden de auto’s dwars over de weg en lag het bezaaid met patronen. Tot aan de Westerbouwing lagen de Engelsen, daar stond ook een groot kanon. Verderop lagen overal langs de weg van die grote bussen van de parachutes, waar eten en munitie in gezeten had.
Toen we op het Heveadorp kwamen, mochten we in een school slapen. We hebben er stro in gebracht, om op te liggen. Nu daar binnen was het een gekkenhuis, want er waren een heleboel huisgezinnen, met een stel kleine kinderen, die geweldig veel lawaai maakten. Toen begonnen ze van overmaat tot ramp ook nog te schieten, de granaten floten over de school heen. Veel hebben we die nacht niet geslapen.
Woensdag 20 Sept. ‘44
We waren blij dat we weer daglicht zagen. We kregen ons rantsoen kuch, veel hadden we niet meer. Tegen een uur of negen kwamen er drie Duitsers, die begonnen op de school te schieten, om te kijken of er ook Engelsen in zaten. Een tijdje later kwam er een kameraad van me van de Heveafabriek. Hij heeft ons mee naar zijn huis genomen, we konden bij hem inkomen.
Ook tante Dien en Oome Ben nam hij mee, die kwamen bij buren van hem in huis, bij de fam. Bouwman. Adriaan was daar ook, Truus was bij ons bij Nowee. In Heveadorp was het een hel, want op de Huneschans stond een stuk Duits geschut, bij de Westerbouwing een Engels stuk, die twee schoten de hele dag op elkaar. De granaten huilden over ons huis heen.
’s Nachts zaten we steeds in de kelder, want de granaten sloegen rondom ons in.
De waterleiding ging ook niet meer, water moesten we uit de beek halen, terwijl de kogels je om de oren vlogen. We hadden onze hond Molly bij ons, maar toen ze op de school begonnen te schieten is hij weg gelopen, want daar was hij ontzettend bang voor.
Donderdag 21 Sept’44
Vannacht hebben we niet in de kelder gezeten, maar in de kamer op de grond geslapen. Er zijn weer parachutes gevallen, maar ze vielen in Duitse handen.
Vrijdag 22 Sept ‘44
Vannacht weer in de kelder gezeten. ’s Morgens om een uur of zes weer buiten ,we zijn blij dat we daglicht zien.

Een officier zei: “dat het hele dorp ontruimd moest worden”. Om twee uur moesten we weg, degene die er om vier uur nog was, werd doodgeschoten.

Zaterdag 23 Sept ‘44
Weer de meeste tijd in de kelder gezeten vannacht.
Zondag 24 Sept ‘44
Vannacht zijn de granaten vlakbij ons ingeslagen, schuin tegenover ons, de daken zijn kapot.
Maandag 25 Sept ‘44
Vanmiddag is een man gewond aan zijn been door een granaatscherf.
Dinsdag 26 Sept ‘44
Vannacht werd een nevelgranaat bij de familie waar Oom Ben en tante Dien in huis zijn naar binnen geschoten. Midden in de nacht kwam de hele familie bij ons de kelder in. Ze hoestten geweldig, want al dat chloorgas was naar de kelder getrokken. Die dingen zien er zo uit: een busje met 2 gaatjes
Vandaag werd er een man uit Oosterbeek doodgeschoten, die in het bos hout wilde gaan hakken.
Woensdag 27 Sept. ‘44
Vandaag vroeg bij de hand. ’s Nachts waren er weer een paar huizen getroffen door Engelse granaten. We zijn hout in het bos gaan halen, anders hebben we niets te stoken.
’s Middags is de man begraven, die gisteren doodgeschoten is. Hij werd gewoon in een ruwe kist bij het postkantoor begraven.
Om 12 uur kwamen er twee Duitse auto’s, een personenwagen en een grote vrachtwagen op het dorp. Een officier zei: “dat het hele dorp ontruimd moest worden”. Om twee uur moesten we weg, degene die er om vier uur nog was, werd doodgeschoten.
Het beetje wat we nog hadden, hebben we een kruiwagen geladen.
We moesten ons verzamelen bij de school. Om ongeveer twee uur vertrokken we met veertien honderd mensen naar Renkum. Overal waar we langs kwamen lag het vol met Engelse munitie van de parachutes, die in Duitse handen gevallen waren. Bij Heelsum lag een groot Engels transportvliegtuig, dat neergeschoten was. Wij gingen met 500 mensen verder naar Bennekom.
In Bennekom moesten we ons opgeven. We konden ’s nachts in de kerk slapen. ’s Avonds kregen we rode kool door elkaar van de gaarkeuken en koffie van de vrouw van de dominee. Met ongeveer 40 mensen sliepen we in een kamer van de kerk, op stro en kussens uit de kerk.
Donderdag 28 Sept. ‘44
Papa en Oom Ben hebben een bus met melk gehaald bij de melkfabriek. Moeke heeft voor ons allemaal wat oud goed gehaald.
Om één uur kregen we erwtensoep van de gaarkeuken, er zat nog vlees in ook. Om vier uur moesten we met onze bagage en de kruiwagen bij een vrachtrijder zijn, we konden meerijden naar Lunteren. We moesten ons bij een evacuatiebureau melden voor onderdak.
Wij moesten met ons zessen, ons huisgezin en Adriaan naar een boer; K. de Koning in de Goorsteeg 23. Oom Ben en Tante Dien naar Stroomberg, ook in de Goorsteeg. We konden slapen in de schuur; op zolder; op stro. ’s Avonds kregen we een lekker bord havermoutpap.
Vrijdag 29 Sept. ‘44
Vannacht een beetje koud, we hebben maar drie dekens. We hebben schotten van de Koning gekregen, daar hebben we een kamertje van getimmerd. Het eten wat we krijgen is geweldig. ’s Morgens brood, ’s middags fijn eten met vlees of spek erbij en pap. Om 5 uur weer brood, voordat we naar bed gaan, nog een bord pap.
Zaterdag 30 Sept. ‘44
Vannacht veel beter geslapen. Vandaag hebben we de boer helpen aardappels rooien.
Zondag 1 Oct. ‘44
Vandaag zondag gehouden.
Maandag 2 Oct. ’44 t/m Zondag 8 Oct.
Deze dagen zijn rustig voorbij gegaan. Alleen kwamen er op een avond twee Duitsers twee varkens halen, die ze in het hok doodschoten en met de auto meenamen. Er kwamen ook vier landwachters alles afzoeken of er nog fietsen waren.

We zijn net opgejaagd vee.

Maandag 9 Oct. ‘44
Vanavond kwam er iemand van de politie zeggen, dat we morgenochtend vroeg weg moesten, anders kregen we geen bonkaarten en de boer geen inkwartieringsgeld meer. We waren de boel al aan het inpakken, toen de Koning kwam zeggen, dat we toch konden blijven, al hadden we dan geen bonnen meer. Nu dat was schitterend aangeboden. We zijn gebleven.
Dinsdag 10 Oct. ‘44
Er komen iedere dag veel vliegtuigen over.
Donderdag 12 Oct. ‘44
Vanmorgen waren we met de boer een hek met prikkeldraad aan het afbreken, we deden dat draad op een klos. Opeens kwam er een Engelse jager op ons afduiken. We schrokken ons een ongeluk. Die piloot dacht zeker dat we een telefoonkabel aan het leggen waren.
Vanmiddag kwam er weer een agent zeggen dat we weg moesten, de boer werd aansprakelijk gesteld. Alles ingepakt en veel eten van de boerin gekregen. We vinden het allemaal beroerd, want we vonden het hier erg fijn. We zijn net opgejaagd vee.

Bij P. Hooft kunnen we niet blijven; ze hebben geen bedden; geen eten en geen kachel om te koken.

Vrijdag 13 Oct. ‘44
We zijn met een wagen van de buurman om half tien naar de school gebracht. Bij de school zijn we uitgeschreven. Verder naar Scherpenzeel. Bij Hotel “De Witte Holevoet” kregen we een kop koffie, een bord soep en een boterham met kaas. Vandaar verder naar Woudenberg naar kasteel “Geerenstein” waar we een bord karnemelkse pap en twee boterhammen kregen. De boer uit Lunteren ging naar huis, er zou een nieuwe wagen komen. We moesten met z’n tienen in een veewagen, nu waren we echt vee. We overnachtten in Leusden in een gebouw van de “Coöperatieve Grasdrogerij Leusden”. We kregen gortepap en erwtensoep. We sliepen op stro.
Zondag 14 Oct. ‘44
Oom Ben en ik waren om 5 uur op. Om kwart over tien naar Soest vertrokken, nu met een goede wagen. In Soest naar het evacuatiebureau “Ludgardis”, daar kregen we een adres P. Hooft op Laanstraat 48 en Oom Ben naar 36 in Soestdijk. Bij Hooft zijn ze met vader en zoon, bedden hebben ze niet, de evacuatiedienst brengt een paar matrassen.
Zondag 15 Oct. ‘44
Vandaag zijn Oom Ben en Papa naar familie in Groenekan geweest om te vragen of wij daar kunnen komen. Want bij Hooft kunnen we niet blijven ze hebben geen bedden; geen eten en geen kachel om te koken. Toen ze terug kwamen uit Groenekan hadden ze een handwagen op luchtbanden, want we konden daar komen.
Maandag 16 Oct. ‘44
Vanmorgen om kwart over tien vertrokken. Het was een hele tippel 15 km. Half twee waren we bij die familie van Oom Ben. Daar hebben we gegeten. Daarna zijn Papa en Oom Ben naar het evacuatiebureau gegaan om onze inkwartieringsadressen op te halen. Toen ze terugkwamen moesten Adriaan, Driek en ik naar D. Bos. Papa, Moeke en Annie naar Westeneng er tegenover. Oom Ben en Tante Dien naar W. Bos allemaal aan de Groenekanscheweg. Moeke kon er niet tegen, dat we niet bij elkaar konden blijven. Westeneng vond het goed dat wij bleven, maar Adriaan ging naar D. Bos. Driek en ik hebben ’s nachts boven de koestallen in het hooi geslapen. Papa en Moeke slapen gelukkig in een bed en Annie slaapt bij het dienstmeisje Mien.
Dinsdag 17 Oct. ‘44
’s Morgens hebben we alle drie klompen opgezocht en zijn we aan de slag gegaan, we zijn weer boer geworden. Nu ik zou nergens anders meer willen zijn, want hier hebben we het, het beste van alle adressen waar we geweest zijn. Er is nu een fijn slaapkamertje voor ons in orde gemaakt boven de koestal.

Het huis van de familie Ploeg bij thuiskomst in 1945

Het huis van de familie Ploeg bij thuiskomst in 1945

 

Zie ook het verhaal van Ad van der Hidde, hij werd ook Adriaan genoemd en is met de familie Ploeg meegevlucht.
Titel: Ik ben in dat laatste oorlogsjaar vier keer alleen gelaten.

Cor van Galen lachend

Jongens struinen door het Arnhems gevechtsgebied

Arnhem 17 september 1944
Er waren die dag hele drukke luchtactiviteiten van jachtbommenwerpers, er werden precisiebombardementen uitgevoerd en wonderlijk genoeg werden al die Duitse objecten in de stad eruit gehaald. Wij hadden niet in de gaten dat de Willemskazerne ook een groot militair object was, daar werden we gauw aan herinnerd. Toen die bombardementen werden uitgevoerd, gebeurde er verder niks. Een paar uur later vloog het gebouw in brand. Er lag ook allerlei munitie. Veel mensen gingen weg uit de binnenstad.
Wij zijn donderdags vertrokken, wij waren één van de laatsten. We dachten, een paar dagen, dan zijn we vrij. Na vier jaar met dat gajes te hebben gezeten, verwachtten we dat wel. Wat later dacht ik, dit komt nooit goed. Als je achter Renkum en Ede landt, alle wegen waren eigenlijk ongeschikt.
Die brug te ver was eigenlijk die Nijmeegse brug. Als je vanuit België komt, je hebt echt met militairen te doen. Die Duitsers konden er iets van hoor.
ABM janspleinbord 50 ARNHEM 2016

Jansplein 50 Arnhem 2016

Dinsdagochtend begonnen we aan een tocht door het centrum van Arnhem. Vanuit ons huis op het Jansplein 50 gingen wij, Piet Sanders onze buurjongen, hij was 16 jaar en ik 13 jaar, de Utrechtseweg op.

In de kromming van de Utrechtseweg lag een vreemde figuur

Wij hadden ’s morgens al een gesneuvelde Engelsman gezien, bij het politiebureau op de Beekstraat. Die gesneuvelde man had heel eigenaardige kleding, het was een parachutist, die hadden andere kleding en schoeisel. Dat was voor ons eigenlijk een wereldwonder, een hele grote kerel, daar was Piet Sanders ook bij.
We liepen langs het station. Verderop in de kromming van de Utrechtseweg lag een vreemde figuur; vreemd uniform en even later iets verderop, nog voor het museum, lagen gesneuvelde militairen, die lieten ze niet dagen liggen, ze werden als het ware gelijk opgehaald.

Elisabeth Gasthuis 2016

Elisabeth Gasthuis 2016

We liepen dus op de Utrechtseweg langs het Elisabeth Gasthuis, een kakofonie van Duits materiaal, er was geen Engelsman meer te zien. De Duitsers ja, verplegend personeel, meer niet. We gingen het ziekenhuis snel voorbij. Wij gingen de Wilhelminastraat of de Oranjestraat op. Het viel ons op, dat er daar op die stoepen, ze zijn vrij breed, twee rijen lichte Duitse tanks stonden. Wij vonden dat een overmacht aan Duits tankmateriaal.
Het enige wat we van de Engelsen zagen, waren carriers, een soort tanks, eigenlijk een infanterie wapen.

Koepelgevangenis Arnhem 2016

Koepelgevangenis Arnhem 2016

We zijn de Oranjestraat opgelopen naar de Koepelgevangenis. Wat ons opviel aan de gevangenis, dat hij flinke granaat inslagen had, waar die vandaan kwamen, kon je niet zeggen, er stonden ook huizen en die mankeerden niks.

In de tuin lag een SS man met een vlammenwerper

We liepen door tot de ingang van de KEMA. Bij de ingang kregen we de schrik van ons leven, daar hingen in een stuk geschut; twee parachutisten, verbrand! Het was tegenover de Alexanderstraat, daar kun je het KEMA terrein op. We dachten hoe kan dat, hoe kunnen die mensen nu verbrand zijn, dat moet toch een oorzaak hebben. Van dichtbij door een vlammenwerper geraakt? Ja hoor, daar op de hoek, in de tuin lag een SS man met een vlammenwerper op zijn rug.

Achteringang   "KEMA"2016

Achteringang “KEMA”2016

Ik beschouwde de ingang van de KEMA als de hellepoort, want als je daar doorheenging, dan had je kans dat je het niet overleefde.
De dader, die SS man in de tuin, had wel een klein gaatje in zijn voorhoofd, dan heb je genoegdoening. Je loopt daar als ooggetuige, als snotneus 13, 14 jaar.
We liepen weer naar boven, hetzelfde proces, de muren van de gevangenis overal flink gehavend. Bovenin was een huisje, de vier personen die er woonden, lagen er dood, twee kleine kinderen en hun ouders. Eigenlijk had je toen wel genoeg hoor, het glas raakte leeg.
We hadden maar een paar Engelsen gezien, een stuk of vier.

Op de grond ligt een parelmoeren revolver

Toen hebben we de terugweg genomen, langs de Utrechtseweg, het Rijnpaviljoen, verder langs Onderlangs helemaal tot de oude haven.
Bij het Rijnpaviljoen zagen we lichaamsdelen. Ik vergeet het nooit, ik zeg tegen Piet: “Wat kun je toch snel wennen aan de dood”. Dat hield in één keer op. Er gebeurde iets eigenaardigs, het is geen grap, op de grond ligt een parelmoeren revolver. Na de bevrijding zag je die, in cowboy films, westerns.
Die Engelse officieren hadden de gewoonte om zo’n pistool te dragen, effectief had het geen nut, een stengun, brengun is veel sneller. Ik zeg tegen Piet: “liggen laten, liggen laten!”  Je kunt nooit weten, het was toevallig, meer humoristisch ook, maar je kunt niet weten of ze het zien.
Bij Onderlangs waren volkstuintjes in de oorlog, daar hebben we weinig gesneuvelde Engelsen gezien in verhouding tot de Duitsers. En wat ons ook opviel waren de mensen in gevangeniskleding, die dood geschoten waren, die hadden waarschijnlijk een poging gedaan de Rijn over te steken. Er waren veel mensen in die gevangenispakken, die pakken kenden wij, wij zongen weleens in de gevangenis. Die gevangenen waren gevlucht of zo.

Hij schreeuwde naar ons “Das hier kein Spaziergang möglich war

Wij lopen door en komen aan de rand van de oude haven, daar stonden toen ook, alle NBM bussen. (redactie: openbaar vervoersbussen).
Er was daar een school voor moeilijk lerende kinderen, de school was verlaten. De Duitsers hadden daar een groot mitrailleursnest. Een man of vijf met zware mitrailleurs. Wij kregen een “unheimliches Gefühl”. We kwamen bij hotel “de Son”, er was brand geweest en er waren granaatinslagen in de huizen op de Oude Kraan. Er woonde niemand meer. Daar had je veel neringdoenden, bakkers en caféhouders.
Toen werden we aangehouden door een SS’er, hij schreeuwde naar ons “Das hier kein Spaziergang möglich war”. Met onze beperkte Duitse kennis snapten we, dat we daar niet mochten wandelen. Ik denk dat mijn vader en moeder er ook op tegen waren geweest.
We hebben ons ten dienste gesteld van een man die ging evacueren, vanuit de Vijfzinnenstraat, nou niet de sjiekste buurt. Wij konden hem helpen met een handwagen, om die de bult op te drukken. Wij kwamen dus niet langs die SS’er, die wou ons doodschieten. We hebben de handwagen de Bergstraat opgeduwd tot het Stationsplein. We zeiden hem goeiendag, hij bedankte ons en we gingen naar huis. Het bleek toch wel, dat we eigenlijk in het slagveld waren geweest.

We woonden naast de Koepelkerk foto 2016

We woonden naast de Koepelkerk foto 2016

Het laatste verhaal; wij zijn dus toen wij terug kwamen van de tocht door de stad, om het af te leren, op woensdag weer op stap gegaan. We liepen door naar de Rijn, daar werd nog gevochten. De Engelsen waren er nog en de Duitsers zaten er omheen. Wij zijn door tuinen van doktoren gelopen op de Eusebius Buitensingel, daar hadden ze heel snel graven gemaakt. We liepen tot aan de Rijn, daar was een veerhuisje, dat stond 40 cm naar binnen toe. Daar konden we net tussen en dat was maar goed ook, want er kwamen veel vliegtuigen uit het zuiden aanvliegen en die vielen de brugoprit aan. Daar stond alleen materiaal van Duitsers op. Die brug werd gebombardeerd, het was vreselijk. Wij zaten er tussen ingeklemd, een vreselijk inferno.
Er lag een Duits jachtvliegtuig in de tweede ven.
Ik weet ook nog dat we op het Velperplein zagen dat er dode Duitsers werden afgevoerd, wij jongens gingen overal kijken.

Het konden weleens militairen zijn, die ik gesneuveld heb zien liggen

Tussen haakjes Piet Sanders is er niet meer, hij was drie jaar ouder dan ik. Een buurjongen nergens bang voor. Het eerste wat hij deed vlak na de oorlog was zich melden bij de stoottroepen voor Engeland. Na 40 jaar heb ik hem terug gezien. Ik heb hem opgedoken ergens in Wijk bij Duurstede. Hij zat in een rolstoel. Ik zei tegen hem: ‘Ik wou met jou even verifiëren wat waar is”. Ik zeg: “Geen flauwekul hè”.

IMG_3193 (800x533)   IMG_3195 (533x800)

Ik heb een tijd gehad, dan kwam ik op het Airborne kerkhof in Oosterbeek en dan dacht ik, het konden weleens militairen zijn, die ik gesneuveld heb zien liggen. En dat verandert, dan hebben ze een naam.
We hebben het hele verhaal teruggehaald in drie dagen. Piet zei: “Je hebt ook een keer mijn leven gered”. Ik zat er op te wachten, ik houd wel van een onderscheiding. Hij had het over dat parelmoeren pistool. Een paar weken later is hij overleden, hij is gecremeerd in Bilthoven, daar ben ik geweest. Hij heeft bevestigd wat we gezien hadden.

Piet Davidse website

Op zoek naar jeneverkruiken

Het mooie landgoed Mariëndaal bij Arnhem, was Piets geboortegrond.
Vader Piet Davidse beheerde daar als tuinbaas de tuinen van de landhuiseigenaar en was de trotse maker van de nooit meer geëvenaarde prachtige moestuin.
In 1937, toen Piet zes jaar was, verhuisde de familie Davidse naar Wolfheze waar zijn vader een betrekking als hoofd tuinbaas van ‘Het Schild’ had aanvaard.
Huize ‘Het Schild, tehuis voor blinden en slechtzienden in Wolfheze, is voor een belangrijk deel van Piets jongensleven zijn thuisbasis geweest.
Weliswaar woonde hij met zijn ouders en broers pal naast het tehuis, maar de meeste tijd bracht de toen kleine Piet door bij en voor de blinden.
Vader Davidse had de leiding over alles wat met onderhoud van het omliggend groen te maken had.
Voor een jongen als Piet was in de bosrijke en groene omgeving altijd iets te vinden als je een beetje avontuurlijk bent aangelegd.
Echte buurjongetjes waren er niet, daarvoor was in die jaren de afstand naar het toen nog kleine dorp te groot. Pas toen hij de lagere school bezocht kwamen de schoolvriendjes op bezoek.
Contacten met de ongeveer vijftig bewoners van ‘Het Schild’ waren er dus in overvloed.
Hij moest leren rekening te houden met blinden en slechtzienden. Geen rommeltjes, geen speelgoed op de paden waar de bewoners regelmatig liepen en zouden kunnen struikelen.
Netjes opruimen en geen rommel achterlaten leerde hij al snel.
Door zijn dagelijkse zwerftochten rondom het tehuis met de bewoners, die hij vrijwel allemaal kende en zij hem. “Ben jij Pietje ”? klonk het soms bij een toevallige ontmoeting. In de directe omgeving was Piet er zeer vertrouwd mee geworden.

Ouderlijk huis Piet Davidse 1944

Ouderlijk huis Piet Davidse 1944

Tot die ene fatale dag in september 1944 was het dus een zonnig en zorgeloos leventje in het gezin met twee oudere broers, vader en een zorgzame moeder.
Door de oorlogsomstandigheden was in het bos, niet ver van het gebouw van ‘Het Schild’, al eerder een schuilkelder gegraven.
Eigenlijk was het te klein voor alle bewoners, je zat met de knieën bijna tegen elkaar aan als je plaats nam op de twee banken die in de lengterichting waren geplaatst. Het was er benauwd, er was geen elektriciteit, geen verwarming en geen sanitaire voorzieningen Kortom: alleen geschikt voor een kort verblijf van hooguit enkele uren.
En dat comfort, als je het zo mag noemen, werd zwaar op proef gesteld na de eerste aanval op, helaas, de burgerdoelen van Wolfheze.
Het dorp en het nabij gelegen psychiatrisch ziekenhuis kregen het zwaar te verduren met vele doden en gewonden tot gevolg,
Maar ook ‘Het Schild’ kreeg een voltreffer en brandde volledig uit.
Het hoe en waarom van dit bombardement zullen we hier niet beschrijven. Er zijn boeken met genoeg informatie over dit onderwerp.
Piet, die zich toevallig in de rookkamer van het tehuis bevond, hoorde een steeds luider gefluit van naderende bommen. Zijn eerste reactie na de eerste explosies was onder een bank kruipen en angstig afwachten op wat nog komen ging. Er volgde nog een donderende explosie. Pas toen het rustig werd kroop hij onder de bank uit en zag boven de keuken van het tehuis stof uit het dak komen.

Het Schild kreeg een voltreffer en brandde volledig uit

Piets broer Jo stond op de veranda toen de bom op het huis viel, maar raakte gelukkig niet gewond.
Wonder boven wonder waren er bij Het Schild geen slachtoffers te betreuren. Via het ‘blindenpaadje’ dat Piet zich nog goed weet te herinneren, werden de blinden naar het terrein van de familie Aaldering geleid. De schuilkelder, die in de korte nabijheid van het huis was gegraven, kon op dat moment niet worden gebruikt vanwege de hitte en de rook van de brand die de voltreffer op het huis had veroorzaakt.
Iemand had hem ooit gezegd, in verband met de luchtdruk van een bom: een arm onder je borst te houden als je op je buik ligt. Dat advies is hij nooit vergeten.

Piet Davidse medio 1943-1944

Piet Davidse medio 1943-1944

Met vijftig blinden bij de familie Aaldering binnenvallen was wat veel van het goede. Een klein groepje zat binnen en de rest zat buiten op de grond of stond in afwachting wat komen ging.
Terwijl de terugtocht werd aanvaard richting schuilkelder was er opnieuw luchtalarm en liet iedereen zich plat op de grond vallen tot het sein veilig werd gegeven.
Zo werd de schuilkelder bereikt en probeerde iedereen het zich zo makkelijk mogelijk te maken wat een hele toer was gezien de beperkte ruimte.
De familie Davidse verbleef, samen met de vijftig blinde bewoners, in de benauwde ruimte.
Piet beschrijft precies de situatie waarin zij zich vooral ’s nachts bevonden. Hij noemt het een gruwel. Het was benauwd en het stonk zogezegd een uur in de wind. Liggen kon je niet hoewel Piet probeerde, op de zanderige grond tussen de benen van de anderen en half onder banken, wat nachtrust te pakken.
Omdat zittend slapen voor veel blinde bewoners in de schuilkelder een groot probleem opleverde, hadden de verzorgers van repen linnen een constructie gemaakt waarbij de zittenden min of meer ter ondersteuning vastgebonden waren om in hun slaap ’s nachts niet voorover te vallen.
Piet herinnert zich nog de repen linnen die aan de balken hingen.

Het brandende 'Het Schild'

Het brandende ‘Het Schild’

Het waren onrustige en angstige nachten. ‘Het Schild’ was inmiddels geheel uitgebrand, maar het ouderlijk huis was ongedeerd gebleven.
Wel hadden Duitsers er tijdens hun afwezigheid waarschijnlijk huis gehouden, want er was veel beschadigd en er zat bloed op het aanrecht.
Van echt doorslapen in die schuilkelder kwam ’s nachts niet veel. Als iemand naar het toilet moest, dan ging dit onder begeleiding naar het in de uitgegraven en met rietmatten afgezette latrine buiten de schuilkelder.
Maar als er buiten geschoten werd, moest bij toerbeurt een emmer worden gebruikt. “Je kunt je voorstellen hoe het daarbinnen geroken heeft”, vertelt Piet.
Menigmaal kwam er een Duitse soldaat met een zaklamp controleren of er geen Engelsen waren. Piet werd ook eens gillend wakker van angst en toen werd hij door twee vrouwen vastgehouden en tot rust gebracht. En dat alles in het pikkedonker, waar alleen nog gefluisterd werd om elkaar niet wakker te maken.
“Het gekke is alleen dat ik daarna nooit meer angst heb gevoeld. Ik kan daar geen verklaring voor vinden”, vertelt Piet. “Dat verblijf in die schuilkelder is voor de blinden een drama geweest”, stelt Piet. Van de heer Nijenhuis weet hij nog, de blinde organist van ‘Het Schild’, kreeg Piet orgellessen. Hij herinnert zich de goede contacten die hij met hem had. Opeens was de goede man verdwenen en Piet heeft nooit meer iets van hem vernomen. “Misschien is hij overgebracht naar elders, maar dat was het dan. Gek hoor”.
Tijdens de eerste dag van het verblijf in de schuilkelder verliet Piet de schuilkelder en zag tot zijn stomme verbazing dat de velden rondom ‘Het Schild’ bezaaid waren met zweefvliegtuigen, rondrijdende jeeps en Engelse parachutisten. Er was geen Duitser meer te bekennen.

Natuurlijk dacht iedereen dat de bevrijding een feit was

Natuurlijk dacht iedereen dat de bevrijding een feit was.
Ook herinnert Piet zich het moment dat een Engelse legerpredikant hem en zijn moeder bij een ‘Glider’ heeft gefotografeerd. Die foto zal in Engeland best ergens een plekje hebben gevonden in een of ander fotoalbum. Maar ja, van wie?
Zuster Do SchweigAan zuster Do heeft Piet goede herinneringen overgehouden. “Zij was onvermoeibaar bezig met de zorg voor de blinden. Een geweldig mens”.
Piets vader was voornamelijk bezig met de voedselvoorziening en de bereiding ervan op een, buiten aangelegde, open houtvuurtje.
Aan Piets netvlies trekken heel veel beelden uit die dramatische dagen voorbij; teveel om op te noemen. “Je raakt dat nooit meer kwijt”.
Gelukkig (hoewel?) kwam daar een einde aan toen het bevel kwam dat ze weg moesten.
Van wie of waar het bevel vandaan kwam is niet bekend. “We moesten weg van de Duitsers, die inmiddels weer de baas waren geworden in Wolfheze. Maar waarheen”?
Besloten werd naar de Buunderkamp te lopen. Het lag op loopafstand en daar bevonden zich een aantal zomerhuisjes die geschikt waren voor een tijdelijk verblijf.
Alle vijftig blinde bewoners van ‘Het Schild’ met hun begeleiders, verzorgers en het gezin Davidse moesten hun spulletjes pakken.
Bij het vervoeren van de last werd gebruik gemaakt van alles wat op wieltjes ging of het te dragen. Daarna werd te voet de tocht aanvangen.
Er waren enkele blinden en zieken, waaronder zuster Mieke, die niet konden lopen en op een kar vervoerd moesten worden.
Piet hielp met het vervoeren van mevrouw Thomson en dat is hem zijn leven lang bijgebleven. Op een handkar werd een stoel gebonden waarin mevrouw Thomson werd geplaatst. Om te voorkomen dat zij eruit zou vallen, werd ze vastgebonden. Voorop trok een jongen met een touw de kar en Piet liep achter om de kar te duwen.

De jongens doken de greppel in en lieten mevrouw Thomson op de kar achter

Ondanks de wat hobbelige onverharde Duitsekampweg ging dat in een redelijk, zij het gezapig, tempo. Mevrouw Thomson hield zich kranig vast aan de armleuning en schommelde gewillig mee met de bewegingen van de kar totdat, jawel, er een vliegtuig verscheen.
Een Spitfire die de weg onder vuur dreigde te nemen. Paniek alom.
De jongens, die de kar trokken en duwden, doken geschrokken de naast de weg gelegen greppel in en lieten een schreeuwende en luid vloekende en vastgebonden mevrouw Thomson boven op de kar midden op het pad staan. Het was een hilarisch beeld ware het niet dat het dramatische gevolgen had kunnen hebben.
Gelukkig heeft iedereen het overleefd en wat mevrouw Thomson na hervatting van de tocht tegen de jongens heeft gezegd, vermeldt de historie niet meer. Het zal niet vleiend zijn geweest.
Nu, later, spreekt Piet van weinig fraai gedrag.
De Cantharel, één van de zomerhuisjes, werd betrokken door de blinden en verzorgenden inclusief de familie Davidse.
Een magere mekkerende geit verwelkomde de tijdelijke gasten. Haar aanwezigheid bleek ook een tijdelijke te zijn, want de volgende ochtend was zij verdwenen.

Het gezin Davidse. Piet uiterst links

Het gezin Davidse. Piet uiterst links

Het was een hele toer om de krappe huisjes bewoonbaar te maken voor meer mensen dan waarop het was berekend.
Vrijwel iedereen sliep op de vloer. Bepaald niet comfortabel, maar je had een dak boven het hoofd en je zat droog en dat was al heel wat na de vijf dagen die ze in de benauwde schuilkelder hadden doorgebracht.
Toch zaten ze ook hier niet veilig, omdat op korte afstand de spoorlijn onder vuur werd genomen en ze opnieuw gevaar liepen.
Intussen was Piet een keer naar een van de andere huisjes gegaan en daar aangekomen zag hij een papagaai in een kooi staan en ook een oude dorpsgenoot, Wout Veldhuizen, ontmoette hij daar.
Toen op zeker moment de papagaai het fluitend geluid van een bom nabootste dook Wout onder het struikgewas. Piet riep: “ Wout het is de papagaai”.
Luid lachen in die omstandigheden kan dan heel bevrijdend zijn.
Voedselgebrek begon zich aan te dienen. Zuster Do stuurde Piet naar de nabij gelegen Duitse post om brood te vragen. Het was een verzoek waaraan je twijfels kon hebben.
Met vader ging Piet eens aardappels rooien, waarbij Piet door zijn vader werd teruggestuurd om een mand te halen voor de gerooide aardappels.
Met de mand op de fiets werd Piet aangehouden door de Duitsers en overhoord naar de functie van de mand.
Piet huilde toen ze aandrongen op een gewenst antwoord. Gelukkig werd hij geloofd toen ze hem herkenden van de brood vragende jongen van een paar dagen ervoor.

Ze hadden veel avonturen beleefd daar rond de Buunderkamp, maar toch kwam op 25 oktober 1944 het bevel te moeten vertrekken.
Met bussen, vermoedelijk voorzien van een rood kruis, is het hele gezelschap in de nachtelijke uren overgebracht naar Bussum. Onderweg in Scherpenzeel kregen allen bij en van Restaurant “de Witte Holevoet” nog een kop warme soep uitgereikt.
Veel evacuees hebben, bleek later, dezelfde ervaring opgedaan in Scherpenzeel.
Het leegstaande ‘Blinden Instituut voor volwassenen’ werd hun nieuwe onderkomen.
Kachels waren er wel, maar er was geen brandstof en dat was in die strenge Oorlogswinter 1944/1945 geen pretje.

Piet moest van zuster Do lege stenen jeneverkruiken zoeken

Piet werd door zuster Do erop uit gestuurd om lege stenen jeneverkruiken en kurken te gaan zoeken in alle cafés ’s en restaurants die de omgeving rijk was. Het waren ideale kruiken voor warm om de bedden van de blinden te verwarmen.
Hoeveel hij er heeft opgehaald weet Piet niet meer.
Het naar school gaan werd een probleem. Zoals veel jongeren liep ook Piet een schoolachterstand op die na de bevrijding moest worden ingehaald.

Honger werd een acuut probleem. Piet had altijd honger, weet hij nog. Het vinden van een aardappel was een rijkdom waarmee je omzichtig moest omgaan. Stiekem opeten voordat een ander hem afpakte, was het devies.
Voor de blinden was alleen nog de beruchte gaarkeuken beschikbaar met de eeuwige koolsoep.
Toch hebben allen het wonder boven wonder overleefd. De beroemde voedseldroppings, in de buurt van Bussum, hebben ongetwijfeld levens gered.

De bevrijding was een schitterende belevenis

De bevrijding tegen de vijfde mei van 1945 was een schitterende belevenis.
Er staat zoveel op het netvlies van Piet dat tweeduizend woorden te weinig zijn om ze beeldend te laten beschrijven.
De familie Davidse is er goed doorheen gekomen. Piet heeft de scholen afgemaakt en heeft het leven weer opgepakt. Nu, op zijn vierentachtigste, is het een tevreden mens en dat is hem aan te zien.

Foto Marijke Koch website

Een bijzondere boerderij

Het dreunende bombardement op de nabij gelegen Willemskazerne schudde de Arnhemse bewoners op de 17de september 1944 wakker en in dit geval ook de onderaan de Apeldoornsestraat wonende familie Koch.
De toen zesjarige, in de Beethovenlaan, geboren Marijke herinnert het zich als de dag van gisteren. Zulke dingen vergeet je niet gauw en zelfs niet als kind van die leeftijd. Vanuit het dakraam heeft zij gezien hoe de vlammen uit de kazerne sloegen.
Ook heeft zij de landingen van de para’s in de verte kunnen zien.
“Met honderden tegelijk daalden ze neer”.
“Allemaal onder de Keldertrap”, was de eerste uitgeroepen reactie van vader Koch tot zijn uit zes personen bestaande gezin en andere familieleden.
Ons gezin woonde namelijk op dat moment in bij een oom en tante met hun pas geboren neefje.
Het was het einde van een ‘rustige’ tijd voor de kleine, zeer onafhankelijke, Marijke die toen soms alleen naar de kleuterschool liep ergens aan de Van Lawick van Pabststraat. Waar precies weet zij niet meer.

Er gebeurde ineens heel veel in haar omgeving

De hevige branden en het oorlogsrumoer moeten bij het gezin Koch goed hoorbaar zijn geweest.
De bijna naast het bekende Hotel Bosch gelegen woning gaf een haast onbeperkt uitzicht op wat zich afspeelde achter de woningen aan de Velperbinnensingel waarachter zich de Willemskazerne bevond.
Veel van de ouderlijke zorgen gaan op dat moment natuurlijk aan de zesjarige Marijke voorbij.
“Van gevaar ben je je dan nog niet zo bewust; eigenlijk was het best een beetje spannend, maar toch ook wel angstig met al die bange en gespannen volwassen mensen om je heen”, weet zij nog.
Er gebeurde ineens heel veel in haar omgeving.

Het huis verlaten? Waarheen? Hoe lang?

Ook herinnert zij nog dat ze zag dat een groep mensen (soldaten, burgers of joden) onder Duitse militaire begeleiding via de Apeldoornseweg werden afgevoerd.
Achteraf moet je natuurlijk dankbaar zijn dat Marijke ’s vader op dat moment niet op zijn werk was in Heveadorp. Hij zou dan midden in het strijdgewoel hebben gezeten en zijn thuiskomst zou beslist onzeker zijn geweest.
Hoewel het oorlogsrumoer duidelijk hoorbaar was, bevond de ouderlijke woning zich niet echt in gevechtsgebied. Dat lag meer richting Rijnbrug.
Van gevechtshandelingen kan Marijke zich dan ook niets herinneren en dat haar ouders de kinderen daarvoor afschermden was ook duidelijk.
Wat zich tussen de landingen en het bevel tot vertrek uit huize Koch heeft afgespeeld is niet duidelijk meer.
Marijke weet zich wel te herinneren dat er op zeker moment een meneer kwam vertellen dat zij moesten evacueren. Verwarring alom.
Het huis verlaten? Waarheen? Hoe lang? Eén, twee weken misschien? Zo lang zal de bevrijding nu toch niet meer op zich laten wachten?
Zeker is, dat alle fietsen die er waren op zeker moment werden bepakt en bezakt en de deur van de woning werd afgesloten.

Van het fietsje en de pop is na de bevrijding niets meer teruggevonden.

Omdat Marijke nog te klein en te onervaren was om de voorgenomen tocht alleen te fietsen, moest zij haar mooie fietsje en niet te vergeten haar prachtige pop achterlaten en plaats nemen achter op de fiets van vader. Van het fietsje en de pop is na de bevrijding niets meer teruggevonden.
In het verleden had de familie Koch een paar zomers de vakantie doorgebracht op een boerderij in de gemeente Rheden en een goede relatie opgebouwd met de boer en zijn vrouw. En die boerderij werd nu, haast logischerwijs, het einddoel van de tocht.
Rechtstreeks fietsend, de juiste route is Marijke niet helemaal meer duidelijk, werd in vrij korte tijd boerderij Herikhuizen onder de rook van de bekende Posbank bereikt.

Overgenomen uit WIKIPEDIA
Herikhuizen is een voormalige boerderij in de bossen van het Nationaal Park Veluwezoom in de gemeente Rheden in de Nederlandse provincie Gelderland.
Na beëindiging van het landbouwkundig gebruik werd de boerderij begin jaren negentig verlaten, en in 1999 door de eigenaar Natuurmonumenten omgevormd tot een ruïne ten behoeve van flora en fauna. Tegelijkertijd werd een wildobservatiepost gebouwd met zicht op de voormalige boerderij.
De boerderij Herikhuizen en haar bewoners spelen een hoofdrol in het bekende jeugdboek ‘De kinderen van het Achtste Woud’ van Els Pelgrom. (Eveneens in het boek van Herman H.Koch, Marijkes vader: “Marius Blok bij de Tommies”
Einde citaat.

Boer Chris Braakman en zijn vrouw Janna, heetten de familie van harte welkom. “Gastvrije mensen”, weet Marijke nog goed.
Boerderij Herikhuizen was een zeer oude boerderij.
Het stamde nog uit 1365 en was ruim bemeten; kamers genoeg.

Boerderij Herikhuizen 1960

Boerderij Herikhuizen 1960

Allen kregen onderdak waarbij wel genoegen moest worden genomen met meerdere personen op een kamer. Het hele gezin Koch sliep samen op een grote kamer, weet Marijke nog; vader, moeder en de vier kinderen.
Zelfs de bed indeling weet Marijke nog en beschrijft het nauwkeurig. Hoe klein ook en sommige beelden, zoals bekend, kunnen voor eeuwig op je netvlies blijven staan.
Vader Koch had een goede keus gemaakt.
De plek was ver weg van oorlogsgeweld ofschoon Marijke zich een luchtgevecht nog goed kan herinneren toen ze terug kwam van een bezoek aan het ziekenhuis in Velp achter op de fiets van moeder samen met broertje Eric.

Moeder gooide ons in een greppel en ging boven op ons liggen

“Moeder gooide ons in een greppel en ging boven op ons liggen”. ‘Reken maar dat ik bang was’ weet Marijke nog.
“Een van de twee vliegtuigen kwam toen brandend neer”.
Of het een Duits of Engels vliegtuig was, heeft zij nooit geweten.

Als kind(eren) op een boerderij je tijd doorbrengen is geen straf; prachtig zelfs. Er moest nog op een ouderwetse manier op het land gewerkt worden.
Rondom de gebouwen en de bossen was altijd wat te vinden en te beleven. Kortom: mooie en warme herinneringen.
Ook aan voedsel was geen gebrek. Boer Braakman kon prachtig uit de Bijbel voorlezen, weet Marijke nog en zijn vrouw was een gastvrije en ruimhartige kookster; er was altijd genoeg en ook voor de onverwachte hongerige bezoeker. Die waren talrijk in die dagen.

Plattegrond boerderij Herikhuizen

Plattegrond boerderij Herikhuizen

Uit de Kinderen van het Achtste Woud

Uit de Kinderen van het Achtste Woud

Marijke omschrijft de boerderij als een negentiende-eeuws boerenbedrijf; alles werd nog met de hand gedaan. Er waren ganzen, kippen, varkens, paarden, koeien en er waren fruitbomen en korenvelden. Er werden suikerbieten verbouwd en er was een bleekveldje om het wasgoed te drogen.
Zij herinnert zich nog een grote dorsmachine, die een paar dagen kwam dorsen (dankzij de Boerencoöperatie, zie: De Kinderen van het Achtste woud van Els Pelgrom).
Veel mensen werden met zakjes rogge door vrouw Janna naar huis gestuurd.
In een bosrijke omgeving wonen, betekent ook hout genoeg voor de grote kachel en dat bracht in die strenge winter veel knusse warmte in de boerderij.
De tijd die zij daar heeft doorgebracht, ziet zij als de gelukkigste tijd van haar jeugd ondanks de heersende oorlog die voor het kind Marijke toen niet echt voelbaar was. De ouders hadden de zorg.
In de buurt van de boerderij is een keer een V1 neergestort. Van de boerderij waren alle ruiten gesprongen en haar broertje lag toen midden in het glas, herinnert Marijke zich nog.
Zij was onder de indruk en bang.
De angst voor die V1’s, die ’s nachts overvlogen was op de boerderij wel erg groot weet zij nog. Tot lang na de oorlog is zij nog bang geweest voor vliegtuigen en onweer.
Een boerderij in die strenge Hongerwinter van 1944/1945 had beslist veel aantrekkingskracht op voedselzoekende mensen, onderduikers en niet te vergeten deserteurs.
Al deze zaken hebben zich zeker afgespeeld onder de ogen van nietsvermoedende kinderen en vermoedelijk ook Duitsers.
Twee oude dames uit Velp met een huiskonijn waren ook te gast. Zoiets vergeet je natuurlijk niet meer.
Vooral dat konijn zal veel aandacht hebben gehad van de kinderen.
Meerdere personen bevolkten Herikhuizen: Mensen waarvan de herkomst en of reden van hun bezoek nooit duidelijk waren voor haar. Maar ja; moest dat dan?
Als kind speel je en gaan belangrijke zaken aan je voorbij. Zeker in de nachtelijke uren zullen activiteiten hebben plaatsgevonden die voor de Duitsers verborgen moesten blijven.
Meehelpen in de huishouding werd voor de kleine Marijke hooguit beperkt tot het drinken van warme melk een geëmailleerd bekertje, weet ze nog.
Haar oudere zus deed veel meer in het huishouden. Zij was het zorgzame type en ging graag met vader over de heidevelden om in Rheden te proberen brood te kopen.
Marijke, voor haar leeftijd behoorlijk onafhankelijk van aard, ging de hele dag op stap met haar jongere broertje Eric en Gerrit, het jongste zoontje van de boer.
Vrouw Braakman noemde haar het moedertje.
Marijke meent zich nog te herinneren dat er een familie Strobosch uit Groningen(?) in huis is geweest. Maar waarom die helemaal uit Groningen naar Rheden was gekomen, heeft zij nooit begrepen.

Boerderij Erikhuizen in 2016

Boerderij Erikhuizen in 2016

Zij weet ook nog van het paard dat, al rondjes lopend, water uit een diepe put omhoog takelde. Het was een waterput met daaromheen een bestrate vloer waarop het dier zijn rondjes maakte.
Er was op zeker moment een aantal Duitse militairen, onder leiding van officieren, ingekwartierd. Waar ze sliepen weet Marijke niet meer. Misschien wel in de schuilkelder die ergens rond de boerderij was uitgegraven.
Eens moesten ingekwartierde Duitse soldaten, jongens nog, onder leiding van enkele officieren voor straf op hun hurken rondjes huppen om de waterput. Dit was een naar en beangstigend gezicht wat veel indruk maakte op de kleine Marijke.
Hoeveel rondjes weet zij niet meer, maar een aantal viel om van vermoeidheid.

Het huis in Arnhem was vrijwel leeggeroofd door de moffen

Woonhuis 'Het Koggehuys' nr. 10

Woonhuis ‘Het Koggehuys’ nr. 10

De bevrijding was een feest.

“Buiten op de weide werden, door de kleine kinderen, stoeltjes neergezet voor de bevrijders”, weet Marijke nog.
Vader werd tolk voor de Engelsen en zij weet ook nog dat hij in een Engels uniform liep.
Het huis in Arnhem was vrijwel leeggeroofd door de moffen, maar dat waren de meeste huizen in Arnhem. Er werd onderdak gevonden in de Pontanuslaan.

Bij de Arnhemse Schoolvereniging maakte Marijke de lagere school af en daarna bezocht zij de herbouwde MMS op de Apeldoornseweg. Op haar achttiende is zij naar Amsterdam verhuisd en werd Arnhem een verre herinnering.
Een oorlogs-/evacuatieverhaal, gezien door de ogen van een zevenjarig kind, dat zich afspeelde in een van de meest dramatische episodes van de Tweede Wereldoorlog. Om dan te kunnen zeggen dat het de gelukkigste periode van je kindertijd is geweest, mag je best bijzonder noemen.

Hilda, Rieki en Bart met onze kar

Mijn vader zat in het verzet

Mijn vader zat in het verzet, wij woonden in Wageningen. In september/oktober 1944 verbleven wij: mijn vader Johan v.d. Peppel; moeder Riek v.d. Peppel-Zaaijer; zusje Hilda 12 jaar; zusje Rieki 4 jaar en ik Bart 10 jaar in Bennekom. We gingen dan naar ’t Bos. In dat huis op de Fransekampweg 1 woonden toen; de familie van de Weerd: Gerrit sr.; zijn vrouw Jantje, Gerrit jr.; schoondochter Toos, die op 28 september beviel van zoon Gertje, dochter Jans (Zus) en zoon Niek. Dhr. en Mw. Ledoux. Dhr. en Mw. Limbach. De onderduiker: Geurt Ansink verloofde van Jans. En nog twee verzetsmensen: Jacob Post en Jan Schiedam uit Amsterdam, die daar waren in afwachting van de invasie/luchtlanding. In totaal dus 19 mensen.

Franse Kampweg 1 Bennekom

Franse Kampweg 1 Bennekom

15 september 1944:
’s Morgens maak ik een vlieger, ‘s middags ben ik aan het vliegeren, als er opeens twee Tyfoons naar beneden duiken, ik hol naar de schuilkelder van buurman Peters. Pa is in gesprek met buurman Pauw, plotseling wordt er aangebeld bij Pauw. Pa vlucht en verbergt zich in de boerenkool. Pitha de hond haalt hem op als het weer veilig is. Politie aan de deur, ma zegt dat haar man naar de Noord Oost polder is naar zijn zieke broer.
16 september:
Pa duikt onder in “ ‘t Bos” Fransekampweg 1. De politie komt weer aan de deur om pa op te halen.
17 september:
‘t Is zondag: ma gaat met zus Vossers kleren brengen naar “ ‘t Bos” . Wij kinderen blijven thuis, als er iets bijzonders is moeten we naar de buren Peters gaan.
In de lucht cirkelen groepjes vliegtuigen, wij naar de buren. Plotseling vallen er bommen ten oosten van Wageningen. De oude Peters duwt Hilda en Rieki tegen de muur. Ik hol het land op en val in een bed wortelen, als het gerommel minder wordt ga ik terug. Er stijgt een dikke rookwolk op in het oosten. Ondertussen zijn Ma en Zus op de terugweg naar huis, ze worden van de fiets geblazen op de Hollandseweg, als er bommen op de wijk Sahara en de Diedenweg vallen. Op de hoek van de Brinkerweg staat Jan Versteeg: “Riek, Riek wat is er gebeurd”. Ma vertelt van de bommen op de Diedenweg. Jan springt op de fiets, zijn kinderen zijn bij de fam. van de Lee. We zijn heel verdrietig, want zijn kinderen zijn omgekomen op de Diedenweg. Marieke was mijn vriendinnetje en Jan Versteeg zat in dezelfde verzetsgroep als mijn vader.
Pa had uit het dakraam van “ ‘t Bos”  de bommen zien vallen en kwam direct naar huis. Toen we zaten te eten begon de luchtlanding. Ma ging naar opoe Zaaijer, onderweg sprak petroleumboer Lauwerens haar aan en waarschuwde haar, omdat de vrijgelaten mannen van de razzia weer werden opgepakt, om loopgraven te graven.
Pa ging meteen terug naar “ ‘t Bos” .
Direct na de luchtlanding gingen Gerrit van de Weerd, Jacob Post en Jan Schiedam naar het hoofdkwartier van de Engelsen. ’s Avonds kwamen Gerrit en Jacob terug met een oranje armband om, met zwarte letters stond er ORANJE op en ze hadden elk een Engels geweer. Op “ ‘t Bos”  werd een wachtdienst ingesteld.

18 september:
– Gerrit en Jacob fietsten naar Wageningen, mijn vader en van de Weerd sr. hoorden een vuurgevecht.
– Mijn moeder ging met ons op de fiets naar “ ‘t Bos” . Onderweg zwaar vuurgevecht op de hoek van de oude Bennekomseweg/Diedenweg. Gevecht van Gerrit en Jacob met de Duitse patrouille.
– Geurt Ansink (in blauwe overal met oranjeband) ging vanuit “ ‘t Bos”  naar de Engelsen.
– Toos; Niek; Henk van Zanten, Wietse en mijn vader gingen op weg om de Engelsen te ontmoeten. Ze kregen van de Engelse soldaten tabak en een nieuw Nederlands bankbiljet, wat ze ruilden voor Nederlands geld. Ik heb het bankbiljet met een handtekening van een Engelse soldaat nog.

Geld biljet wat Engelse parachutisten bij zich hadden

Geld biljet wat Engelse parachutisten bij zich hadden

Geruild voor Nederlands biljet

Geruild voor Nederlands biljet.

– Pa (Johan v.d. Peppel) en Henk van Zanten (verloofde van Zus Vossers nichtje van de fam. v.d. Weerd) gingen terug naar Wageningen.
- De bekende verzetsman Kees Mulder kwam waarschuwen.
- Niek kwam aan Zus vragen of ze bij de fam. Roskam wilde zeggen, dat Gerrit en Jacob vermoedelijk gevangen genomen zijn.
- We sliepen in de huiskamer, het oorlogsgeweld werd steeds erger, vooral toen de verovering van de brug mislukte en de Amerikanen in de Betuwe zaten. Wageningen kwam onder vuur te liggen.

29 september vrijdag:
We vertrokken weer naar “ ‘t Bos” . Pa heeft de kar ingepakt met o.a. groene zeep, winterkleren en voedsel. We sliepen 1 nacht in een slaapkamer boven, maar het granaatvuur werd te hevig. Alle bewoners gingen in de kelder slapen.
1 oktober:
Wageningen moet evacueren. Pa en Fief Ledoux gingen naar Wageningen matrassen ophalen, de handtas van ma met honderd gulden erin was al gestolen.
v.d. Weerd sr en ik gingen mais binnenhalen, ik moest zes keer plat op de grond gaan liggen, omdat de granaten om mij heen insloegen.

Plotseling kwamen er Duitsers met grote schilden op de borst.

We kregen inkwartiering van Duitsers. Er werd een geschut in de buurt van het huis (“’t Bosch”) geplaatst. De spanning liep behoorlijk op. De Duitsers kwamen in de keuken en namen onze Rieki, met haar mooie blonde pijpenkrullen op schoot. Een hard gelag voor de familie, waarvan een zoon en een a.s. schoonzoon vermist werden.

aan het stuur van de fiets hingen twee konijnen

21 oktober:
Bennekom moest evacueren, wij bleven zitten in “ ‘t Bos”. De Duitsers vonden het goed omdat er water gepompt moest worden, ze zorgden zelfs voor dieselolie.
De fam. Lombach vertrekt. De familie Mathot (bewoners van Sakkara) vertelde ons dat alles ten zuiden van het Hazenpad (nu A12) weg moet; evacueren.
Plotseling kwamen er Duitsers met grote schilden op de borst. We moesten ons opstellen in een rij achter het huis. De geschutscommandant heeft voor ons gepleit, we zaten in het spergebied en dat was strafbaar. Binnen een uur moesten we eruit zijn. Pa ging noodgedwongen een aantal konijnen dood knuppelen. Hij pakte onze kar in. We gingen in een droeve stoet op weg naar Ede. Ik zie het nog voor me, op de hoek van de Franse Kampweg lag een dood paard met de benen omhoog. Eén nacht sliepen we bij oom Rien, maar dat huis zat helemaal vol. De volgende dag verder, op weg naar Blokzijl. We lopen van Ede naar Lunteren Hilda en ik voor de kar aan het zeel. Rieki had een plaatsje op de kar, mijn vader aan de duwboom, mijn moeder liep er naast met haar fiets, aan het stuur hingen twee konijnen. Later trokken we verder via Barneveld, Voorthuizen, Putten, Ermelo. Vanuit Ermelo gingen we met een vrachtauto naar Staphorst. Daarna weer lopen naar Meppel.
We bleven een paar dagen bij de ouders van oom Frans Fabricius. Weer op weg door de stad naar het beurtschip van Doeveren uit Blokzijl. Hilda droeg haar babypop op de arm. Iedereen had medelijden met ons, zelfs de Duitse soldaten. Zij beurden uit medelijden onze kar op het schip. Ik zat op de boeg van het schip. Vlak voor de Sas van Blokzijl zag ik ome Jan op de loswal staan. Ik riep: “daar staat ome Jan” ome Jan is de broer van mijn vader, mijn lievelingsoom. In de sluis werd onze kar afgeladen, een aantal mannen hielpen ome Jan en mijn vader bij het afladen. Eén van de mannen vroeg mijn vader: “waar zijn jullie meubels?” Mijn vader zei: “Dit is alles wat we nog bezitten”. De mannen konden het niet geloven. We gingen naar de familie Ansink. Herman Ansink was erg ziek en het huis was te klein om ons op te nemen. Er werd overlegd met de buren; de familie Tames, we werden liefdevol bij hun in huis opgenomen. We zijn daar tot juli 1945 blijven wonen.

Naschrift:
Pas jaren later werd de ware toedracht van de vermiste mannen in september 1944 bekend:
Op 17 september 1944 om 13.00 uur begonnen de geallieerde luchtlandingen.
In de loop van de middag arriveerden Jan Schiedam en Jacob Post vanuit hun schuilplaats op de begraafplaats, aan de Fransche Kampweg bij de woning van Gerrit van de Weerd sr.
Samen met Geurt Ansink en Gerrit van de Weerd vertrokken de mannen om zich aan te sluiten bij de luchtlandingstroepen.
Geurt en Jan keerden die avond niet terug. Gerrit en Jacob waren ’s avonds weer terug aan de Fransche Kampweg.
Geurt Ansink en Jan Schiedam vielen op 19 september ’s middags om 15.00 uur in de buurt van Het Blindenhuis aan de Wolfhezerweg in handen van Duitse troepen en werden ter plekke gefusilleerd. Pas in augustus 1945 kreeg de familie de zekerheid dat Geurt en Jan gefusilleerd waren. Geurt Ansink en Jan Schiedam zijn begraven op de Bijzondere Begraafplaats van de psychiatrische inrichting Wolfheze.
Jacob en Gerrit waren later die avond weer terug, getooid met een stengun en een armband van de BS, ontvangen van de Engelsen om bij eventuele gevangenneming aangemerkt te worden als krijgsgevangene.
In de vroege ochtend van 18 september 1944 vertrokken Gerrit en Jacob bewapend vanaf de Fransche Kampweg in Bennekom. Ze fietsten door het bos richting Wageningen en werden al in het bos ingesloten door een Duitse patrouille. Na een hevig vuurgevecht werden ze gearresteerd door de Duitsers en werden ze opgesloten in de plantenkas van Ansink aan de Keijenbergseweg.
Later die dag werden Jacob Post en Gerrit van de Weerd op een open vrachtwagen via de Hoogstraat de Wageningse Berg opgereden en achter de watertoren gefusilleerd.
Tien jaar later werden de lichamen van Jacob Post en Gerrit van de Weerd gevonden.
Hun begrafenis vond plaats op 26 juni 1954 op de algemene begraafplaats Wageningen.

Bart van de Peppel 2015

Bart van de Peppel 2015

1936 Van de Weerd, Riek, Mw. v.d.Peppel, Bart

1936 Van de Weerd, Riek, Mw. v.d.Peppel, Bart

 

Klok v tante Mien (2) (855x1280)

Vanuit onze serre zagen we de bombardementen op de watertoren en de spoorbrug

De eikenhouten klok slaat 12 slagen met een mooie heldere klank, de klepel is van glanzend geel koper, de cijfers zijn wat vervaagd, die klok heeft heel wat meegemaakt. De klok is meegenomen met de evacuatie uit Oosterbeek. Mijn moeder is in begin 1940 getroffen door een hersenbloeding, ze werd daardoor verlamd, ze zat in een rolstoel, we namen de klok mee op de voetenplank. In 1944 woonden we op de Emmastraat in Oosterbeek, op de bovenverdieping, de onder verdieping hadden we verhuurd. Mijn moeder had in Arnhem een kruidenierswinkel gehad. Mijn vader en mijn broer werkten bij de ENKA aan de Velperweg in Arnhem. Zij waren al naar Drenthe gevlucht.

Ik verzorgde mijn moeder en deed de huishouding, er kwam wel een zuster, om haar te wassen en aan te kleden. Daarnaast werkte ik bij Wim Smit van de Limonadefabriek aan de Molenweg, ook in de huishouding.
Wij hadden boven een grote glazen serre en keken uit over de Betuwe, ook konden we de watertoren op de Molenweg zien. Daar onder had je die limonadefabriek van Smit. Die watertoren is weggebombardeerd. Mijn familie woonde toen nog op het Stenenkruis.
De spoorbrug over de Rijn richting Duitsland werd geregeld gebombardeerd, dat konden we dan zien. ’s Avonds was de serre helemaal bedekt met zwart papier, zodat ze niet konden zien dat we boven zaten. De elektriciteit deed het nog wel, we deden ’s avonds spelletjes.
Mijn moeder droeg ik de trap op, ik was een meisje van zestien/zeventien jaar en dat was zwaar, want ze gaf niks mee. Dan hadden we een houten blad, daarmee kon ik haar in bed helpen. In de evacuatietijd deed ik dat ook, want ze rekenden niet op een rolstoel natuurlijk. Ik pakte haar bij de nek en de bovenbenen en droeg haar de trap af, ik was de enige die dat kon.

We hadden boven een kachel, die stookten we met hout. Ik zal je vertellen, ik heb heel wat bomen omgezaagd, dat moest je stiekem doen, anders kreeg je een kogel door je lijf. We hadden een wagen, daar deden we die stukken hout op en met een hakbijl moest je dat stuk maken. We stookten alleen hout, want kolen waren er niet.
We hadden eten genoeg, mijn moeder had net de winkel aan de kant gedaan, door die beroerte.
We hadden in Arnhem eerst een winkel aan de Rijnkade, later aan de Vossenstraat. Voordat ik naar school ging, moest ik naar de grossiers toe om koffie, thee en snoeperij te bestellen. We hadden een grote winkel, een goudmijntje, er waren vier scholen omheen. Ik zat toen op de Weverstraat op de katholieke St. Aloysiusschool.

Eind september met de evacuatie zijn wij lopend via Bennekom naar Driebergen gegaan. Mijn moeder zat in de rolstoel, die ik duwde en naast ons liep mijn vijf jaar jongere zusje Rietje. We hadden niks te eten, niks te drinken. Wij zaten in Driebergen bij een mevrouw die alleen woonde. Ook in Driebergen hebben we hout gezaagd, er was niks. We zaten dicht bij de kachel. Kleding kregen we van het Roode Kruis, dat hadden we niet meegenomen. Die mevrouw waar we waren, had gelukkig een groentetuin, daar konden we nog wat uithalen. We hadden ook dingen vanuit de winkel meegenomen: suiker, meel en zo. We zijn vanuit Driebergen ook eens terug gelopen naar Oosterbeek om dingen op te halen zeep b.v. Onderweg hebben we een nacht bij een boer geslapen, geen mof gezien, wel gingen er V1’s of V2’s over. Nou kijk, mijn moeder had nog rogge en tarwe, dat stond allemaal in ons huis, maar dat moest je stiekem meenemen, de moffen moesten dat niet zien, dan kreeg je een kogel door je lijf heen. Er was ook beddengoed. Mijn moeder kocht dat bij Steijger Romé in Arnhem, dat was een goederenzaak, daarvan had ze veel lakens en slopen in huis. Ik ging daarmee naar de boeren, ruilen voor eten; spek of boter of kaas.

Toen de oorlog uitbrak is mijn vader met mijn oudere broer Leen naar Drenthe verhuisd. Leen had verkering met een schooljuffrouw en bij haar vader, die boer was, waren zij in huis. Via het Roode Kruis kregen we te horen, dat hij daar zat. Wij werden na een verblijf in Driebergen, door het Roode Kruis naar mijn vader en broer in Drenthe gebracht. We woonden daar in een vakantiebungalow van een Amsterdamse onderwijzer.

’t Was een hele koude winter en veel sneeuw. De Eeserbrug was soms dicht, wij konden er nog net over. We werden beschoten door vliegtuigen. We woonden in Eesergroen, een gehucht.
We woonden midden tussen de boeren; melk, eieren en boter, alles zat. Ik ging ook wel bij de boeren werken, afwassen of ramen zemen, in ruil voor eten, hetzij melk of tarwe. Honger hebben we nooit geleden, echt niet. En kou? De kachel konden we goed stoken met hout. In een groot stuk bos wel 5 km lang, achter ons huis, daar zaten moffen, zij deden niks. De NSB’ers dat waren vuillakken, die zouden je zo verraden.
En wanneer zijn jullie teruggegaan?
Heel laat in augustus of zo. We zijn toen opgehaald door het Roode Kruis met een soort veewagen, veel ander vervoer was er niet. Wij kregen een huis waar NSB’ers in zaten, die moesten eruit. We kwamen terecht op het Geelkerkerkamp, daar hadden ze noodwoningen neergezet. Het waren houten noodgebouwen met vloeren van beton.
Wij hebben daar met plezier gewoond. Ons eigen huis wat mijn moeder gekocht had, was helemaal platgegooid, er stond geen steen meer overeind. Toen alles achter de rug was, konden we wel opbouwen, maar toen was dat zo’n kostbare zaak. Wij konden niet terug naar ons eigen huis, dat was voor ons veel te duur. Een zeeman, die heeft het gehuurd.

Mijn vader werkte toen op de Klingelbeek, daar woonde vroeger mijn opoe, die hadden een hele lap grond achter het huis met groente en fruit met hele grote blauwe pruimen.

Naschrift
Hoe de oorlog voor ons begon.
Begin 1940 heeft mijn moeder die hersenbloeding gehad. We hoorden in mei van de Duitse invasie toen ben ik met de buurman, ik op de step, naar de Rijnkade gegaan, want toen is de brug in de hoogte gevlogen, die hebben ze opgeblazen. Ik ging op de step terug naar de Emmastraat in Arnhem, ik zag al die lijken, die waren in het water gerold.
Daarna heb ik die grote etalageruit helemaal beplakt met papier, zodat hij niet in gruzelementen zou vallen. Hij is wel heel gebleven. Toen ik die ruit beplakte zag ik vrachtwagens voorbij komen met bovenop die lijken op weg naar de Steenstraat.
De voorraad raakte wel wat op, want er was geen toevoer meer en alles was op de bon. Toen had je ponden, nu heb je kilo’s.

Mien Huibers-Derkesen

Mien Huibers – Derksen 2016

Petroleum en braadolie was los, de mensen namen een kannetje mee of wij deden het in onze flessen, van een halve of hele liter. Je had grote, groene petroleumstellen, daar stond het eten op te sudderen.